Summary Onderzoekspracticum nonparametrische data-analyse : takenboek

-
ISBN-10 9035808169 ISBN-13 9789035808164
382 Flashcards & Notes
3 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Onderzoekspracticum nonparametrische data-analyse : takenboek". The author(s) of the book is/are projectteam Francine Dehue. The ISBN of the book is 9789035808164 or 9035808169. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Onderzoekspracticum nonparametrische data-analyse : takenboek

  • 1.2 Plaats van dit practicum in de onderzoekscompetentielijn

  • Welke drie componenties onderscheidt de opleiding Psychologie van de OU als einddoel van het universitaire onderwijs?

    • onderzoekscompetentie
    • (psycho)diagnostischecompetentie
    • interventiecompetentie
  • In welke 4 (natuurlijke) fasen is het onderzoeksproces onderverdeeld?

    • fase 1: u start met een psychologisch getinte onderzoeksvraag die u beantwoordt met een voorloopige psychologisch-theoretische uitwerking
    • fase 2: u concretiseert uw theoretisch antwoord door het te toetsen aan de 'harde' werkelijkheid in het onderzoeksveld
    • fase 3: u analyseert de gegevens die u hebt verkregen in de empirie
    • fase 4: u bediscussieert uw resultaten, trekt conclusies en u rapporteert over uw zoektocht naar de bewijsvoering en onderbouwing van uw antwoord op de onderzoeksvraag
  • 1.8 Leerdoelen

  • Algemene leerdoelen:

    • hypothesen opstellen voor een onderzoek
    • de juiste statistische techniek selecteren voor het toetsen van de hypothesen
    • kruistabellen en grafieken maken
    • centrummaten berekenen
    • twee en meer groepen vergelijken op een nominale en ordinale afhankelijke variabele, verbanden leggen tussen nominale of ordinale variabelen en nominale of ordinale variabelen en nominale of ordinale variabelen verklaren of voorspellen door een andere variabele
    • resultaten van statistische toetsing interpreteren
  • Leerdoelen naar fasen van onderzoek:

    1.) Onderzoeksvraag en theoretisch ontwerp:

    • een doelstelling van het onderzoek formuleren
    • een vraagstelling van het onderzoek formuleren
    • deze vraagstelling uitwerken tot toetsbare hypothesen of onderzoeksvragen ten aanzien van variabelen van ordinaal en nominaal niveau

    2.) Dataverzameling:

    • aangeven waarom er soms variabelen van nominaal en ordinaal niveau gecreeerd worden
    • verschilscores voor variabelen van nominaal en ordinaal niveau berekenen en interpreteren
    • de opzet van een onderzoek beschrijven

    3.) Data-analyse:

    • een onderscheid maken tussen parametrische en nonparametrische toetsen
    • kruistabellen en grafieken maken
    • modus en mediaan berekenen en interpreteren
    • de chi-kwadraattoets, de McNemar-toets, de Mann-Whitney-toets, de Kolmogorov-Smirnov-toets en de Wilcoxon-toets uitvoeren met behulp van SPSS
    • de Kruskal-Wallis-toets uitvoeren met behulp van SPSS
    • correlatieanalyses uitvoeren voor nominale of ordinale variabelen met behulp van SPSS
    • logistische regressieanalyse uitvoeren met behulp van SPSS
    • de statistische resultaten correct beschrijven (volgens de bij psychologie geldende regels van de American Psychological Association (APA))

    4.) Discussie en conclusie:

    • conclusies trekken die in overeenstemming zijn met de uitkomsten van de analyses
    • resultaten correct terugkoppelen naar de onderzoeksvragen en hypothesen
    • nagaan in hoeverre u de doelstelling en vraagstelling van het onderzoek beantwoord hebt
  • 2.1 Studietaak A1: theoretisch kader en conceptueel model

  • Casus 1: Integratie van kinderen met downsyndroom

    • integratie van leerlingen met downsyndroom in het regulier onderwijs
    • contacten tussen de leerlingen met downsyndroom en hun medeleerlingen
    • de aspecten die een rol spelen bij deze contacten
    • de aard van de interacties
    • degene die het initiatief nam voor interacties
    • of kinderen met downsyndroom bij hun activiteiten in de klas meer gericht waren op medeleerlingen of meer gericht waren op zichzelf
    • interventieprogramma
  • Casus 2: RSI

    • RSI = 'repetitive strain injuries' = pijnklachten aan nek, schouders, armen, pols, hand en vingers als gevolg van een chronische overbelasting
    • of de klachten afnamen nadat de medewerkers deelnamen aan een programma waarin voorlichting over RSI gegeven werd en waarin een aantal preventieactiviteiten plaatsvondt om verergering van RSI-klachten tegen te gaan
    • frequentie en de ernst van de RSI-klachten voor en na het interventieprogramma
    • samenhang RSI-klachten met leeftijd, geslacht, aantal uren beeldschermwerk per dag, aantal jaren computerervaring en functie 
  • Casus 3: Depressie bij patienten met een CVA

