Summary Praktische economie

-
ISBN-13 9789034598017
289 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Praktische economie". The author(s) of the book is/are Peter Adriaansen Dr Aad Zuidewijk. The ISBN of the book is 9789034598017. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Praktische economie

  • 2.1.1 De vraag naar goederen

  • De vraaglijn laat bij elke prijs zien hoeveel mensen een product willen kopen.
    Het aantal stuks bij een bepaalde prijs noemen we de gevraagde hoeveelheid.

    Een vraaglijn kan je maken bij iedere goed en dienst. De vraaglijn geeft bij iedere prijs aan hoeveel stuks de consumenten bij die prijs willen kopen.

    Voor elke vraaglijn geldt: daalt de prijs, willen meer mensen het kopen en stijgt de gevraagde hoeveelheid. Daarom is een vraaglijn een dalende lijn, dit kan je zien door het minteken die altijd in de vergelijking wordt gegeven.
    Voorbeeld: Qv = -100P + 24.000

    P(-100) geeft aan hoeveel kaartjes er minder gevraagd worden als de prijs met € 1 stijgt. Bij deze vraaglijn daalt de gevraagde hoeveelheid met 100 stuks als de prijs met € 1 stijgt.
  • 1. Vul in de vergelijking Qv = -100P + 24.000 een prijs van €20 in en laat zien dat bij deze prijs een gevraagde hoeveelheid van 22.000 kaartjes hoort.
    b. Bewijs met de vergelijking van de vraaglijn dat bij een prijs van €80 16.000 kaartjes worden verkocht.
    c. Stel: de organisatie van het concert rekent de hoogste prijs waarbij de Ziggo Dome nog net uitverkocht is.  Alle plaatsen hebben dezelfde prijs. Welke prijs moet de organisatie dan vragen?
    d. Hoe kun je uit de intro afleiden dat de prijs van een kaartje bij de gegeven vraaglijn onder de uitkomst van vraag 1c lag?
    Qv = -100P + 24.000
    (-100 x 20)= -2000 +24.000 = 22.000


    b. -100x80 = -8.000 + 24.000 = 16.000


    c. -100x70 = -7000 + 24.000 = 17.000


    d. In de vraaglijn zie je bij 16.000 plaatsen een prijs van €40, dit is een dalende lijn dus bij 17.000 is het nog lager dan €40. Deze uitkomst is dus lager dan die bij vraag 1c.
  • 2. Bakker Verdiest is een bakker in een dorp. De vraag naar brood bij bakker Verdiest:
    Qv = -200P + 800
    Qv = gevraagde hoeveelheid brood per dag
    P = prijs per brood in euro´s

    a. Bereken de gevraagde hoeveelheid brood bij een prijs van €2 per brood.
    b. Bereken de gevraagde hoeveelheid brood bij een prijs van €1 per brood.
    c. Je hebt nu twee punten van de vraaglijn, waardoor je de lijn kunt tekenen, maar het is voor een nauwkeurige tekening ook goed om ´eindpunten´ van de vraaglijn op de horizontale en verticale as te berekenen. Stel P = 0. Wat is de gevraagde hoeveelheid bij deze prijs?
    d. Stel Qv = 0. Bewijs dat bij deze gevraagde hoeveelheid een prijs van P = 4 hoort.
    e. Je hebt nu met vraag 2a tot en met 2d vier punten van de vraaglijn. Zet Qv op de horizontale as tot Qv = 1.000. Zet P op de verticale as tot P = 5.
    A. -200x2 = -400 + 800 = 400 stuks

    b. -200x1 = -200 + 800 = 600 stuks
    c. -200x0 = 0 + 800 = 800 stuks
    d. -200x4 = -800 + 800 += 0 stuks

    e: Wat moet der hier doen leg uit Imran 
  • 3. Bekijk de vraaglijn van bron 2. Welke functie hoort bij deze vraaglijn?
    A. Qv = -0.25P + 275
    B. Qv = -0.25P + 162,5
    C. Qv = -4P + 275
    D. Qv = -4P + 350
    D: -4px50(-200) +350= 150
        -4 px20(-80)  +350=  270 
    de D is goede antwoord.
  • 2.1.1.1 Een verandering langs de vraaglijn

  • Als de prijs van een kaartje voor het pretpark in 2013 verhoogd wordt van €25 naar €26,50, zal de gevraagde hoeveelheid op de vraaglijn in bron 3 dalen van 400.000 kaartjes naar 340.000 kaartjes per jaar.

