Summary Praktische Economie 2e fase vwo 4/5/6 handboek

-
ISBN-10 9034556409 ISBN-13 9789034556400
144 Flashcards & Notes
39 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Praktische Economie 2e fase vwo 4/5/6 handboek". The author(s) of the book is/are J Hinloopen, P Adriaansen, A Zuiderwijk A Zuiderwijk, J Hinloopen Bureau Sproet Ivonne Hermens Yde Bouma Ad Snelderwaard. The ISBN of the book is 9789034556400 or 9034556409. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Praktische Economie 2e fase vwo 4/5/6 handboek

  • 1 Module 1 - Schaarste, geld en handel

  • Wat is schaarste?

    Als er meer vraag is naar een product dan er werkelijk is

  • a. Maak een vergelijking van de budgetlijn.

    b. teken de budgetlijn.

     

    Budget:  60 euro

    prijs dvd: 10 euro

    prijs consumptie: 2 euro

     

    60=10x + 2y

     

    *Budgetlijn staat bij bestanden.

  • 2.1 Wanneer wil je ruilen?

     

    Achmed wil boeken ruilen tegen cd's

    max. 4 boek tegen 1 cd

     

    Jasmijn wil cd's ruilen tegen boeken

    1 cd tegen min. 3 boeken

     

    -onderhandelen-

     

    ruilverhouding is 3 boeken tegen 1 cd

     

    nu hebben Achmed en Jasmijn allebei korting

  • 1.1 Voor niks gaat de zon op

  • Economie gaat in essentie over het maken van keuzes. De behoeften van mensen zijn onbegrensd, maar hun middelen zijn beperkt. Door dit spanningsveld tussen beperkte middelen en onbegrensde behoeften ontstaat schaarste. Schaarste maakt het maken van keuzes noodzakelijk.

     

    Met de meeste middelen kunnen verschillende behoeften worden bevredigd. Met andere woorden : middelen zijn alternatief afwendbaar. Dit geldt natuurlijk vooral voor het middel geld, omdat met dit middel alle andere middelen gekocht kunnen worden. De alternatieve afwendbaarheid van middelen in combinatie met onbegrensde behoeften, dwingt je tot het maken van keuzes. 

     

    Aan alle aanwendingsrichtingen zijn kosten en baten verbonden. Om te bepalen hoe je een middel het beste kunt inzetten, moet je kosten en baten van verschillende  aanwendingsrichtingen vergelijken. De netto baten van een aanwendingsrichting zijn gelijk aan het saldo van opbrengsten en kosten, waarbij ook de opofferingskosten, de netto opbrengst van de best denkbare alternatieve aanwending, als kosten worden meegenomen.

    Het budget (ofwel de bestedingsruimte) beperkt de keuzes die je kunt maken. De budgetlijn geeft een overzicht van alle mogelijke productcombinaties die je kunt aanschaffen met het beschikbare budget. De vergelijking van de budgetlijn heeft de volgende vorm: B = p1q1 + p2q2

     

    De budgetlijn geeft aan hoeveel eenheden van het ene product je moet opofferen om een eenheid van het andere product te krijgen. Je spreekt dan van opofferingskosten.

    Bij een toename van het budget verschuift de budgetlijn weg van de oorsprong. Bij een verandering van de prijs van een van de producten verandert de ruilverhouding tussen de producten, en dus de richtingscoëfficiënt.

     

     

  • Vaste lasten; betaal je meestal 1 keer per maand of per jaar.
    Incidentele uitgaven doe je zelden bv aankoop van een scooter
    Dagelijkse uitgaven komen zeer vaak voor.

    EEn BEGROTING vergelijkt de toekomstige verwachte inkomsten met de verwachte uitgaven.
    Als de inkomsten hoger zijn dan de uitgaven, is sparen mogelijk.

  • Productiefacoren; Alles wat bedrijven en de overheid gebruiken om goederen te produceren.

    Productiefactoren;
    Natuur; levert bv lucht ,aardolie en grondwater
    Arbeid; wordt geleverd door werknemers in de bedrijven en bij de overheid
    Kapitaalgoederen: zijn goederen die bij de productie nodig zijn zoals machines en gereedschap.
    Goederen zijn alleen kapitaalgoederen als ze bij bedrijven en de overheid ingezet worden voor de productie.