    • CVA = cerebrovasculair accident = herseninfarct
    • of huisartsen bij CVA-patienten een depressie kunnen herkennen
    • welke kenmerken van patienten zijn risikofactoren voor het ontwikkelen van een depressie?
    • kenmerken: sociale beperkingen, lichamelijke klachten, geslacht, leeftijd, aanwezigheid van een partner en/of kinderen, woonvorm
  • Casus 4: Coöperatief leren

    • coöperatief leren = een vorm van actief en constructief leren = een vorm van leren waarbij kinderen in groepjes samenwerken aan een gemeenschappelijke taak
    • doel is uiteindelijk een hoog rapportcijfer
    • de vraag is of motivatie van de kinderen voor coöperatief leren en de groepsgrootte daarop van invloed is
  • 2.1.1 Onderzoek De basis - Hoofdstuk 1: Onderzoeksplan

  • De belangrijkste voorwaarde voor het systematisch en doelgericht uitvoeren van onderzoek is het maken van een goed plan. Hoe heet zo'n plan?

    • onderzoeksplan
    • de ervaring leert dat wanneer het onderzoeksplan onvoldoende is doordacht, de kans groot is dat je later in het onderzoek vastloopt of het spoor bijster raakt
  • Het uitvoeren van onderzoek is handelen volgens een van tevoren opgesteld plan. Uit wat bestaan in het algemeen plannen?

    • doelen 
    • middelen
  • Je moet de 'topische vragen' beantwoorden. Waarover gaan deze?

    waarover, waartoe, waarom, wat, waar, wanneer, hoe, hoeveel:

    • Waarover gaat het onderzoek?
    • Met welk onderwerp wil ik mij in het onderzoek bezighouden
    • Waartoe dient het onderzoek?
  • Hoe noemen we een beschrijving van het onderzoeksdoel?

    • de probleemstelling
  • Waartussen word binnen de probleemstelling onderscheid gemaakt?

    • tussen de reden waarom het gehele onderzoek wordt uitgevoerd - de waarom-vraag
    • tussen de vraag die we met het onderzoek willen beantwoorden - de wat-vraag
  • Waarom wordt er onderzocht?

    • een onderzoek komt nooit uit de lucht vallen maar heeft altijd een reden
    • de uitwerking van de waarom-vraag wordt de doelstelling van het onderzoek genoemd
    • het vinden van de oplossing is het externe doel van het onderzoek
  • Wat wordt er onderzocht?

    • Je zoekt in een onderzoek naar kennis waarmee het gestelde doel kan worden bereikt
    • de uitwerking van de wat-vraag wordt de vraagstelling genoemd
    • de beantwoording van deze vraagstelling is het interne doel van het onderzoek
  • Hoe wordt de uitwerking van de waarom-vraag genoemd?

    • de doelstelling
  • Hoe wordt het vinden van de oplossing van het onderzoek van de waarom-vrag genoemd?

    • het externe doel
  • Hoe wordt de uitwerking van de wat-vraag genoemd?

    • de vraagstelling
  • Hoe wordt de beantwoording van de wat-vraag van het onderzoek genoemd?

    • het interne doel
  • Welke vragen horen bij de uitwerkingen van het doel?

    • Waarover gaat het onderzoek? Met welk onderwerp wil ik mij in het onderzoek bezighouden?
    • Waartoe dient het onderzoek?
    • Waarom wordt er onderzocht?
    • Wat wordt onderzocht?
  • Welke vragen horen bij de uitwerkingen van de middelen - ook wel ontwerp genoemd?

    • Waar wordt er onderzocht?
    • Wanneer wordt er onderzocht?
    • Hoe wordt er onderzocht?
    • Hoeveel onderzoeken?
  • Waar wordt er onderzocht?

    • de kennis die nodig is om de vraagstelling te beantwoorden, verkrijg je door in de werkelijkheid gegevens te verzamelen
    • je moet je als onderzoeker afvragen wie (welke onderzoekseenheden) of wat (welke bronnen) daartoe moeten worden onderzocht
  • Wanneer wordt er onderzocht?

    • met het oog op de haalbaarheid van je onderzoek dient je onderzoeksplan een tijdpad te bevatten
    • dit bevat het tijdstip van begin en einde van het onderzoek als geheel en van de verschillende uitvoeringsfasen afzonderlijk
    • een dergelijk tijdpad maakt een efficient beheer van de tijd mogelijk
    • bovendien voorkomt het dat je een te optimistisch beeld van de omvang van een onderzoek krijgt
  • Hoe wordt er onderzocht?

    • je dient een keuze te maken uit diverse onderzoeksstrategieen met daarbinnen weer verschillende methoden en technieken van dataverzameling en data-analyse
  • Hoeveel onderzoeken?