    Een prijsverandering van het product heeft een verandering langs de vraaglijn tot gevolg. De ligging van de lijn verandert niet, wel de gevraagde hoeveelheid, het punt op de vraaglijn.
  • 4. Bekijk bron 3 en bron 4.
    a. Hoeveel procent is de gemiddelde prijs van een pretparkkaartje gestegen?
    b. Hoeveel procent is het aantal gevraagde kaartjes gedaald als gevolg van de prijsverhoging?
    c. Een merk heeft relatief trouwe klanten als de gevraagde hoeveelheid procentueel minder daalt dan de prijs in procenten stijgt. Hebben pretparken in 2013 trouwe klanten? Verklaar je antwoord.
    d. Waarom blijven in 2013 veel bezoekers weg na een prijsverhoging van de kaartjes?
    a. 26,50 - 25 = 1,50
    1,5: oud = 1,50 : 25 = 0,06 x 100% = 6%

    b. 400.000 - 340.000 = 60.000
    60.000: 400.000 = 0.15 x 100% = 15%

    c. Nee, ze hebben in 2013 geen trouwe klanten, omdat na de prijsverhoging de vraag naar kaartjes 15% is gedaald. Dit is hoger dan de 6% van de prijsstijging is toegenomen.

    d. Omdat de nieuwe prijs voor sommige gezinnen haast onbetaalbaar is, waar ook nog de economische crisis op komt.
  • 5. Bekijk in bron 5 de twee vraaglijnen naar snoepjes van bedrijf A en B. Welk bedrijf heeft de trouwste klanten? Verklaar je keuze.
    Bedrijf A heeft de meest trouwe klanten. Dit kan je zien door een streep vanaf de hoogste prijs, in dit voorbeeld €2, tot waar die de vraaglijn raakt. Vanaf hier een streep naar beneden trekken en kan je zien welke van de twee de meeste vraag naar hun product heeft.
  • 2.1.1.1.1 Een verandering van de vraaglijn

  • Het is ook mogelijk dat de vraaglijn zelf verschuift. Als bijvoorbeeld het inkomen van de Nederlanders stijgt, zal de vraaglijn van kaartjes voor pretparken waarschijnlijk naar rechts verschuiven, want mensen hebben meer geld om te besteden. Ze kunnen dus meer goederen en diensten kopen.

    En een aantal consumenten zal ipv. een goedkoper uitje, zoals bioscoop, eerder kiezen voor een uitstapje naar een pretpark. Bij de zelfde prijs ( in dit geval €26,50) zullen er meer kaartjes gevraagd worden. Er is hier sprake van een verandering van de vraaglijn.

    Oorzaken van een verschuiving van de vraaglijn:
    - inkomen van de consumenten daalt of stijgt;
    - de smaak van de consumenten verandert;
    - het aantal consumenten daalt of stijgt;
    - de prijs van een concurrent daalt of stijgt, bijvoorbeeld de toegangsprijs van de dierentuin.
  • 6. Bekijk bron 6. In welke richting verschuift de vraaglijn van pretparkkaartjes als:
    a. Het inkomen van de consumenten daalt;
    b. De smaak van consumenten verandert ten gunste van museumbezoek;
    c. Het aantal consumenten stijgt;
    d. Kaartjes voor een pretpark goedkoper worden;
    e. De toegangsprijs voor de dierentuin daalt.

    Verklaar bij a tot en met e je antwoord.
    a. Links

    b. Links
    c. Rechts.
    d. Rechts.
    e. Links.
  • 7. De koopkracht geeft aan hoeveel goederen en diensten de consument kan kopen. Welke consument heeft de hoogste koopkracht? Verklaar je keuze.
    Consument A verdient €40.000 en woont in provincie A waar de goederen gemiddeld €20 kosten.
    Consument B verdient €44.000 en woont in provincie B waar de goederen gemiddeld €21 kosten.
    A. €40.000:20 = 2000 spullen kopen

    B. €44.000:21 = 2095 spullen kopen

    Persoon B heeft dus een hogere koopkracht.
  • 8. Bekijk de verandering van de vraag in bron 7. Dit kan het gevolg zijn van:
    a. Een hogere koopkracht bij de bevolking.
    b. Een prijsstijging van de Citroen C5.
    c. Een daling van het aantal inwoners in Nederland.
    d. Het verdwijnen van andere automerken.
    A = nee

    b = ja
    c = ja
    d = nee
  • 9. Bedenk twee andere oorzaken voor het verschuiven van de vraaglijn van de Citroen C5.
    1. De smaak van de consumenten verandert.

