Summary Organisational Psychology

-
ISBN-10 1781344809 ISBN-13 9781781344804
384 Flashcards & Notes
74 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Organisational Psychology". The author(s) of the book is/are Open Universiteit (Heerlen 2010 ). The ISBN of the book is 9781781344804 or 1781344809. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Organisational Psychology

  • 1 Organisational theory

  • Welke vijf organisatieperspectieven of -modellen worden onderscheiden?
    1. Population - ecology model
    2. Resource dependence model
    3. Rational - contingency model
    4. Transaction - cost model
    5. Institutional model
  • Wat zijn de uitgangspunten van "population-ecology model"
    • Veronderstelt dat omgevingsfactoren / milieu de organisatie karakteristieken selecteert.
    • Organisatietypen overleven die het dichtst bij de eisen van het milieu blijven. 
    • Organisaties vullen niches in hun omgeving
    • Niet bezig met individuele organisaties maar meer met "populatie" van organisaties
  • Wat zijn de uitgangspunten van "resource-depends model"
    • Organisaties maken keuzes op basis van hun politieke context en niet op passieve afhankelijkheid van hun omgeving.
    • Organisaties vormen hun omgeving en maken strategische keuzes
  • Wat zijn de kenmerken van "rational-contingency model"
    • Combinatie van rationaliteit en onvoorzienigheid gaan organisaties om met hun omgeving
    • Model geeft meer aandacht aan onvoorziene omstandigheden dan aan politieke en niet rationele beslissingen. 
  • Wat zijn de kenmerken van de "transaction-cost model"
    • Ontstaan uit de economische hoek en doet een poging om om de aanwezigheid van organisaties in de private sector te verklaren
    • Suggereert dat individuen hun eigen belang voorop zetten en daardoor hierarchiën verzamelen om zaken te doen
    • Ze maken transactiekosten en verkleinen de onzekerheid en onbetrouwbaarheid door passende organisatie monitoring en controle. 
  • Wat zijn de kenmerken van "institutional model"
    • Organisaties die in dezelfde branche werken nemen over het algemeen dezelfde karakteristieken over. 
    • Deze overeenkomsten worden gestimuleerd doordat ze in eenzelfde omgeving / omstandigheden zoals krachten en netwerk functioneren wat nabootsing aanmoedigt. 
  • Noem de zeven organisatietheorieën of stromingen die Brooks (2009) beschrijft en geef aan wie de belangrijkste vertegenwoordigers zijn
    1. Bureaucracy (Mark Weber)
    2. Classical school (Henry Fayol, Lyndall, Urwick, James Mooney, Mary Follet)
    3. Scientific management (Frederick Taylor, Frank Gilbreth, Henry Gantt)
    4. Human relations school (Chester Barnard, Roehtlisberger, Dickson)
    5. System theorie (Kast, Rosenzweig, Hersey, Blanchard)
    6. Contingency theorie (Woodward, Burns, Stalker)
    7. Contemporary and postmodernism (Morgan)
  • Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen de klassieke stroming en de Human relations school
    De klassieke school ziet organisaties als mechanisch, rationeel en onpersoonlijke entiteiten met strikte hierarchie, gespecialiseerde arbeid en regels en procedures. 

    De human relations school legt een nadruk op mensen, kijkt naar het bredere aspect van motivatie, autonomie, vertrouwen en openheid in management en organisatie beslissingen.
  • Welke uitgangspunten zijn kenmerkend voor de systeemtheorie (Systems Theory)
    De systeemtheorie omarmt de technische en de sociale aspecten van een organisatie. Als ook de omgevingsfactoren.

    Hersey en Blanchard (1993) suggereren het bestaan van vier geïntegreerde subsystemen:

    1. Mensen en sociale systeem
    2. Administratieve en structuur systeem
    3. Informatievoorziening en beslissings systeem
    4. Economisch en technologisch systeem  
  • Wat zijn de kenmerken van de contingency theorie
    Deze theorie gaat er van uit dat organisatie structuur, functieomschrijving, management en de meeste andere factoren van de organisatie afhankelijk of voorwaardelijk (contingent) zijn op een veelheid van interne en externe concrete en niet concrete factoren. 

    Er worden drie belangrijke factoren beschreven:

    1. Het business milieu 
    2. Technologie
    3. Grote van de organisatie    
  • Waarin verschillen de contigentie en system theorie van de klassieke theorieën?
    De klassieke theorieën geven een "beste manier". Terwijl de Systeem en Contingentie theorie aangeven waar rekening mee gehouden moet worden. 

    De klassieke theorieën houden geen rekening met de omgeving waarin een organisatie zich bevindt.
  • Wat is de meest recente stroming op het gebied van organisatietheorie en welke voorbeelden worden aangehaald
    Contemporary lenses en postmodernism wordt de meest recente stroming genoemd. 

    Een niet rationele kijk op organisaties , het gaat om hoe mensen hun omgeving vormgeven en uitvinden. Dit gebeurt op zoveel verschillende manieren dat er ook vele verschillende organisatievormen zijn. Hierdoor krijg je verschillende frames hoe je naar organisaties kijkt. 

