Summary Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

ISBN-10 9059319842 ISBN-13 9789059319844
354 Flashcards & Notes
8 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg". The author(s) of the book is/are . The ISBN of the book is 9789059319844 or 9059319842. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

  • 1.1 Inleiding

  • Klinische psychodiagnostiek is een professionele activiteit die steunt op drie elementen. welke drie elementen?
    1. Theorievorming over de problemen/klachten en problematische gedragingen.
    2. Operationalisatie en meting daarvan.
    3. Toepassing van relevante diagnostische methoden.
  • De meeste vragen van cliënten, verwijzers en psychodiagnostici kunnen herleid worden tot vijf basisvragen. noem deze en waar ze betrekking op hebben. 
    1. Onderkenning: Wat zijn de problemen, wat lukt er nog? en wat gaat mis?
    2. Verklaring: Waarom zijn bepaalde problemen er en wat houdt ze in stand?
    3. Predictie: Hoe zullen de problemen van de cliënt zich in de toekomst verder ontwikkelen?
    4. Indicatie: hoe kunnen de problemen verholpen worden?
    5. Evaluatie: Zijn de problemen voldoende verholpen als gevolg van de interventie?
  • Tot welke drie vragen leidt een analyse?
    Om welke stoornis gaat het, welke factoren veroorzaken de stoornis en welke houden het in stand. 
  • Om inzicht te krijgen op het probleem van de cliënt brengt de diagnosticus zowel de klachten als de adequate gedragingen van de cliënt en/of zijn omgeving in kaart. wat valt er onder onderkenning?
    1. Inventarisatie en beschrijving
    2. Ordening en categorisering in disfunctionele gedragsclusters of stoornissen
    3. Inschatting van de ernst van het probleemgedrag
  • Welke 5 diagnostische handelingen onderbouwen de theorie over de cliënt?
    1. De voorlopige hypothese omzetten in concrete hypothesen.
    2. Een specifieke onderzoeksinstrument zoeken dat antwoord kan geven op de hypothesen
    3. Voorspellingen doen op basis van uitkomsten of resultaten van instrumenten zodat je weet wanneer hypothese aangenomen of verworpen wordt.
    4. Instrument afnemen en verwerken
    5. Op grond van resultaten worden de hypothesen aanvaardt of verworpen. Elk van deze keuzen wordt grondig onderbouwd.
  • Wat is het verschil tussen classificatie en diagnostische vergelijking.
    Bij classificatie wordt het klinische beeld ondergebracht bij een type probleem (deze kan worden uitgevoerd volgens een alles-of-niets of meer-of-minderprincipe). Bij diagnostische formulering daarentegen staat het individu met zijn unieke klinische beeld centraal.
  • noem voor zowel classificatie als diagnostische vergelijking voor en nadelen.
    • classificatie leidt tot labeling, die beperkt is en vaak aanleiding geeft tot het vaststellen van comorbiditeit, maar die de communicatie tussen deskundige vergemakkelijkt.
    • diagnostische formulering doet recht aan de uniciteit van het individu door een beschrijving van de cliënt en zijn context. Deze helpt de therapie planning, maar empirische ondersteuning ontbreekt soms.
  • Een verklaring geeft antwoord op de vraag waarom er een (gedrags)probleem is. wat omvat dit?
    1. Het (deel)probleem
    2. Condities die het optreden van het probleem verklaren
    3. De relatie tussen 1 en 2 van 'omdat' of 'doordat'
  • Noem de 4 mogelijke types van verklaringen voor probleemgedrag.
    1. De locus (persoon of situatie)
    2. de aard van controle
    3. Synchrone en diachrone verklaringscondities
    4. Inducerende en continuerende condities
  • 1.2 Stappen van het diagnostisch proces

  • Uit welke 5 fasen bestaat het diagnostisch proces?
    1. Exploratie
    2. Inductie
    3. Deductie
    4. Toetsing
    5. Evaluatie
  • Waar bestaat de exploratiefase uit?
    1. Aanvraag: aanvraaganalyse, dossierstudie
    2. Hulpvraag: hulpvraaganalyse, exploratie van problemen
    3. Reflectie van diagnosticus
  • Wat is het diagnostische scenario?
    1. Indeling in grondvragen
    2. Formuleren van voorlopige theorie over de cliënt betrefende wat de problemen van de cliënt zijn en hoe ze verklaard kunnen worden.
  • Waar bestaat de Inductie fase uit?
    Hypothesen: de voorlopige theorie wordt omgezet in concrete hypothesen. 

