Summary Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

-
ISBN-10 9059312503 ISBN-13 9789059312500
282 Flashcards & Notes
18 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg". The author(s) of the book is/are F Luteijn. The ISBN of the book is 9789059312500 or 9059312503. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

  • 1 hoofdstuk 1

  • welke vijf basisvragen zijn er?
    onderkenning
    verklaring
    predicite
    indicatie
    evaluatie
  • - waaruit bestaat de onderkenningsfase?
    - inventarisatie en beschrijving klachten
    - ordening en categorisatie in disfunctionele gedragsclusters of stoornissen,
    - inschatting van de ernst van het probleemgedrag
  • wat bevat de verklaringfase?
    - het (deel)probleem,
    - condities die het optreden van het probleem verklaren,
    - de relatie tussen 1 en 2 in termen van omdat en doordat
  • welke principes bevat de strategie van de indicatiefase?
    het clientperspectief wordt geexploreerd
    - de diagnosticus verstrekt de client met behandelmethode
    - voorkeuren van de client worden bekeken en vergeleken met die van de behandeleer en er wordt gekeken wat de beste optie is
    - de client kiest een behandelaar en behandeling uit eental mogelijkheden
  • welke elementen bevat de indicatiefase?
    1 kennis over behandelingen en behandelaars
    2kennis voer het relatieve nut van behandelingen
    3 kennis over de aanvaarding van de indicatie door de client
  • welke verklaringen zijn er van probleemgedrag?
    1 de locus, ingedeeld worden op basis van de persoon zelf of de situatie
    2 de aard van de controle, door condities bepaald of door reden
    3 er zijn synschrone en diachrone condities te onderscheiden, synchrone vallen in de tijd samen, diachrone gaan eraan vooraf
    4 verschil tussen inducerende condities (doen het probleem ontstaan) en continuerende condities( houden het probleem in stand)
  • evaluatiefase
    wordt vastgesteld of in de therapie rekening is gehouden met het behandelvoorstel en de diagnose en of de behandeling de gewenste verandering bewerkstelligd heeft.
  • de diagnostische cyclus bevat: observatie, inductie, deductie, toetsing en evaluatie
    - observatie is het verzamelen en groeperen van empirisch materiaal
    - inductie bevat de formulering van theorie en hypothesen van gedrag
    - deductie het afleiden van de hypothesen zodat er een toetsbare voorspelling geformuleerd kan worden
    - toetsing; met nieuw materiaal kijken of de voorspelling juist zij --> evaluatie
  • aanmelding
    stap 1 analyse van aanvraag: analyse van referentiekader verwijzer, wie is dit welke studie.
    leid ook tot kennis over relatie verwijzer en cleient
    de feitelijke en eigenlijke verwijer worden onderscheiden
    stp 2 de analyse leid vervolgens tot kennis over type en inhoud van de aanvraag. meestal wil de verwijer verduidelijking. de verwijzer stelt meestal een duidelijke vraag.
    in ambulante setting is de vraag specifiek
    in resenditentiele setting is de vraag complex
    de analyse van de hulpvraag omdat de exploiratie van de belevingswereld van de client.
    -de houding van client wordt onderzocht
    - inhoud probleem wordt bepaald
    - hulpvraag wordt daarna onderverdeeld in de vijf hulpvragen
    - er wordt doorgevraagd naar de klachten, hoe ontstaan en hoe verder ontwikkeld?
    - wie kan het beste helpen en wat moet het gewenste resultaat zijn
  • reflectie van de diagnosticus
    hierin heft hij gewichten aan de informatie
    ook kan hij in dit stadium eigen nieuwe vragen stellen
    diagnostische scenarie
    hier ordent de diagnosticus alle vragen van de aanvragen en client uit de aanmeldfase samen met zijn eigen vragen en stelt hij een voorlopige theorie op. nu kan men ook kijken wat men als onderkenningsvraag rangschikt en wat men wil onderzoeken als verklaring.
    alle vragen hoeven echter niet elk diagnostisch scenario ter sprake te komen.
    het diagnostisch onderzoek
    1 hypothesevorming: zo formuleren dat er concrete verifieerbare voorspellingen uit af te leiden zijn
    -hypothesen in het kader van de onderkenningsvraag gaan over aanwwezigheid van psychopathologie of over een differentiaaldiagnose
    -hypothesen in eht kader van de verklaringsvraag verisen een lijst verklaringsfactoren en hun inducerende of continuerende rol
    - predictieve hypothesen steunen op empirische kennis over succesvolle precitoren uite verschillende referentiekaders.
    - hypothesen in het kader van indicatievraag zijn veronderstelling voer welke behandeling en welke therapeut het beste passen bij de client met een bepaald probleem.
    2. keuze van onderzoeksmiddeln
    wordt bepaald door aard van de vraag, psychometrische kwaliteit van instrumenten, efficienceoverwegingen en afnameduur
    3. formulering van toetsbare voorspellingen
    in deze fase worden er criteria vastgesteld
    4. afname en scoring
    levert kwalitatieve en kwantitatieve informatie deze woren geinterpreteerd door middel van normtabellen
    5 argumentatie
    uitkomsten en terugkoppeling naar hypothesen en voorspellingen. diagnosticus houd rekening met psychometrische kwaliteit van test en geeft de resultaten alvolgens gewicht. als laatst probeert de diagnosticus tot een algheel beeld te komen.
    6 verslag
    bevat resultaten diagnostische onderzoek en is opgebouwd volgende de 5 stappen van het diagnostisch proces
  • diagnostische proces begint met een doorverwijzing van de client naar de diagnosticus.
    dan wordt de hulpvraag van client en de aanvraag van de verwijzer geannalyseerd.

