Summary Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

ISBN-10 9059319842 ISBN-13 9789059319844
354 Flashcards & Notes
10 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg". The author(s) of the book is/are . The ISBN of the book is 9789059319844 or 9059319842. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Psychologische diagnostiek in de gezondheidszorg

  • 2 Kwaliteit van diagnostiek

  • .
    .
  • 2.1 Inleiding

  • De kwaliteit van diagnostiek wordt beschreven aan de hand van 3 criteria. Welke?
    1. De kwaliteit van 3 componenten van diagnostiek: 1. referentiekaders voor de diagnostiek, 2. beschrijving van die kaders in modellen en 3. tests
    2. Kwaliteit van informatie-integratie over cliënt en omgeving door de diagnosticus
    3. Samenhang kwaliteit van de diagnostiek en de kenmerken van de diagnosticus: 
    • De klinisch diagnosticus gekarakteriseerd als beperkte intuitieve statistici en informatieverwerkers
    • Diagnostisch onderzoek is een tussenmenselijk proces dat aan kwaliteitseisen van waardig handelen moet voldoen
    • daarnaast: ethische regels, recht van privacy en eerlijk testen (test fairness)
  • Waar zijn tests in het ideale geval op gebaseerd?
    • Gebasserd op een construct dat gedefinieerd is binnen een referentiekader, zodat het kan worden afgebeeld in een model dat na toetsing adequaat blijkt
  • 2.2 Kwaliteitseisen voor referentiekaders, modellen en tests

  • Zie voor kwaliteitseisen voor referentiekaders, modellen en tetsts (2.2) uitwerking van opdracht 6.1
    .
  • 2.2.1 Kwaliteit van de referentiekaders:
    Waarom is bij de bespreking van de 3 referentiekaders de DSM-IV niet genoemd?
    • Dit is een systeem om clienten te categoriseren
    • Berust op consensus tussen experts ipv theoretische constructen uit een van de kaders (experts komen letterlijk on speaking terms)
    • Het categoriseringssysteem brengt een aantal symptomen onder in een syndroom (=begrip in medisch denken).
    • Binnen de psychologie sprake van dimensionele modellen. Client wordt beschreven in een profiel dat bestaat uit aantal dimensies (bijv Big Five)
  • 2.2.2. Kwaliteit van modellen om constructen uit de referentiekaders af te beelden.
     Wat is het verschil tussen klassieke testtheorie en moderne IRT testtheorie?
    • De klassieke testtheorie is een foutenmodel. het gaat alleen over de meetfout van de een meting
    • IRT is een theorie over een gedraging (een latente trek bijv emtionele stabiliteit of rekenvaardigheid) met behulp waarvan de kasn wordt beschreven dat een persoon, gegeven een bepaalde waarde op een latente trek ja zegt op een vraag of een taak goed oplost. Het gaat niet over fouten maar over iets inhoudelijks (minitheorie)
  • 2.2.2. Kwaliteit van modellen om constructen uit de referentiekaders af te beelden.
    Waar heeft de kwaliteit van deze modellen mee te maken?
    • Het gaat erom hoe goed deze modellen centrale kenmerken van gedragingen afbeelden
    • Bijv. bij Spearman was dat de g-factor van intelligentie (eerste referentiekader: individuele verschilbenadering). Bij hem afstemming tussen construct en model (dmv factoranalyse zoveel mogelijk variantie op de eesrte factor vergaren -> steun voor de theorie
    • Gaat dus niet om de vraag of modellen uit de testtheorie en statistiek geschikt zijn om centrale onderdelen van theorieén en constructen te beschrijven
  • 2.2.3 kwaliteit van instrumenten
    Wat zijn de 7 criteria waarop tests en vragenlijsten worden beoordeeld?
    Zie opdracht 6.1 vraag 2
  • 2.2.3 Kwaliteit van instrumenten
    Wat is het verschil tussen normgerichte interpretatie en domein of criteriumgerichte interpretatie?
    • Normgerichte interpretatie: de scores van iemand worden vergeleken met ene relevante normgroep. Van belang dat dat de normgroep representatief is en van voldoende grootte
    • Domeingerichte interpretatie: de scores van een persoon worden met een absolute norm vergeleken. de absolute normen zijn gebaseerd op onderzoek waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen grenswaarden die zijn vastgesteld door experts en grenswaarden die zij gebaseerd op onderzoek waarin een criterium is meegenomen.
  • 2.2.4 Hoe hoog moet een betrouwbaarheidscoëfficient zijn?
    • Voor belangrijke beslissingen op individueel nivo (personeelsselectie, verwijzing speciaal onderwijs):  tussen r=.80 en .90 = voldoende
    • Bij minder belangrijke beslissingen (voortgangscontrole, beroepskeuze): tussen r=.70 en .80 = voldoende
    • Voor experimentele tests (onderzoek op groepsniveau) tussen .60 en .70 = voldoende
  • Hoe kan de betrouwbaarheid van een meting het beste worden weergegeven?
    • Met een standaardmeetfout
    • Als we iemand herhaald zouden kunnen testen met hetzelfde instrument -> het gemiddelde van een zeer groot aantal metingen is de verwachte waarde of ware score
    • De standaardmeetfout is de spreiding in de errorscores
    • Als de betrouwbaarheid hoog is, is de standaardmeetfout laag
  • Wat is de verhouding tussen de de standaardmeetfout en de normeringsschaal?
    • Als de standaardmeetfout hoog is, dan mag de meetschaal niet te fijn zijn
    • Anders wordt een betekenis aan de ruwe score toegekend die te maken heeft met de meetfout
  • 2.2.5 Hoe hoog moet een criterium validiteitscoëfficiënt zijn?
     Wat zijn de vuistregels van Cohen hiervoor?
    • true correlatie (tussen test en criterium) van r=.10 laag/verwaarloosbaar effectgrootte/samenhang
    • true correlatie r=.30 = gemiddeld
    • r=.50 is hoog
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waarmee moet rekening gehouden worden bij het interpreteren van indirecte methoden?
  1. De theorieën die gehanteerd zijn bij de ontwikkeling van de indirecte methode
  2. Het materiaal dat geïnterpreteerd wordt moet nooit geïsoleerd worden bekeken, maar in context van het gehele interpretatieproces 
  3. En zoveel mogelijk gecombineerd met andere beschikbare kwaliatieve en kwantitatieve gegevens->