    Een heggenschaar is wel een kapitaalgoed bij een hovenier maar bij de buurman die de heg snoeit niet.

    Ondernemerschap; is de eigenaar van een bedrijf die de productiefactoren combineert om goederen te kunnen produceren.

    Schaars goed; Er zijn productiefactoren nodig.

    Bijna alle goederen zijn schaars, omdat bijna altijd productiefactoren ingezet moeten worden om het goed te verkrijgen.

    vb drinkwater zijn zuiveringsinstallaties nodig.

    auto produceren zijn staal,rubber en glas nodig.
    Omdat het verkrijgen van schaarse goederen de inzet van productiefactoren vraagt,is er ook de noodzaak om te kiezen. Want de productiefactoren kunnen ook voor andere doelen gebruikt worden.

    Schaarste dwingt dus tot het maken van keuzes.

    VRIJ goed; er zijn geen productiefactoren voor nodig

    Mensen hebben behoeften.

    Schaarse goederen;
    een mooie scooter, goede muziek, en lekkere tomaten

    Om in de behoeften aan schaarse goederen te kunnen voorzien zijn middelen nodig.

    bv. een inkomen om een scooter te kopen of een moestuin om tomaten te telen.
    De behoefte aan schaarse goederen is altijd groter dan de middelen.

    Twee mogelijkheden om in je behoeften te voorzien;
    - Je maakt zelf producten vb eigen brood maken ( ZELFVOORZIENING)
    - Je koopt goederen en diensten

    Een goed is een tastbaar product bv brood.
    Een dienst is niet tastbaar bv bioscoopvoorstelling

    Consument; Het kopen van goederen en diensten

    Een consument consumeert, hij koopt Consumptiegoederen.
    Consumptiegoederen zijn niet bedoeld om er in een bedrijf andere goederen mee te produceren. Goederen die in een bedrijf gebruikt worden bij de productie zijn Kapitaalgoederen.




  • Productiefactoren?
    natuur
    arbeid
    kapitaal
    ondernemerschap
  • 1.1.1 Kiezen is kostbaar

  • Wat zijn behoeften?

    Wensen, dingen die mensen willen of nodig hebben.

  • Wat zijn middelen?

    Ieder product waar een behoeft mee word bevredigd.

  • Wat is schaarste?

    Middelen zijn beperkt beschikbaar in verhouding tot de onbegrensde behoeften.

  • Wat is alternatief aanwendbaar?

    Middelen kun je ook gebruiken voor het bevredigen van andere behoeften.

  • Wat is opbrengsten/baten?

    Hetgene wat het gebruik van een middel oplevert.

  • Wat zijn kosten?

    Wat je verliest bij het gebruik van een middel.

  • 1.2 De verschijningsvormen van geld

  • Aan welke 4 technische vereisten moet geld voldoen?

    • deelbaar
    • handzaam
    • duurzaam (in materiële zin)
    • niet na te maken
  • Wat is fiduciair geld?

    Geld dat zijn waarde ontleent aan het vertrouwen dat mensen erin hebben.

  • Wat is chartaal geld?

    De euromunten en -biljetten in je portemonnee.

  • Wat is giraal geld?

    Het tegoed op de bankrekening van gezinnen en bedrijven.

  • Hoe kun je het vertrouwen in giraal geld waarborgen?

    Door te zorgen dat het direct kan worden omgezet in chartaal geld.

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

rendement
extra winst, daardoor investering
basisinnovatie
belangrijke innovatie die andere innovaties mogelijk maken
innovatie
vernieuwing van producten 
reele rente
nominale rente gecorrigeerd door de inflatie
inflatie
gemiddelde stijging van prijzen in een land
nominale rente
rente wat de bank vraagt of geeft
menselijk kapitaal
kwaliteit van de productiefactor arbeid
rente
kosten van geldlening
redenen niet vrij stijgen en dalen van lonen 
1. lonen liggen vast op het cao en 2. minimumloon
vraagoverschot
veel vraag naar arbeid, hogere lonen door cao