Summary Professioneel werken voor maatschappelijke Zorg

-
ISBN-13 9789037244083
142 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Professioneel werken voor maatschappelijke Zorg". The author(s) of the book is/are B Becker, M Beers, J Bolt, W den Brok, B Brouwer, S van Brouwershaven, T Cremers, P van Deijl, S Groeneveld, A van Haaren, HansSo Educatie, T Hilhorst, N de Kroon, S van Mameren, A Martin, J Noordzij, C van Oost, H Penterman, E van Rijbroek, K Stolk Haar, M Velthoen. The ISBN of the book is 9789037244083. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Professioneel werken voor maatschappelijke Zorg

  • 1.1 De begrippen anatomie en fysiologie

  • Anatomie
    Open snijden. 

    De leer van organen en andere inwendige lichaamsdelen en de manier waarop die met elkaar zijn verbonden.    

    Sectie: open snijden om de doodsoorzaak vast te stellen. Dat wordt gedaan door een specialist: Patholoog-anatoom
  • Fysiologie
    De wetenschap die ich bezighoudt met de werking van levende onderdelen (organismen) van het lichaam. 

    Onderverdeeld in (5) deelgebieden:

    1. Celfysiologie: de werking van cellen
    2. Bewegingsfysiologie: spieren en bewegen
    3. neurofysiologie: de werking van het zenuwstelsel
    4. zintuigfysiologie: de werking van zintuigen
    5. endocrinologie: de werking van het hormoonstelsel
        
  • 1.2 De cel

  • Cel
    Kleinste levende deeltje van de mens. Er zijn kleinere deeltjes, maar die zijn niet levend.

    Leven begint met twee cellen: zaadcel die eicel bevrucht. Cellen vermenigvuldigen zich door zich in tweeen te delen. Loop van het leven sterven cellen af en vervangen door nieuwe cellen. Naar mate mensen ouder worden, worden afgestorven cellen minder vaak vervangen (verouderingsproces)

    Cel opbouw:
    1. Celplasma
    2. Celkern
    3. Kernlichaampje
    4. Kernplasma     


    Cel van buiten naar binnen:
    1. Celmembraan (buitenkant dun vliesje)
    2. Protoplasma (dikke vloeistof)
    3. Kern met kernmembraan (in de vloeistof drijft nog een bolletje)
    4. Kernplasma (Vliesje met vloeistof)
    5. Kernlichaampjes (in het vliesje met vloeistof drijven de belangrijkste onderdelen van een cel - bevatten info waarmee een cel door zichzelf te vermenigvuldigen, kan uitgroeien tot een bepaald lichaamsdeel - bevatten veel erfelijke info  en info die bepaalt tot welk geslacht een lichaam uitgroeit)
  • 1.3 Het skelet en de spieren

  • Skelet
    Opgebouwd uit 200 botten. Botten bestaan uit cellen. 

    Functie skelet:
    1. Geeft stevigheid aan het lichaam
    2. Beschermt kwtsbare organen
    3. Maakt bloedcellen aan in het beenmerg'
    4. Maakt beweging mogelijk samen met de spieren   
  • Spieren
    Spieren bestaan uit spierweefsel:

    1. Willekeurige spieren (optillen van iets zwaars)
    2. Onwillekeurige spieren (spieren tijdens de ademhaling)


    Functie van spieren:

    • Geven stevigheid
    • Maken bewegingen mogelijk
    • Bieden bescherming voor lichaamsdelen
    • verzorgen transport van voedsel en vocht
  • Biceps
    Buigspieren

    Zorgen ervoor dat je je armen, benen en vingers kunt buigen
  • Triceps
    Strekspieren

    Na een buiging gaan ze weer terug naar hun oorspronkelijke stand
  • Peristaltiek
    Samentrekken en ontspannen van spieren om het voedsel door de darm te duwen. (transport - reis door spijsverteringsstelsel)
  • 1.4 De bloedsomloop


  • Bloedsomloop
    Bloedsomloop hoort samen met de ademhaling tot de vitale stelsels. maw, wanneer er problemen zijn, dan kan dit levensbedreigend zijn. 

    Bestaat uit: 

    • bloed
    • hart
    • bloedvaten
    • lymfatisch stelsel   

    Bloedsomloop kent een heen en terugweg naar het hart. Onderweg allerlei stoffen uitgewisseld. Voedingsstoffen naar organen, afvalstoffen met bloed mee terug en afgeleverd bij nier/lever om het lichaam te verlaten.
  • Bloed
    Bestaat uit: 
    • bloedplasma
    • bloedcellen (worden ook bloedlichaampjes genoemd)
      1. rode 
      2. witte 
      3. bloedplaatjes


    • Rode bloedcellen
      aangemaakt en afgebroken door het beenmerg (platte botten zoals borstbeen en bekken) Bevatten een stof die voor transport van zuurstof door het lichaam van belang is: Hemoglobine - Hb.
      Bij het afbreken van rode bloedcellen komt ijzer vrij - dat wordt opgeslagen. Bilirubine komt vrij. 

      Bilirubine: geelachtige galkleurstof die door de lever naar de gal wordt getransporteerd. Verderop in het spijsverteringskanaal wordt de galkleurstof bruin - die kleurt de ontlasting. 

    • Witte bloedcellen
      spelen een belangrijke rol bij afweer tegen schadelijke bacteriën en virussen. Vormen antistoffen tegen schadelijke stoffen. Witte bloedcellen vermeerderen wanneer er ergens in het lichaam schadelijke stoffen actief zijn. 

