Summary Op niveau 2e fase HV Taalvaardigheid Nederlands

-
ISBN-10 9006110000 ISBN-13 9789006110005
238 Flashcards & Notes
98 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Op niveau 2e fase HV Taalvaardigheid Nederlands". The author(s) of the book is/are Paul Merkx Karen Wentzel. The ISBN of the book is 9789006110005 or 9006110000. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Op niveau 2e fase HV Taalvaardigheid Nederlands

  • 1 teksten indelen

  • 6 soorten tekstdoelen iuobaa

    informeren,uiteenzetten,overtuigen,beschouwen,activeren en amuserren

     

    4 tekstsoorten ioaz

    informerende teksten,opinierende teksten, amuserende teksten,zakelijke teksten

     

    tekstvorm maa=nier waarop je informatie presenteert

     

  • o.d. = werkwoord volledig + en

    inf. = volledig werkwoord

    bn. voor of achter zelfstandig nw

  • Wat betekend ambiguïteit?
    d
  • 1.1 Tekstdoelen, tekstsoorten en tekstvormen

  • Tekstdoel (tekst kan meerdere doelen hebben):


    • Informeren (informatie geven)
    • Uiteenzetten (uitleggen hoe iets in elkaar zit)
    • Overtuigen (betogen)
    • Beschouwen (verschillende kanten bekijken en lezer laten nadenken)
    • Activeren (aansporen tot handelen)
    • Amuseren (vermaken)



    Tekstsoort


    • Informatieve tekst (geeft informatie of leggen uit hoe iets in elkaar zit)
    • Opiniërende tekst (tot handeling aansporen of echt na laten denken)
    • Amuserende tekst (Vermaken)
    • Zakelijke teksten (Opiniërende en Informatieve teksten samen) 



    Tekstvorm = hoe de informatie getoond word.


    Voorbeeld per tekstsoort:
    • Nieuwsbericht = informerende tekst
    • Tekst in een schoolboek = uiteenzettende tekst
    • Ingezonden brief  = overtuigende tekst
    • Recensie = beschouwende tekst
    • Advertentie = activerende tekst
    • Roman = amuserende tekst
  • 1.1.1 roze nummer 12 de inleiding

  • welke functies heeft een inleiding?
    • de belangstelling wekken 
    • het onderwerp introduceren en/of de hoofdgedachte naar voren brengen
    • aankondigen hoe de tekst is opgebouwd
  • 1.1.1.1.1.1.1.1.3.1 roze nummer 76 drogredenen

  • welke drogredenen zijn er allemaal?
    1. onjuiste oorzaak-gevolgrelatie
    2. valse vergelijking
    3. verkeerde autoriteit
    4. overhaaste generalisatie
    5. cirkelredenering
    6. op-de-manspelen of persoonlijke aanval 
    7. ontduiken van bewijslast
    8. verteken van een standpunt
    9. bespelen van het publiek
  • ontduiken van bewijslast?
    als je een onvoldoende heb e dan zegt "maar iedereen had een onvoldoende"
  • onjuiste oorzaak-gevolgreactie?
    verkeerde conclussie trekken
  • 1.2 Subjectieve en objectieve teksten


  • Subjectieve tekst = tekst waar nadrukkelijk de mening van de schrijver naar voren komt. Schrijver wil dat je een mening vormt.


    Objectieve tekst = tekst die bedoeld is om te informeren, grootste deel controleerbare feiten. De mening van de schrijver blijft op de achtergrond.


    Probeer achter de bedoeling van de schrijver te komen, zo kun je beter bepalen het objectief of subjectief is. (wat is zijn intentie?)


    Schijnobjectiviteit = als een schrijver zijn informatie als feiten presenteert terwijl het zijn mening is. 
  • 1.3 Formele en informele teksten

  • Formele teksten = gebruikt in officiële situaties, aan schrijf-, en spellingregels gebonden (bv: contact met werkgever)


    Informele teksten = onofficiële situaties, wat vrijer (bv :vrienden onderling)


    Formele gesprekken heb je vaak in schrijftaal en met onbekenden of in officiële situaties. 


    Informele gesprekken heb je vaak in spreektaal met vrienden


    Bij een informerend tekst is het vaak formeel maar bij een tekst met meningen en gevoelens is het vaker informeel. 









