Summary Praktisch staatsrecht

-
ISBN-10 900179436X ISBN-13 9789001794361
586 Flashcards & Notes
22 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Praktisch staatsrecht". The author(s) of the book is/are Y M Visscher. The ISBN of the book is 9789001794361 or 900179436X. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Praktisch staatsrecht

  • 1 De Nederlandse staat en zijn bewoners

  • Staatsrecht:

     

    1)    betreft de manier waarop de inrichting van de staat en het optreden van de overheid zijn georganiseerd.

     

     

     

    2)    heeft betrekking op de rechtvaardiging en verdeling van e staatsmacht bij wetgeving, bestuur en rechtspraak en op de verhouding tussen de overheid en de burger.

     

     

     

    Staat: We spreken van een staat als er een gemeenschap is van mensen op een bepaald grondgebied het hoogste gezag uitoefent.

     

     

     

    Kenmerken van een staat:

     

    1)  Grondgebied: het grondgebied, het territorium, kent grenzen die soms na oorlogen tot stand zijn gekomen en in een verdrag (overeenkomst tussen staten) met buurlanden zijn vastgelegd. De staat heeft exclusieve zeggenschap op en over zijn gehele grondgebied.

     

     

     

    2)  Gemeenschap: wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of op eigen verzoek de nationaliteit hebben verkregen. De verbondenheid uit zich in nationale symbolen zoals een vlag en een volkslied.

     

     

     

    3)  Gezag: Het hoogste gezag is gericht op het scheppen en handhaven van orde en recht. Alleen het hoogste gezag mag geweld gebruiken, geweldsmonopolie.

     

     

     

    4)  Erkenning door andere staten:

     

     

     

    Het begrip staat kan in twee betekenissen gebruikt worden. ten eerste kan het ‘land’ aanduiden, d.w.z. het grondgebied met de bevolking v/d staat. Ten tweede wordt er met staat ook het ‘gezag’ i/d staat/overheid bedoeld.

     

     

     

    De staat is soeverein: d.w.z. dat zij zelfstandig en ondeelbaar is, en het hoogste gezag dragend.

     

     

     

    De Nederlandse staat is een rechtspersoon naar burgerlijk recht:
    dit betekent dat de staat, net als een persoon, zelfstandig drager is van rechten en plichten en als staatsmacht kan optreden in het juridische verkeer binnen Nederland en in contract met andere staten.

     

    De staat (overheid) zorgt voor bescherming v/d burgers door landsgrenzen te verdedigen en de orde te handhaven. Daarnaast zorgt de overheid ervoor dat het algemeen belang wordt gediend.

     

    Algemeen belang: datgene wat in het belang is van de meeste burgers en van de staat als geheel.

     

    De overheid vervult haar taken door als wetgever op te treden, door de staat te besturen en d.m.v. rechtspraak.

     

     

     

    Het koninkrijk der Nederlanden: is een staatsrechtelijk samenwerkingsverband tussen Nederland, de Antillen en Aruba (tot 10/10/2010) en daarna tussen Nederland met de BES-eilanden als openbare lichamen en de 3 staten Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

     

    De afzonderlijke staten (Aruba, Curaçao en Sint Maarten) mogen hun eigen aangelegenheden zelf behartigen (art. 41 lid 1 Statuut). Zij hebben net als Nederland een eigen bestuur (regering), wetgever en rechterlijke macht.

     

     

     

    Het Statuut: is een staatsregeling waarin afspraken zijn vastgelegd over de onderlinge verhoudingen in het Koninkrijk en de samenwerking.

     

     

     

    Rijkswet: zijn wetten die van toepassing zijn in het gehele Koninkrijk.

     

     

     

    Rechtspositie: het geheel van rechten en plichten van vreemdelingen in Nederland.

     

    Rechtsgevolgen van het Nederlanderschap:

     

     

     

    1)     Nederlanders hebben vrije toegang tot Nederland en mogen hier vrij verblijven.

     

     

     

    2)     Het wetboek van Strafrecht is ook van toepassing op Nederlanders die buiten het Koninkrijk bepaalde misdrijven plegen (art. 5 Sr). Deze wet heeft exterritoriale werking.