    • Bloedplaatjes
      Belangrijk voor de bloedstolling. Bij uitwendige verwondingen neemt t lichaam maatregelen de bloeding te stoppen (ook bij inwendige kleinere bloedingen). Wanneer de bloeding stopt, onstaat in de wond een stolsel. Stolsel vergroeit tto een korst (bij huidwond) een wond geneest. 
  • Bloedplasma
    Bestaat uit 90% water en allerlei soorten voedingsstoffen voor organen:
    • Glucose
    • veturen
    • vitaminen
    • hormonen

    Op de terugweg afvalstoffen (Ureum en andere zuren) in het plasma. 

    Bloedplasma bestaat gedeeltelijk uit plasma-eiwitten 
    Die verzorgen de uitwisseling van stoffen, spelen belangrijke rol bij bloedstolling en bij afweerfunctie tegen ziektes.  
  • Hart
    Hart is de motor van het lichaam. Het hart is een pomp die een mensenlevenlang doorpomt - laat zo een 5 liter bloed circuleren. 

    Bestaat uit 2 helften:
    Linker en een rechter helft. Elke helft heeft 2 holle ruimtes (bovenste ruimte: boezem, de onderste kamer.
  • Hartkleppen
    functie: zorgen dat het bloed terugstroom en zo de circulatie verstoort.
  • (slag)aders
    Aders en slagaders het hart in en uit. Sturen het bloed van het hart door het lichaam en weer terug.
  • Bloedcirculatie
    • Kleine bloedsomloop
      Zuurstofarm bloed via de rechterboezem en de longslagader van het hart naar de longen. Daar komt zuurstof inhet bloed. Dan gaat suurstofrijke bloed via 4 longaders terug naar de linkerboezem van het hart. 

    • Grote bloedsomloop
      Stuurt vervolgens zuurstofrijke bloed via de linkerkamer en de aorta door naar de rest van het lichaam. Diverse organen en andere lichaamsdelen halen onderweg de zuurstof en andere voedingstoffen uit het bloed. Zuurstofarme bloed gaat via de aders terug naar de rechterkamer van het hart - dan begint de circulatie opnieuw. hart pompt zuurstofarme bloed van uit de rechterkamer via de rechterboezem naar de longen. 
  • Bloedvaten
    Transport van bloed door het lichaam gebeurt via stelsel van bloedvaten. Deze vertakken zich: hoe verder van het hart verwijderd, hoe kleiner de vaten. 

    Soorten bloedvaten:
    1. Slagaders
    2. aders
    3. Haarvaten   
  • Slagaders (arteriën)
    Bloedvaten die het bloed van af het hart af transporteren. Hart pompt met kracht - daarom hebben slagaders een dikke wand. Wand is elastisch en maakt samentrekkenende bewegingen om bloed beter te laten stromen. (Dit kun je voelen, onder andere bij de pols en in de hals).

    Grootste slagader: aorta - loopt direct van het hart, in het midden van het lichaam naar beneden. Onderweg vertakt de aorta zich in kleine slagaders naar armen, benen en organen.
  • Aders (venen)
    Vaten  waardoor het bloed terug naar het hart stroomt. Gebeurt met minder kracht dan de slagaders. Wanden van aders zijn dunner. Bevatten kleppen om te voorkomen dat het bloed terugstroomt. 

    Wanden van aders maken geen samentrekkende beweging - kunt aders niet voelen kloppen.
  • Haarvaten (capilairen)
    Zijn de kleinste vertakkingen van slagaders en aders. Hebben een dunne wand, hebben geen kleppen en kloppen niet. Wanneer je de richting van de bloedsomloop volgt, vertakken de slagaders zich van het het hart en steeds kleiner tot uiteindelijk veel haarvaten.

    Na de uitwisseling van stoffen stroomt het bloed terug naar het hart. Dit gebeurt in een stelsel van haarvaten van slagaders die aansluiten op de haarvaten van aders. Vervolgens gaan de haarvaten over in aders die tot hethart steeds dikker worden.
  • Lymfatisch stelsel
    Speelt een grote rol bij  afweersysteem en het onschadelijk maken van ziekteverwekkers. 

    Lymfatisch stelsel is een stelsel van vaten dat over het hele lichaam verspreid is. Lymfevaten transporteren lymfevocht, ook voor weefselvocht. 

    Samenstelling van lymfevocht lijkt op plasma in het bloed -  wordt tot de bloemdsomloop gerekend, omdat op veel plaatsen in het lichaam lymfevaten contact maken met bloedvaten. 

    Lymfevaten zijn kleiner dan bloedvaten. Grotere lymevaten komen op verschillende plaatsen bij elkaar en vormen lymfeknopen (lymfeklieren). Hals, buikholte en liezen en de oksels - lymfeklieren zijn filters; halen schadelijke, ziekteverwekkende stoffen uit het lymfevocht en maken ze onschadelijk.
  • Milt
    Belangrijk onderdeel van de bloedsomloop en het lymfatisch stelsel. Orgaan zit links onderaan de borstkas, in het midden van het lichaam achter de maag. 

    De milt beïnvloeden allerlei chemische processen de samenstelling van het bloed en het lymfevocht.

    Milt is een bloedreservoir - bij grote inspanning kan de milt als een spons samenknijpen en extra bloed afgeven - veroorzaakt 'steken in de zij' bij hardlopen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.