  • 1.4 woordenschat

  • abstract denkend

    g

  • Wat is een actuaris?
    Een wiskundig adviseur bij een verzekeringsmaatschappij.
  • accuraat

    nauwkeurig

  • Wat is een ambassadeur?
    De hoogste diplomatieke ambtenaar als vertegenwoordiger van een regering bij een andere regering.
  • Wat is een anesthesist?
    Een specialist die bij operaties verdoving toepast.
  • Wat is een antropoloog?
    Een volkenkundige, iemand die de mens zijn natuurlijke omgeving bestudeert.
  • Wat is een artdirector?
    Een grafisch (kunstzinnig) vormgever bij een reclamebedrijf.
  • Wat is een audicien?
    Een winkelier die hoortoestellen aanneemt en verkoopt.
  • Wat is een bedrijfspsycholoog?
    Een deskundige die onderzoekt hoe mensen binnen organisaties functioneren.
  • Wat is een calculator?
    Iemand die kostprijzen berekent.
  • Wat is een consulent?
    Een deskundige op een bepaald gebied die raad geeft, bijvoorbeeld op het gebied van de organisatie of de financiën.
  • Wat is een criminoloog?
    Iemand die onderzoek verricht naar de rol van misdaad in de samenleving.
  • Wat is een croupier?
    Een spelleider bij gokspellen.
  • Wat is een decaan?
    Iemand die leerlingen of studenten bijstaat en adviseert bij hun studie(keuze).
  • Wat is een ergonoom?
    Een deskundige op het gebied van de aanpassing van de werkomstandigheden.
  • Wat is een farmaceut?
    Een apotheker.
  • Wat is een fysicus?
    Een natuurkundige.
  • Wat is een griffier?
    Een secretaris bij bepaalde colleges, zoals de Tweede Kamer.
  • Wat is een intercedent?
    Een bemiddelaar bij een uitzendbureau, verzekeringmaatschappij, enzovoort.
  • Wat is een lexicograaf?
    Een woordenboekmaker.
  • Wat is een logopedist?
    Iemand die lesgeeft in uitspraak en gebruik van de stem.
  • Wat is een parlementariër?
    Een lid van de Eerste of Tweede kamer.
  • Wat is een podoloog?
    Een voetkundige.
  • Wat is een systeemontwerper?
    Iemand die informatiesystemen analyseert, verbetert en ontwikkelt.
  • Wat is diplomatiek?
    Zeer omzichtig, rekening houdend met de gevoeligheden van anderen.
  • Wat is discreet?
    In staat gegevens vertrouwelijk te behandelen.
  • Wat is flexibel?
    Zich gemakkelijk aanpassend aan wisselende omstandigheden.
  • Wat is integer?
    Onkreukbaar.
  • Wat is loyaal?
    Trouw aan het bedrijf of aan de aangegane verplichtingen.
  • Wat is abstract denkend?
    Kunnen denken zonder naar de werkelijkheid te kijken.
  • Wat is accuraat?
    Nauwkeurig.
  • Wat is ambitieus?
    Eerzuchtig.
  • Wat is assertief?
    Zelfverzekerd.
  • Wat is communicatief?
    Makkelijk met anderen pratend.
  • Wat is coöperatief?
    Op samenwerking gericht.
  • Wat is creatief?
    In staat zijn zelf iets te maken of te bedenken.
  • Wat is emotioneel stabiel?
    Evenwichtig in het omgaan met gevoelens.
  • Wat is sociaal voelend?
    Begrip en gevoel hebben voor medemensen.
  • Wat is gedisciplineerd?
    Volgens een strak (tijd)schema werkend.
  • Wat is initiatiefrijk?
    Iets (nieuws) willen ondernemen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Verwijsfouten
Als je met verkeerde woorden verwijst naar een persoon.
Foutieve Inversie
Wanneer je een zin vervolgd met en of maar hou je een volgorde aan van; ondw achter pv. 
Dit is foutieve inversie.
Foutieve Samentrekking
Je laat een eerder genoemd woord of woordgroep weg. 
Wanneer je geen dingen mag samentrekken; 
  1. Bij verschil in grammaticale functie
  2. Bij verschil in getal (pv en ondw)
  3. Bij verschil in betekenis
Losstaand zinsgedeelte
De bijzin komt los te staan van de hoofdzin. Voeg de bijzin toe door een komma.
Congruentiefout
Tussen een onderwerp en de persoonsform kan er een werkwoordsfout komen. 
Vb: De Vikingen was een oorlogszuchtig volkje.
       -> waren (Vikingen is meervoud) 
Telegramstijl
Er zijn woorden te weinig in de zin om de zin kloppend te maken.
Ambiguïteit / Dubbelzinnigheid
Ontstaat als je een woord of zin op twee manieren kunt lezen
Vb; Daar liepen vrouwen in klederdracht, die ik nog niet eerder had gezien. 
Ik heb de vrouwen nog niet eerder gezien / Ik heb die klederdracht nog niet eerder gezien
Foutief Pleonasme
Een woord in de zin waarvan de betekenis al aanwezig is door een ander woord. 
Vb; De witte sneeuw
Foutieve Tautologie
Twee woorden of woordgroepen die synoniemen van elkaar zijn. 
Vb; Soms en Wel eens
Contaminatie
Twee woorden of uitdrukkingen (met ongeveer dezelfde betekenis) die door elkaar worden gehaald. 
Vb; Voordat we weggaan, moet ik mijn auto even laten nachecken.
        Nachecken; nakijken/checken