  • vijf basisvragen van clienten of verwijzers:
    1. onderkenning: wat zijn de problemen, wat lukt er nog en wat gaat er mis?
    2. verklaring: waarom zijn er bepaalde problemen en waarom blijven ze?
    3. predicitie hoe gaan de problemen van de client zich in de toekomst verder ontwikkelen
    4. indicatie: hoe kunnen de problemen verholpen worden
    5. evaluatie: zijn de problemen afdoende verholpen als gebolg van de interventie
  • de onderkenningsfase bevat een:
    - inventarisatie en beschrijving klachten

    - ordening en categorisatie in disfunctionele gedragsclusters of stoornissen,
    - inschatting van de ernst van het probleemgedrag
  • verklaringsfase bevat de volgende onderdelen:
    - het (deel)probleem,
    - condities die het optreden van het probleem verklaren,
    - de relatie tussen 1 en 2 in termen van omdat en doordat
    verklaringen kunnen ingedeeld volgens:
    1 de locus, ingedeeld worden op basis van de persoon zelf of de situatie
    2 de aard van de controle, door condities bepaald of door reden
    3 er zijn synschrone en diachrone condities te onderscheiden, synchrone vallen in de tijd samen, diachrone gaan eraan vooraf
    4 verschil tussen inducerende condities (doen het probleem ontstaan) en continuerende condities( houden het probleem in stand)
    dit zijn vier mogelijke verklaringen van probleemgedrag
    het best kan in eerste instantie gezocht worden naar de factoren die het probleem in stand houden omdat deze het verandproces kunnen beinvloeden.
  • bij de predictiefase gaat het erom uitspraken te doen over het probleemgedrag in de toekomst.
  • in de indicatiefase gaat het over de vraag of de client een behandeling nodig heeft en zo ja welke hulpverlener + behandeling het meest geschikt is.
    drie elementen komen hierbij kijken:
    1 kennis over behandelingen en behandelaars
    2kennis voer het relatieve nut van behandelingen
    3 kennis over de aanvaarding van de indicatie door de client
    de strategie bevat vier principers
    - het clientperspectief wordt geexploreerd
    - de diagnosticus verstrekt de client met behandelmethode
    - voorkeuren van de client worden bekeken en vergeleken met die van de behandeleer en er wordt gekeken wat de beste optie is
    - de client kiest een behandelaar en behandeling uit eental mogelijkheden
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Welk geheugen is veel vaker gestoord?

het declaratieve geheugen

Voor meting van welk geheugen zijn er alleen experimenten en nog geen genormeerde tests voorhanden?

voor het procedurele geheugen

Waarmee worden de waarnemingsfuncties in kaart gebracht?