    Onderdeel van het diagnostisch scenario.
  • Waar bestaat de deductie fase uit?
    1. Keuze instrumentarium
    2. Toetsbare voorspellingen

    Onderdeel van het diagnostisch scenario.
  • Waar bestaat de Toetsing fase uit?
    Afname en verwerking van instrumenten

    Onderdeel van het diagnostisch scenario.
  • Waar bestaat de evaluatie fase uit?
    Argumentatie: op grond van de verkregen resultaten worden de hypothesen op beargumenteerde wijze aanvaard of verworden.

    Onderdeel van het diagnostisch scenario.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarmee moet rekening gehouden worden bij het interpreteren van indirecte methoden?
  1. De theorieën die gehanteerd zijn bij de ontwikkeling van de indirecte methode
  2. Het materiaal dat geïnterpreteerd wordt moet nooit geïsoleerd worden bekeken, maar in context van het gehele interpretatieproces 
  3. En zoveel mogelijk gecombineerd met andere beschikbare kwaliatieve en kwantitatieve gegevens->


OPm. 
  • Een volledig diagnostisch onderzoek kan niet volstaan met alleen de interpretatie van bevindingen uit indirecte materialen!
  • Het moet een confrontatie bevatten tussen de inhoudelijke interpretatie van indirect verkregen gegevens en de informatie uit de kwantitatieve gegevens (scoringsgegevens uit indirecete methoden en vragenlijsten en testgegevens)
De regels voor een gestructureerde interpretatie kan men het best halen uit de hermeneutiek. Daarin staan twee basisregels centraal. welke?
  • Een dialectiek tussen enerzijds het te duiden/interpreteren elementen en anderzijds de context van het element.
  • Convergentie en geen divergentie van betekenissen: 
  • Een interpretatie is des te 'zekerder' naarmate zij vanuit verschillende invalshoeken binnen het materiaal of vanuit diverse soorten materiaal wordt ondersteund (convergent
  • en tegelijkertijd niet door andere betekeniselementen wordt tegengesproken (geen divergentie)
  • Toepassing van het falsificatiebeginsel: het uitdagen van een voorlopige interpretatie door deze te confronteren met nieuw materiaal


opm. Dialectiek is eensystematische manier van denken die gebruik maakt van een gedachte en het  tegenovergestelde ervan om tot een standpunt te komen
.
.
Hoe staat het met het gebruik van observatie-instrumenten in de klinische praktijk?
  • Weinig instrumenten ontwikkeld
  • Mn. voor zwakbegaafden of dementerende cliënten . Voor deze cliënten zijn andere diagnostische methden (gesprek, vragenlijsten) niet of mminder bruikbaar
Wat zijn overige observatieinstrumenten (naast de in opdracht 7.2 genoemde instrumenten)
  • Voor het beeordelen van autisme 
  • Voor het coderen van psychotherapiesessies: 
  • TFAI: Therapeutic Focus and Insight
  • CPIRS: Comprehensive Psychtehrapeutic Interventions Rating Scale
Wat zijn 2 categorieën cliënten  die vaak lijden aan mentale functiestoornissen?
  1. Cliënten met ernstige psychopathologie (psychosen)
  2. Ouderde cliënten: dementiéle syndromen


OPm. zie voor gestandaardiseerde observatie bij deze 2 categorieën patiënten opdracht 7.2
Nauwkeurige observatie van clienten kan veel informatie opleveren. Geef een aantal voorbeelden van observatierichtlijnen daarbij.
  • Intelligentie en alertheid
  • UIterlijke verschijning (verzorging)
  • Instelling in realtie tot situatie (besef van dag, tijd en plaats?)
  • wijze van werken (breedsprakig, impulsief)
Stoornissen in het brein leiden tot zichtbare veranderingen in het gedrag. Welke 4 categorieën stoornissen c.q. restverschijnselen van mentale stoornissen kan worden onderscheiden?
  1. Cognitieve stoornissen: aandacht, geheugen en taal
  2. Emotionele problemen en persoonlijkheidsveranderingen (angst, apathie, ontremdheid)
  3. (Senso) motorische stoornissen (tremoren en verlammingsverschijnselen)
  4. Psychosociale verschijnselen (vereenzaming en relatieproblemen)
Zie opdracht 7.1
.
.
.