     

     

     

    3)     De Nederlander die in het buitenland gevangen genomen wordt geniet diplomatieke bescherming (bescherming van de eigen staat in het buitenland).

     

     

     

    4)     Nederlanders worden niet aan andere staten uitgeleverd, als het niet zeker is dat zij hun straf in Nederland mogen uitzitten.

     

     

     

    5)     Nederlanders vallen in het buitenland ook onder het Nederlands erfrecht en personen-en familierecht.

     

     

     

    6)     Art. 4 GW geeft Nederlanders het recht om leden v/d tweede kamer, de volksvertegenwoordiging  te kiezen (actief en passief kiesrecht).

     

     

     

    7)     Sommige openbare functies kunnen alleen door Nederlanders worden vervuld. Zoals,

     

    burgemeester (art. 63 Gemeentewet), rechter (art. 1c Wet rechtspositie rechterlijke

     

    ambtenaren), ambtenaar (art. 125e Ambtenarenwet).

     

     

     

    8)     Nederlanders kunnen aanspraak maken op voorzieningen of uitkeringen zoals bijstand,

     

    kinderbijslag en huurtoeslag.

     

     

     

    Vreemdeling (art. 1 lid 1e RWN): Hij die de Nederlandse nationaliteit niet bezit. Een vreemdeling heeft de eerste zeven bovengenoemde rechten niet en de laatste alleen als hij rechtmatig in Nederland verblijft.

     

     

     

     

     

     

     

    Nederlandse nationaliteit verkrijgen indien:

     

     

     

    1)    Kinderen van Nederlandse ouders

     

     

     

    2)    Kinderen van de derde generatie

     

     

     

    3)    Minderjarigen die geadopteerd worden door een Nederlander (art. 5 RWN)

     

     

     

    4)    Niet-Nederlandse jongeren tussen 18 en 25 die sinds hun geboorte in Nederland wonen (tweede generatie) kunnen Nederlander worden d.m.v. een optieverklaring (art. 6 RWN)

     

     

     

    5)    Vreemdelingen die 5 jaar legaal in Nederland hebben gewoond (of drie jaar getrouwd met een Nederlandse partner) én ouder zijn dan 18 jaar, kunnen bij de minister van Justitie een naturalisatieverzoek indienen (art. 7 RWN).

     

     

     

    Voorwaarden zijn wel:

     

    o   Geen gevaar voor de openbare orde en veiligheid, ingeburgerd en Nederlandse taal beheersen.

     

     

     

     

     

    Derde generatie: In Nederland geboren kind van niet-Nederlandse ouders die in Nederland zijn geboren.

     

     

     

    Naturalisatie: verkrijging van het Nederlanderschap door een besluit van de Nederlandse overheid.

     

     

     

    Naturalisatietoets: een toets die een vreemdeling moet afleggen om in aanmerking te komen voor een naturalisatie.

     

    Degene die Nederlander wil worden moet afstand doen van zijn eigen nationaliteit. Omdat de nationaliteit van die vreemdeling gezien wordt als een belemmering. Uitzondering: Marokko.

     

    Ook wordt er meerderjarige vreemdelingen die sinds hun vierde jaar rechtmatig in Nederland wonen en Nederlander willen worden, wordt er geëist dat zij afstand doen van hun eigen nationaliteit, omdat hun oorspronkelijke nationaliteit in het dagelijks leven voor hen nauwelijks een betekenis heeft.

     

     

     

    Identificatieplicht: de plicht tot het overleggen van een identiteitsbewijs.
    Art. 1 Wet op de identificatieplicht (Wid) geeft aan met welke documenten iemand zijn identiteit en nationaliteit kan aantonen. Dit zijn het paspoort, het rijbewijs, maar ook vreemdelingendocumenten, zoals een visum of de verblijfsvergunning. Iedereen vanaf 14 jaar moet zich kunnen identificeren bij politiecontroles (art. 2 Wid).

     

    Koppelingsbeginsel: uitgangspunt dat het recht op een verstrekking, uitkering of voorziening van de overheid is gekoppeld aan het rechtmatig verblijf. Dus vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen geen daarop aanspraak doen.