Na uitsluiten twijfel over functioneren sensorische organen:

  1. Ishihara voor kleurenzien
  2. Cambridge test voor contrastgevoeligheid

Voor waarnemen van objecten en gezichten:

  1. Mooney Faces
  2. Street test
  3. Hooper test
  4. Birmingham Object Recognition Battery
  5. Benton facial Recognition tests

Voor geschreven tekst:

  1. palpa
  2. akense afasie test

Voor visuospatiële tests:

  1. Benton Line orientation test 
  2. Doolhoftaken (bijv. van WISC)
  3. Visual Object and Space Perception Battery

Voor auditieve herkenning:

  1. Seashore test
Welke tests horen bij snelheid van informatieverwerking
  1. diverse subtests van intelligentietests waarbij snelheid respons gemeten wordt
  2. Stroop
  3. Bourdon
  4. Word fluency test
Welke tests worden er gebruikt voor aandacht?
  1. Stroop
  2. Bourdon - 50 regels met punten, groepjes van 4 doorstrepen
  3. Behavioural Inattention Test (neglect)
  4. subtests uit intelligentietests (cijfers, nazeggen, subsititutie), rekentests
  5. Everyday Inattention Test
Wat zal tijdens een volledig onderzoek aan cognitieve functies onderzocht moeten worden?  
  • aandacht
  • snelheid van informatieverwerking
  • waarneming
  • geheugen en leren
  • verbaal begrip en expressie
  • ruimtelijke functies
  • centraal-executieve functies (zoals planning en gedragsregulatie)
  • gericht handelen
Wat moet men zich realiseren bij de dementie-screening?
  1. er zijn vormen van dementie (bijv. frontale dementie) waarbij, zeker in de beginfase, cognitieve stoornissen niet op de voorgrond staan.
  2. ook bij andere hersenziekten kunnen scores verlaagd zijn door taal- en begripsstoornissen (bij. cva)
  3. bij de meeste van deze tests is correctie nodig voor de sterke invloed van leeftijd en opleidingsniveau
  4. betrouwbaarheid etc. hebben betrekking op totaalscores, voorzichtigheid dus bij item- en subscores
Wat houdt een niveau of screeningtest in?

Niveau - intelligentietest:

  1. WAIS
  2. GIT
  3. Raven Progressive Matrices (non-verbaal, normen onvoldoende)
  4. SON7-17 (experimenteel)

Letten op subscores die significant beneden de maat blijven

 

Screening:

Vooral gebruikt bij dementie-screening:

  1. Mini-Mental Status Examination
  2. Cognitieve Screening Test
  3. Amsterdamse Dementie Screening Test
  4. Canadese-N
  5. Nederlandse Leestest voor Volwassenen
Welke soorten tests kan men bij het NPO gebruiken?
  1. niveau- en screeningstests
  2. cognitieve tests 
  3. tests voor emotionele en persoonlijkheidsproblematiek
  4. klinimetrische methoden
Wat komt er bij de derde vraagstelling aan bod?  

Wanneer er geen sprake is van aantoonbaar letsel, dient dmv NPO bekeken te worden of er toch aanwijzingen voor zijn. Voor 2 situaties relevant:

  1. wanneer er een vermoeden van een specifiekehersenaandoening bestaat (bijv. Alzheimer)
  2. wanneer gedragsgegevens een doorslaggevende rol kunnen spelen bij de vermoede diagnose