OPm. 
  • Een volledig diagnostisch onderzoek kan niet volstaan met alleen de interpretatie van bevindingen uit indirecte materialen!
  • Het moet een confrontatie bevatten tussen de inhoudelijke interpretatie van indirect verkregen gegevens en de informatie uit de kwantitatieve gegevens (scoringsgegevens uit indirecete methoden en vragenlijsten en testgegevens)
De regels voor een gestructureerde interpretatie kan men het best halen uit de hermeneutiek. Daarin staan twee basisregels centraal. welke?
  • Een dialectiek tussen enerzijds het te duiden/interpreteren elementen en anderzijds de context van het element.
  • Convergentie en geen divergentie van betekenissen: 
  • Een interpretatie is des te 'zekerder' naarmate zij vanuit verschillende invalshoeken binnen het materiaal of vanuit diverse soorten materiaal wordt ondersteund (convergent
  • en tegelijkertijd niet door andere betekeniselementen wordt tegengesproken (geen divergentie)
  • Toepassing van het falsificatiebeginsel: het uitdagen van een voorlopige interpretatie door deze te confronteren met nieuw materiaal


opm. Dialectiek is eensystematische manier van denken die gebruik maakt van een gedachte en het  tegenovergestelde ervan om tot een standpunt te komen
.
.
Hoe staat het met het gebruik van observatie-instrumenten in de klinische praktijk?
  • Weinig instrumenten ontwikkeld
  • Mn. voor zwakbegaafden of dementerende cliënten . Voor deze cliënten zijn andere diagnostische methden (gesprek, vragenlijsten) niet of mminder bruikbaar
Wat zijn overige observatieinstrumenten (naast de in opdracht 7.2 genoemde instrumenten)
  • Voor het beeordelen van autisme 
  • Voor het coderen van psychotherapiesessies: 
  • TFAI: Therapeutic Focus and Insight
  • CPIRS: Comprehensive Psychtehrapeutic Interventions Rating Scale
Wat zijn 2 categorieën cliënten  die vaak lijden aan mentale functiestoornissen?
  1. Cliënten met ernstige psychopathologie (psychosen)
  2. Ouderde cliënten: dementiéle syndromen


OPm. zie voor gestandaardiseerde observatie bij deze 2 categorieën patiënten opdracht 7.2
Nauwkeurige observatie van clienten kan veel informatie opleveren. Geef een aantal voorbeelden van observatierichtlijnen daarbij.
  • Intelligentie en alertheid
  • UIterlijke verschijning (verzorging)
  • Instelling in realtie tot situatie (besef van dag, tijd en plaats?)
  • wijze van werken (breedsprakig, impulsief)
Stoornissen in het brein leiden tot zichtbare veranderingen in het gedrag. Welke 4 categorieën stoornissen c.q. restverschijnselen van mentale stoornissen kan worden onderscheiden?
  1. Cognitieve stoornissen: aandacht, geheugen en taal
  2. Emotionele problemen en persoonlijkheidsveranderingen (angst, apathie, ontremdheid)
  3. (Senso) motorische stoornissen (tremoren en verlammingsverschijnselen)
  4. Psychosociale verschijnselen (vereenzaming en relatieproblemen)
Zie opdracht 7.1
.
.
.