     

     

     

    (Art. 3 Vw)Toegang a/e vreemdeling wordt verhinderd als :

     

    -       hij geen geldig identiteitsbewijs heeft

     

    -       gevaar is voor de openbare orde en veiligheid

     

    -       geen geld heeft voor zijn verblijf in Nederland en zijn terugreis

     

    Voor een kort verblijf als toerist, voor zaken, familiebezoek of een ziekenhuisopname etc., moet de vreemdeling eerst een visum in zijn eigen land aanvragen bij de Nederlandse Ambassade. 

     

    Ambassade: een stuk Nederlands grondgebied in het buitenland, waar de Nederlandse staatsmacht geldt.

     

     

     


    Visum:
    hiermee verleent Nederland toestemming aan een vreemdeling om gedurende korte tijd (max. 3 maanden) in Nederland te verblijven. (art. 3.3 vreemdelingenbesluit).

     

     

     

    Voor een langer verblijf moet de vreemdeling op een Nederlandse ambassade een “machtiging tot voorlopig verblijf" aanvragen (art.14 Vw).

     

    Daarna kan de vreemdeling in Nederland dan een “verblijfsvergunning regulier” aanvragen. Deze vergunning wordt afgegeven onder beperking, voor het doel van het verblijf.

     


    Voor staatsburgers v/d andere staten in de EU gelden er mindere strenge regels op grond v/d afspraken i/h EU verdrag.

     

     

     

    Asielzoekers moeten een “verblijfsvergunning asiel” aanvragen in een Nederlands aanmeldcentrum (art. 28 Vw). Daarna moeten zij een definitieve beslissing afwachten i/e opvangcentrum of asielzoekerscentrum.

     

     

     

    Verdragsvluchteling: Zijn asielzoekers die vanwege ernstige redenen uit hun land zijn gevlucht.

     

     

     

    Verlening verblijfsvergunning (art. 13 Vw):

     

     

     

    -       als Nederland hiertoe verplicht is vanwege een verdrag

     

     

     

    -       als met de aanwezigheid v/d vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend. (bv. Koningin Maxima die een verblijfsvergunning kreeg, toen er vast stond dat zij met Koning Willem Alexander ging trouwen.

     

     

     

    -       als er klemmende redenen zijn van humanitaire aard, zoals ziekte of hereniging met een partner of kind.

     

    Grondrecht: de invloed van de overheid wordt niet absoluut maar wordt begrensd door fundamentele rechten van burgers/ mensenrechten, die de overheid moet respecteren en zij mag alleen inbreuk maken als dit wettelijk is bepaald.

     

     

     

     

     

    Bronnen van het Staatsrecht:

     

     

     

       - Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden

     

       - De Grondwet

     

       - Gewoonterecht

     

       - Verdragen en Europese maatregelen

     

       - Jurisprudentie

     

     

     

    Staatsregeling constitutie: Rechtsregels die het staatsgezag en de organisatie van de staat vastleggen,

     

    Het Statuut: regelt sinds 1954 de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhoudingen en samenwerking tussen Nederland en de overzeese delen van het Koninkrijk.

     

    Grondwet: regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat en de staatsorganen en de verdeling van de staatsmacht.

     

     

     

    De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers (art. 42 lid 1 GW).

     

     

     

    Formele wetgever: de Staten Generaal (volksvertegenwoordiging) en de regering die samen wetten (wetten in formele zin) vaststellen (art. 81 GW).

     

     

     

    De grondwet is een aansluiting op het Statuut die zaken in het gehele Koninkrijk betreffen (art. 5 Statuut) en bevat grondrechten, die burgers beschermen tegen te grote inbreuken door de staat.
    De verankering van de grondrechten i/d Grondwet biedt extra zekerheid, aangezien de Grondwet de hoogste wet in Nederland is en minder gemakkelijk gewijzigd kan worden dan gewone wetten.

     

     

     

    Organieke wet: hiervan is er sprake als de Grondwet bepaalt dat iets (nader) geregeld moet worden in een wet in formele zin.