    • Culturele perspectieven
    • Organisatie als een brein / de lerende organisatie   
  • Welke nieuwe thema’s binnen organisatietheorie en –analyse worden door Brooks (2009) onderkend en waarom zijn deze volgens hem relevant
    1. Emoties in organisaties; Emoties zijn een belangrijke dimensie bij de concepten organisatie cultuur en organisatie politiek. 
    2. Tijd in organisaties; Tijd is altijd belangrijk geweest in organisaties en wordt de laatste tijd meer nadrukkelijk bekeken. Te denken valt aan tijd controleert dagelijks leven, denken in tijd van korte en lange termijndoelen, denken in tijd als in life cycles van producten en bedrijven. 
  • Wat zijn de kenmerken van het bureaucracy model
    1. Mensen hebben eigen goed gedefinieerde taken en verantwoordelijkheden
    2. Organisaties hebben hierarchische verantwoordingsstructuren
    3. Organisaties ontwikkelen eigen regels en procedures
    4. Medewerkers bezitten plekken in de organisatie op basis van verdienste die anderen beoordeeld hebben
    5. Medewerkers reageren onpartijdig en emotieloos, motivatie komt voort uit plichtsgevoel
  • Wat zijn de veranderingen die de klassieke school theorie kritischer bekijkt.
    • De overweging dat context invloed heeft op de meest efficiente en meest effectieve manier van organiseren en managen
    • De overweging dat de medewerkers een meer kritische factor worden in organisatie succes
    • De dynamiek van de business wereld en de complexiteit van de markt en de wereldwijde economie vragen flexibiliteit en innovatie
    • Er is een wijd verspreid geloof dat bureaucratische organisaties, gebouwd op de principes van de klassieke school, niet goed toegerust zijn om verandering te omarmen. Ze zijn meer toegerust voor herhalende activiteiten en bekend terrein. 
    • Sociale perceptie en politieke verandering hebben verschillende activiteiten die eind 19e en begin 20e eeuw normaal waren nu illegaal, onetisch of onacceptabel gemaakt. 
    • De herkenning dat organisaties meer en meer mensen zoeken met leiderschaps kenmerken. 
  • Wat zijn de praktische en effectieve problemen van Taylorism
    • Wijdverspreide vaak gewelddadige oppositie van werknemers
    • Significant verzet begin 20e eeuw bij management die hun werk als noodzakelijk zagen
    • Verlaging van werkmoraal door saai en herhalend werk
    • Verlaging van noodzakelijke vaardigheden bij medewerkers en daardoor vermindering van flexibiliteit 


    Deze ontstaan door:

    1. Het niet erkennen van emotionele en sociale behoeften van medewerkers
    2. De aanname dat loon een voldoende krachtig motivatiemiddel is
    3. Management heeft alle controle over medewerkers die niets zelf mogen beslissen. 
  • Wat suggereert Morgan (1996) als het gaat om metaphoren
    Metaphoren of perspectieven waarmee we kijken naar de organisatie of de organisatie zien zijn cruciaal voor het begrijpen, aansturen en ontwerpen van organisaties.
  • Wat zijn de kritiekpunten op de contingentie theorie
    1. Er is een veelheid aan factoren die maar deels begrepen worden
    2. Deze theorie kan maar een deel van het beeld geven
    3. Onderwaarderen het menselijke deel van de organisatie
    4. Organisaties en omgeving zitten in een constante stroom
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Op welke manieren kan een organisatie gedrag aanmoedigen dat de ethische standaard schendt?
Stonewalling: relevante informatie wordt achtergehouden.
Counternorms: geaccepteerde bedrijfsnormen staan haaks op maatschappelijke normen.
Werknemers nemen onetisch gedrag over van hogergeplaatsten.
Hoe bepaalt men of politiek gedrag ethisch dan wel onethisch is? (tekstboek pp. 270)
a. Is het het risico waard?
b. Kan het anderen schaden?
c. Is het eerlijk en rechtvaardig?
Onder welke conditie(s) zullen medewerkers defensief reageren op een politieke activiteit? Geef enkele voorbeelden van defensief gedrag. (tekstboek pp. 386)
  • Als politiek als een bedreiging wordt gezien
  • Als inzicht in politiek gering is
Wat is de definitie van macht?
Macht verwijst naar het vermogen dat A heft om het gedrag van B te beïnvloeden, zodat B zich gedraagt in overeenstemming met de wensen van A.

Macht is een functie van afhankelijkheid.
Welke variabele verklaart volgens Robbins et al. (2011; zie tekstboek) het verschijnsel groepsdenken?
Volgens Robbins et al. (2011) treedt groepsdenken vooral op in groepen die gekenmerkt worden door een sterke sociale identiteit, wanneer de leden een positief beeld hebben van hun groep dat ze willen beschermen, en als de groep een collectieve dreiging ervaart van dit positieve beeld. Het zelfbeeld van de groep is dus de variabele waarmeehet verschijnsel  groepsdenken verklaard kan worden: groepsdenken moet vooral gezien worden als een mechanisme waarmee de groep het positieve zelfbeeld van de groep in stand kan houden (zie tekstboek, p. 149).
Wat bepaalt de verschuiving van meer risicovollere beslissingen (risky shift) of meer voorzichtige beslissingen (cautious shift) na groepsdiscussie?Dat hangt af van:
De meningen van de groepsleden vóór de discussie.
JANIS
Groepsdenken (Groupthink)
Wat zijn de drie huidige strategiedimensies en welk structurele ontwerp hoort het beste bij elk van hen?
Innovatie strategie:
De nadruk ligt op het introduceren van nieuwe producten en diensten. Organische structuur.

Kostenminimalisatie strategie:
De nadruk ligt op het beheersen van kosten, het vermijden van onnodige innovatie of marketingkosten en het verlagen van prijzen door basisproducten te bieden. Mechanische structuur.

Imitatie strategie:
Maakt nieuwe producten of gaat op nieuwe markten als de waarde al is aangetoond. Organische en mechanische structuur.
Wat is de interafhankelijkheid tussen structuur en strategie?
Als het management een belangrijke wijziging aanbrengt in de strategie van zijn organisatie, zal de structuur moeten worden aangepast om deze verandering op te vangen en te ondersteunen.
Wat is een Boundaryless Organization?
Een organisatie die de chain of command wil elimineren, grenzelose spans of controls wil en afdelingen wil vervangen door bekwame teams.