    2. prijs van concurrent daalt.
  • 10. Stel: de gemiddelde prijs van scooters stijgt van €1.800 naar €2.200.
    a. Is het gevolg van deze prijsstijging een verschuiving van of langs de vraaglijn van scooters? Verklaar je antwoord.
    b. De prijsstijging van scooters heeft ook invloed op de vraag naar andere goederen. In welke richting verschuift de vraaglijn van benzine als gevolg van de prijsstijging van scooters? Verklaar je antwoord.
    c. In welke richting verschuift de vraaglijn van fietsen als gevolg van de prijsstijging van scooters? Verklaar je antwoord.
    A. Hier is sprake van een verschuiving van de vraaglijn, omdat door de prijsstijging weinig gevraagd wordt.omdat de daling vande vraag hier niet gegeven is.

    b. Naar links, omdat minder mensen de scooter willen kopen waardoor ook minder mensen benzine nodig hebben, dus de vraag naar benzine wordt ook minder.

    c. Naar rechts, want mensen kopen dan een goedkoper alternatief dat hun van A naar B brengt.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

11. Lees bron 4.a. In hoeverre klopt de inhoud van deze bron niet met de uitleg van de leertekst?b. In hoeverre klopt de inhoud van deze bron wel met de uitleg van de leertekst?
A. In de tekst staat dat het niet kan dat heel Europa tegelijk een laagconjunctuur heeft.

b. Als een land een laagconjunctuur heeft, dan gaat de ECB de rente omlaag gooien.
10. Stel: Portugal heeft een laagconjunctuur, Nederland een hoogconjunctuur, zoals in het voorbeeld van de leertekst.a. Waarom moet de ECB de rente verlagen om Portugal te helpen?b. Waarom is dit slecht voor de economie in Nederland?
A. Want hierdoor gaan meer portugezen geld lenen en meer spullen kopen waardoor het in portugal weer een hoogconjunctuur wordt.

b. Want als de rente op lenen in een land het hoogconjunctuur wordt verlaagt, dan wordt de inflatie nog groter en uiteindelijk te groot.
9. De ECB wil geen conjunctuurbeleid voeren. Waarom niet?
Want zij bepalen over alle eurolanden. Als ze een conjunctuurbeleid invoeren, is dat voor het ene land in een hoogconjunctuur ongunstig en voor het andere land in een laagconjunctuur gunstig. Ze moeten iedereen gelijk behandelen en dus kunnen ze geen conjunctuurbeleid invoeren.
8. De ECB zou de conjunctuur kunnen stimuleren met een renteverlaging. In welke situatie hebben zij daar het minste zin in? Verklaar je keuze.A als er veel inflatie in Europa isB als er weinig inflatie in Europa is.
A, want door een renteverlaging lenen mensen nog meer geld en kopen nog meer spullen waardoor de inflatie nog groter wordt, terwijl de taak van de ECB is om de inflatie laag te houden.
7. Bekijk bron 3. De ECB kan de conjunctuur stimuleren met een renteverlaging. Zet de stappen die daarvoor nodig zijn in de juiste volgorde. Begin met E.A consumenten en bedrijven kopen meer goederen met geleend geld.B de banken in Europa verlagen hun rente.C consumenten en bedrijven kunnen goedkoper geld lenen.D de vraag naar goederen stijgt.E de ECB verlaagt de rente.F de laagconjunctuur verandert in een hoogconjunctuur.
E - B - C - A - D - F
6a. Ee overheid kan extra uitgaven behalen met een belastingverhoging of met geleend geld. Waarom konden Bush en Obama hun plannen niet betalen met een belastingverhoging?b. Critici vonden de plannen van Bush en Obama slecht, omdat ze de lasten voor toekomstige generaties Amerikanen verhogen. Leg hun kritiek uit.
A.  als ze een belastingverhoging deden, dan had de bevolking nog minder geld om te besteden. Hun plan was juist om de Amerikanen meer te laten besteden.

b. Als de overheid geld leent voor extra uitgaven, moet dat geleende geld later weer terugbetaald worden. De toekomstige inwoners moeten de overheid dan meer belasting betalen zodat ze genoeg geld krijgen om die schulden terug te betalen.
5. Lees bron 2. In welke conjuncturele fase bevond de Amerikaanse economie zich in:a. 2000b. 2008c. 2010  Verklaar je keuzes.
A. Opleving, want de economie steeg super.
b. Neergang, Amerikanen kregen geld, dus de economie moest gestimuleerd worden.
c. Herstel
4. In welke fase van de conjunctuurgolf vond Paul werk? Verklaar je antwoord.
Neergang/recessie, want je merkte dat er een krapte op de arbeidmarkt was.
3a. Welke cijfers horen op plaats A, B en C in de tabel?b. Bij de verschillende fasen van een conjunctuur horen namen: crisis, herstel, neergang, opleving, overspanning, recessie. In welke fase van de conjunctuurgolf bevindt Bovanië zich in de periode 2011-2017? Geef bij ieder jaar een bijpassende fase.
A. Gedaan

B. 2011: opleving
2012: overspanning
2013: crisis
2014: neergang 
2015: recessie
2016: neergang
2017:  herstel
2. In Bovanië, een fictief land, gelden onderstaande cijfers over de bezettingsgraad van de productiecapaciteit. Welke kolom geeft de bezettingsgraad van de productiecapaciteit?
Kolom B