     

     

     

    Raad van State: is een orgaan dat o.a. juridische adviezen geeft aan de Nederlandse overheid.

     

     

     

    Gewoonterecht: hiervan is er sprake als een bepaald gebruik, waarvan men vindt dat het juridisch gezien zo hoort, een zekere tijd voortduurt. (bijv. vertrouwensregel).

     

     

    Jurisprudentie: of te wel rechtersrecht. Hierbij verduidelijken rechters bestaande rechtsregels over een geschil met hun uitspraken en passen zij deze toe op het concrete geval.

  • Wanneer spreken we van een staat?
    We spreken van een staat als er gemeenschap is van mensen op een bepaald grondgebied, waarover een organisatie het hoogste gezag uitoefent.
  • 1
  • Wat zijn de drie elementen van de staat? (kenmerken)
    Grondgebied, gemeenschap en gezag.
  • Het territorium is het grondgebied van een staat
  • Wat is een verdrag?
    Een verdrag is een overeenkomst tussen een of meer staten
  • Het grondgebied kent grenzen die na talloze oorlogen tot stand zijn gekomen en in een verdrag met buurlanden zijn vastgesteld
  • Hoe wordt de gemeenschap gevormd?
    De gemeenschap wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun afstamming of die op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen
  • Waaruit kan een gemeenschap bestaan?
    Een gemeenschap kan bestaan uit mensen met verschillende taal, godsdienst, cultuur en geschiedenis, die zicht met elkaar verbonden voelen.
  • De verbondenheid uit het gemeenschap uit zich in nationale symbolen zoals een vlag en een volkslied.
    Foor die onderlinge verbondenheid wordt de gemeenschap een volk of een natie
  • Op wat is het hoogst gezag van de staat gericht?
    Het hoogst gezag van de staat is gericht op het scheppen en handhaven van orde en recht
  • Alleen het hoogste gezag van de staat mag geweld gebruiken( geweldsmonopolie) om te verkomen dat burgers voor eigen rechter gaan spelen
  • Het gezag wordt ook uitgeoefent over vreemdelingen die zich als toerist, werkenemer, verkeersdeelnemer etc. op het grondgebied van de staat bevinden
  • Wat zijn de twee betekenissen waarin de staat kan worden gebruikt?
    1. het land=> dat wil zeggen het grondegebied met de bevolking van de staat.
    2. het gezag in de staat => de overheid
  • Wat zijn de twee betekenissen waarin de staat kan worden beschouwd?
    - Als een zelfstandige eenheid
    - Als een ondeelbare eenheid
  • Dat is : De staat is soeverein
  • Wat betekent de Nederlandse staat is een rechtspersoon naar burgelijke recht?
    Dat de staat net als een persoon, zelfstandig drager is van rechten en plichten en als staattsmacht kan optreden in het juridische verkeer binnen Nederland en in contact met andere staten.
  • Erkenning van een staat door andere staten wordt als vierde kenmekend element van een staat beschouwd
  • Waar zorgt de staat voor?
    De staat zorgt voor bescherming van de burgers door de landsgrenzen te verdedigen en de orde te handhaven
  • De staat= overheid
  • Hoe verdeeld de overheid haar taken?
    Door als wetegever op te treden, door de staten te besturen en door middel van rechtspraak.
  • De overheid zorgt er voor dat het algemeen belang wordt gediend. Dat kan worden omschreven als datgene wat in het belang is van de meeste burgers en van de staat als geheel
  • publieke zaak => Latijns woord daarvoor is res publica
  • Wat regelt de (oudsher) publiekrecht?
    In tegenstelling tot het hiervoor genoemde burgerlijke recht dat de juridsiche verhoudingen tussen (rechts)personen regelt
  • In wat wordt het publiekrecht in Nederland onderverdeeld?
    In het staatsrecht, het bestuursrecht en het strafrecht
  • Wat is staatsrecht?
    De manier waarop de inrichting van de staat en het optreden van de overheid zijn georganiseerd, alsmede de zo belangrijke grondrechten van burgers.
  • Wat is bestuursrecht?
    Het bestuursrecht heeft betrekking op de wijze waarop de overheid de samenleving bestuurt
  • Wat is het strafrecht?
    Het strafrecht regelt de vervolging en bestraffing van (rechts)personen
  • Wat zijn staatrechtelijke onderwerpen?
    - De totstandkoming van wetten en regelingen en de gebondenheid hieraan voor zowel de overheid als de burgers
    - de verdeling van bevoegheden binnen de staat
    - de bescherming van burgers tegen het optreden van de staat en de handhaving van individuele vrijheden van burgers.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Bestuursrecht
Regelt:
  1. De organisatie van het openbaar bestuur
  2. Het verlenen van bestuursbevoegdheden aan bestuursorganen
  3. De rechtsnormen waaraan het openbaar bestuur zich moet houden bij het uitoefenen van haar bevoegdheden
  4. Juridische bescherming voor de burger tegen het optreden van het openbaar bestuur 
Delegatie
De wetgever kan het stellen van (nadere) regels delegeren aan de regering of een minister of decentrale overheidsorganen. De (nadere) regels worden dan vastgelegd in een Algemene Maatregel van Bestuur, een ministeriële regeling of een verordening.
De Grondwet bepaalt of delegatie is toegestaan, dit is zichtbaar in de formulering. 