    • voor elk onderzoek gelden beperkingen in tijd, geld en technische hulpmiddelen
    • vandaar dat een van de belangrijkste aspecten van een goed onderzoeksplan de begrenzing of afbakening is
    • je kunt het doel ruim of bescheiden stellen, de gezochte kennis meer of minder diepgaand onderbouwen en uit meer of minder arbeidsintensieve onderzoeksstrategieen kiezen
  • Welke 8 bestanddelen vormen een onderzoeksplan?

    • doel: onderwerp (waarover), probleemstelling (waartoe) --> doelstelling (waarom), vraagstelling (wat)
    • middelen (ontwerp): eenheden en bronnen (waar), tijdpad (wanneer), onderzoeksstrategie en methode (hoe), afbakening (hoeveel)
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

De vraag of een voorspeller een significante voorspellende waarde heeft voor de criteriumvariabele staat enigzins los van de vraag of er een substantiele toename in het percentage correcte voorspellingen is.Leg uit:
  • wanneer het percentage correcte voorspellingen, zonder gebruik te maken van de voorspeller, dicht in de buurt van de 50 % ligt, dan kan een predictorvariabele (een voorspeller) dat percentage omhoog brengen
  • wanneer echter het percentage hoog ligt (zeg hoger dan 70 %) dan is er weinig ruimte om dat percentage te verbeteren
Ook bij een logistische-regressieanalyse kan de proportie verklaarde variantie uitgerekend worden.De kwaliteit van de voorspelling bij een logistische-regressieanalyse kan ook op een andere manier worden weergegeven.Welke?
  • door het percentage correcte voorspellingen bij afwezigheid van een predictor te vergelijken met het percentage correcte voorspellingen bij aanwezigheid van die predictor
Hoe wordt in de lineaire regressieanalyse de kwaliteit van de voorspelling uitgedrukt?
  • in de lineaire regressieanalyse wordt de kwaliteit van de voorspelling uitgedrukt in de proportie verklaarde variantie, aangeduid meet het symbool R-kwadraat
  • R-kwadraat geeft aan welke proportie van de variantie in Y door X verklaard wordt, ofwel in welke mate Y uit X te voorspellen is
  • R-kwadraat kan waarden aannemen tussen 0 en 1
  • als X 100 % van de variantie in Y-scores verklaart, zal R-kwadraat gelijk zijn aan 1
  • in dat geval is Y dus perfect te voorspellen vanuit X
Kan berekend worden of de variabele X een significante voorspellende waarde heeft voor de variabele Y?
  • net als bij de lineaire-regressieanalyse in OKD kan berekend worden of de variabele X een significante voorspellende waarde heeft voor de variabele Y
  • dit wordt, net als bij de regressieanalyse, uitgedrukt in B
  • de significantie van B wordt getoetst met de Wald-statistic
  • de p-waarde behorende bij de Wald-statistic wordt niet door twee gedeeld
Wat is in de formule van de logistische-regressievergelijking P(Y=1)?
  • in deze formule is P(Y=1) de kans dat Y in de categorie 1 valt
  • en die kans wordt medebepaald door de lineaire-regressievergelijking in logaritmische termen
  • daarin is e het natuurlijke logaritme, met de simpele lineaire-regressivergelijking als exponent
Van wat wordt in een logistische regressie uitgegaan?
  • in een logistische regressie wordt niet uitgegaan van de criteriumvariabele, maar van de kans op het optreden van één van de twee waarden van een nominale criteriumvariabele
  • voor de dichotome nominale variabele geslacht is dus bijv. de kans dat een bepaald persoon in de categorie man (=1) valt
  • en die kans loopt van 0 - 1
  • en waarde dicht bij 0 geeft aan dat de persoon waarschijnlijk niet in de categorie man valt en een waarde dicht bij 1 geeft aan dat de persoon waarschijnlijk wel in de categorie man valt
Waarom kan bij een nominale criteriumvariabele geen gebruik worden gemaakt van een lineaire-regressieanalyse?
  • de reden is dat de relatie met een predictorvariabele lineair moet zijn, en dat is niet mogelijk met een nominale criteriumvariabele
Hoe ziet de regressievergelijking uit?
Y = bX + a
Wat levert de lineaire-regressieanalyse op? (is in OKD uitgelegd)
  • de lineaire-regressieanalyse levert een vergelijking op waarmee de criteriumvariabele kan worden verklaard vanuit de predictorvariabele
Met wat komt de berekening van Spearman's correlatiecoefficient rs overeen en wat is het verschil?
  • de berekening komt overeen met de berekening van Pearson's correlatiecoefficient
  • het verschil is dat bij Spearman's correlatiecoefficient de scores X en Y vervangen worden door de rangnummers
  • dus voor het berekenen van Spearman's rs  kan de formule van Pearson's r uit OKD gebruikt worden, waaring X en Y vervangen worden door u en v, de rangscores van X en Y