Wet = altijd een formele wet
bij de wet = delegatie niet toegestaan, alleen formele wetgever via wet in formele zin
regelen (wet stelt regels, regelt, kan regels stellen = delegatie wel toegestaan
krachtens de wet = delegatie wel toegestaan
bij of krachtens de wet =  het is aan de wetgever overgelaten of hij wil delegeren

89 Gw, ook zonder dat de formele wetgever zijn regelgevende bevoegdheid heeft gedelegeerd kan de regering zelfstandig Algemene Maatregelen van Bestuur vaststellen  . Overtreding van regels in een zelfstandige AMvB kan niet in diezelfe AMvB worden strafbaar gsteld
Procedure wetsvoorstel ingediend door de Tweede Kamer (initiatiefwet)
Initieatiefvoorstel
Totstandkoming wet in formele zin, ingediend door de regering
  1. Minister legt idee vast in nota, deze wordt voorgelegd aan organisaties die in praktijk met de wet te maken zullen krijgen en aan de tweede kamer om te zien hoe de Kamerleden tegenover het idee staan.
  2. Het wetsvoorstel wordt voorbereid op het ministerie
  3. De ministerraad beraadslaagt over het wetsvoorstel (oa past het in regeerakkoord?)
    Daarna naar de RvS voor advies (juridische kwaliteit) na advies KAN de minister  het advies aanpassen
  4. Het voorstel wordt met een MvT (Memorie van Toelichting) aangeboden aan de Koning die een Koninklijke Boodschap toevoegt.
  5. Wetsvoorstel wordt ingediend bij de Tweede Kamer, hier wordt het besproken in een commissie met kennis van zaken.De commissie wint advies in  en legt vragen voor aan de minister. Minister beantwoordt deze in een Memorie van antwoord en brengt evt wijzigingen aan.
  6. Samen met eindverslag gaat van de Kamercommissie gaat het voorstel naar de Tweede Kamer, waar het in een openbare behandeling wordt besproken. Kamerleden kunnen amendementen indienen en in stemming laten brengen. Minister kan het (gewijzigde) wetsvoorstel aanvaarden of intrekken (of aftreden)
  7. Na aannemen wetsvoorstel door de Tweede Kamer zendt deze het naar de eerste kamer. Deze heroverweegt en toetst de kwaliteit van het wetsontwerp. Alleen aannemen, afwijzen of novelle bij zwaarwegende bezwaren.
  8. Voorstel door Eerste Kamer aangenomen, dan naar de Koning, dese ondertekent de wet en daarna ook de mnister die het voorstel heeft ingediend en de minister van Justitie. Daarmee tot wet verheven
  9. Aankondiging in het staatsblad.
Rechten Eerste Kamer
  1. Novelle
    Bij ernstige bezwaren tegen een onderdeel van een wetsvoorstel kan de Eerste Kamer de minister met een novelle stimuleren om daarin een kleine wijziging aan te brengen. 
  2. Budgetrecht 150 Gw
  3. Vragenrecht
  4. Recht van interpellatie 16* RvO EK
  5. Recht van enquete 70 Gw
Rechten Tweede Kamer voor hun controlerende functie
  1. Het vragenrecht 68 Gw
    Kamerleden kunnen vragen stellen aan ministers of staatssecretarissen, voor korte mondeling vragen is er elke dinsdag het 'vragenuurtje'
  2. Het recht van interpellatie 68 Gw en 133 RvO TK
    Is er haast geboden dan kan een Kamerlid, na toestemming van een Kamermeerderheid, een minister of staatssecretaris oproepen en hem met een motie vragen om een uitspraak te doen. Hij is dan verplicht in de Kamer te verschijnen en stelling te nemen.
  3. Het recht van enquete, 70 Gw
    Als de Tweede Kamer een diepgaand onderzoek wenst, dan kan een parlementaire enquetecommissie van Kamerleden worden gevormd die iedereen kan ondervragen in belang van het onderzoek. Men is verplicht te verschijnen en vragen zonodig onder ede te beantwoorden.
Rechten Tweede Kamer om wetgevende taak uit te kunnen voeren
  1. Het recht van initiatief, 82 lid 3 en 86 Gw. 
    Meestal worden wetsvoorstellen ingediend door één of meer ministers, maar de Tweede Kamer kan dit ook zelf doen, dit wordt een initiatiefvoorstel genoemd. Niet aangenomen = nog in te trekken.
  2. Het recht van amedement, 84 Gw
    Het recht om een ingediend wetsvoorstel te wijzigen, dit gebeurt door de wijziging voor te leggen aan de indieners van het voorstel, hierdoor 4 mogelijkheden
    - Voorstel ongewijzigd aannemen
    - Voorstel terugsturen naar indiener met verzoek te wijzigen
    - Voorstel zelf wijzigen "
    - Voorstel verwerpen
  3. Budgetrecht 150 Gw
    Dit betreft het vaststellen of afkeuren van de rijksbegroting
    Hiermee wordt invloed uitgeoefend op het beleid, want zonder goedgekeurde begroting kunnen de ministers hun beleid niet uitvoeren.
Verloop kabinetsformatie
  1. Koning vraagt advies aan de voorzitters van de zittende Kamers en aan de nieuw gekozen fractievoorzitters en de vice-voorzitter van de Raad van State (Koning is zelf voorzitter).
  2. Koning benoemt een informateur die onderzoek doet naar de mogelijkheid een coalitie te vormen en of de coalitie tot een regeerakkoord kan komen
  3. Mogelijkheden voldoende, dan benoemt de koning een formateur (meestal de toekomstige minister-president)
  4. Informateur en formateur brengen regelmatig verslag uit aan de Koing
  5. Na formulering regeerakkoord worden de ministersposten verdeeld over de fracties
  6. Na geslaagde formatie zoeken de fracties eigen kabinetsleden.
  7. De nieuwe kabinetsleden worden bij Koninklijk Besluit benoemd.
Grondslagen democratische rechtsstaat
  1. Legaliteitsbeginsel
  2. Scheiding van overheidsmacht in een systeem van checks and balances
  3. Onafhankelijke rechtspraak
  4. Eerbiediging van grondrechten
Bronnen van het staatsrecht
  1. Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden
    Regelt de organisatie van het Koninkrijk en de onderlinge verhoudingen en samenwerking tussen Nederland en de overzeese delen van het koninkrijk
  2. Grondwet
    Regelt de inrichting en het functioneren van de Nederlandse staat en de staatsorganen en de verdeling van het staatsrecht.
  3. (Organieke) wetten en besluiten en reglementen
    Als de grondwet bepaalt dat iets (nader) geregeld moet worden in een wet in formele zijn, dan spreken we van een organieke wet, vb Provinciewet, Gemeentewet, Wet op de Raad van State, Wet op de RO)
  4. Gewoonterecht
  5. Verdragen en Europese maatregelen
    EU-Verdrag, EVRM, BUPO
  6. Jurisprudentie (ook wel rechtersrecht)