Summary Rechtsgeschiedenis 2 - werkboek

-
587 Flashcards & Notes
6 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Rechtsgeschiedenis 2 - werkboek

  • 1 Uitwendige rechtsgeschiedenis

  • Wat zijn de voornaamste rechtsbronnen waaruit de Romeinsrechtelijke regels zijn ontstaan?
    De wetten en edicten, het juristen- en het keizerrecht.
  • Wat verstaat men onder het imperium romanum?
    het Romeinse rijk
  • Wat verstaat men onder een constitutie?
    een verordening van de keizer
  • Wat verstaat men in het algemeen onder leges?
    wetten
  • In welk jaar viel het Westromeinse rijk?
    476
  • Waaruit bestaat de Codex Justinianus?
    uit de keizerlijke constituties
  • Waar vond men in het keizerrecht na de uitvaardiging van de Codex Theodosianus in 438 na Chr.?
    in de post-Theodosiaanse Novellen; de constituties die na 435 zijn uitgevaardigd
  • Wat is de inhoud van de Digesten?
    brokstukken van de geschriften der oude (klassieke) juristen; het ius
  • Door welke absurditeit wordt de codificatie van het ius gekenmerkt?
    Het ius werd gecodificeerd in de Digesten, die verheven werden tot één constitutie. Daarmee werd het 300 jaar oude juristenrecht de jongste constitutie van de reeks keizerlijke wetten, en kreeg krachtens de regel lex posterior derogat legi priori voorrang boven andere constituties, waardoor allerlei afgeschafte regels weer ingevoerd zouden kunnen worden.
  • Welke is de onderlinge verhouding tussen het juristenrecht en het keizerrecht na de uitvaardiging van de Digesten?
    Het juristenrecht kreeg voorrang boven de keizerlijke wetten.
  • In welk opzicht vindt de lex posterior-regel toepassing op de Digesten?
    Doordat de Digesten als één constitutie uitgevaardigd werden, vond de lex posterior-regel geen toepassing binnen de Digesten.
  • Wat is de rechtskracht van de tweede Codex?
    De tweede Codex heeft geen andere rechtskracht dan de eerste, met dien verstande dat door de tweede Codex aan de eerste de kracht wordt ontnomen.
  • Wat was de rechtskracht van de Basilica ten tijde van de uitvaardiging daarvan?
    De Basilica is een herordening van de wetgeving van Justinianus en die vertaald was in het Grieks. De Griekse teksten hadden, hoe dikwijls ook in de praktijk gebruikt, geen eigen gezag en dienden in laatste instantie tot niets anders dan tot hulpmiddel bij het vaststellen van de oorspronkelijke tekst.
    Aan het einde van de twaalfde eeuw zijn de Basilica verheven tot codificatie.
  • Welke gelding had het gerecipieerde Romeinse recht op het West-Europese continent?
    Het gold als subsidiair recht, dat wil zeggen in die gevallen waarin het plaatselijke recht niet voorzag. Het was 'hulprecht'.
  • Uit welke onderdelen bestaat de wetgeving van Justinianus?
    1. Codex Justinianus
    2. Digesten of Pandekten
    3. Instituten of Elementen
    4. Novellen
  • Van welke datum zijn de constituties verzameld in de Codex Justinianus van 529 na Chr.?
    15 februari 438
  • Uit hoeveel boeken bestaan de Digesten?
    50
  • Wat bepaalde Justinianus omtrent tegenstrijdigheden in de Digesten?
    Dat enige tegenstelling die in dit wetboek mocht zijn opgenomen, voor zich geen enkele plaats zal opeisen en niet wordt gevonden als iemand maar met een verfijnde geest de redenen van het verschil zal onderzoeken.
  • Wat is het commentaarverbod?
    Het verbod op bijschrijven van verklarende aantekeningen in de marge of tussen de regels.
  • Wat is de rechtskracht van de Instituten in verhouding tot de Digesten?
    Zij verkregen tegelijkertijd kracht van wet.
  • Wat was de rechtskracht van de Griekse vertalingen van Justinianus' wetgeving vóór het jaar 1000?
    De Griekse vertalingen vervingen de Latijnse teksten in de dagelijkse rechtspraktijk, maar hadden geen formele rechtskracht.
  • Tot wanneer heeft het Romeinse recht in Griekenland onafgebroken gegolden?
    1946
  • Tot wanneer heeft het Romeinse recht gelding gehad in Nederland?
    1 mei 1809
  • Wat is de rechtskracht van de Basilica sinds de dertiende eeuw?
    Aan het einde van de twaalfde eeuw zijn de Basilica verheven tot codificatie. Vanaf ca. 1350 gebruikte men in de rechtspraktijk een uittreksel van de Basilica in zes boeken: Hexabiblos. In 1835 werd het boek verheven tot het officiële wetboek van het jonge onafhankelijke koninkrijk Griekenland en het behield deze status tot het in 1946 werd vervangen door een nieuw, naar Duits voorbeeld ingericht wetboek.
  • Wat is de rechtskracht van de tweede Codex in verhouding tot de Digesten?
    Het was jonger recht dan de Digesten en verkreeg daardoor weer voorrang op het recht uit de Digesten.
  • Wat is de inhoud van de Instituten?
    Een overzichtelijke uiteenzetting van de grondbeginselen van het Romeinse recht. Zij werden aan eerstejaarsstudenten bij wijze van Inleiding in de rechtsgeleerdheid gedoceerd.
  • Wat zijn interpolaties?
    Mechanisch aangebrachte tekstwijzigingen. De commissie die de Digesten samenstelde, had de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht om te voorkomen dat allerlei afgeschafte regels weer ingevoerd zouden worden. Zij hebben de teksten gezuiverd van allerlei in onbruik geraakte en opzij gezette regels te schrappen.
  • Hoe bepaalt men de onderlinge rechtskracht van de juristenmeningen opgenomen in de Digesten?
    De mening van alle opgenomen juristen had evenveel waarde. Door de verheffing van de Digesten tot één constitutie waren alle opgenomen meningen de mening van de keizer.
  • Wat behelst de lex citandi (426 na Chr.?)
    De optelsom die de rechter moet maken om de doorslaggevende juristenmening te kiezen. Voor de rechtbank mocht slechts geciteerd worden uit de werken van Papinianus, Paulus, Ulpianus, Modestinus, en Gaius. Meningen van andere juristen hadden slechts gelding als zij door dit vijftal werden aangehaald.
    Liepen de meningen uiteen, dan gold die van de meerderheid, waarbij Papinianus de doorslag gaf. Had hij zich niet over de kwestie uitgesproken, dan mocht de rechter zelf kiezen welke van de meningen hij wilde volgen.
  • Waar vond men het keizerrecht na de uitvaardiging van de Codex Justinianus in 529 na Chr.?
    in de Novellen
  • Wat is de overeenkomst tussen de Codex Gregorianus en de Codex Hermogenianus?
    Dit waren beide privé-bundels die de voor een codificatie noodzakelijke autoriteit misten.
  • Met welke twee middelen wenste Justinianus de oude luister van het Romeinse rijk te herstellen?
    de wapenen en de wetten
  • Met behulp van welke regel stelt men de onderlinge rechtskracht van de constituties vast?
    lex posterior derogat legi priori
  • Wat is de juridische betekenis van de regel lex posterior derogat legi priori?
    de latere wet gaat voor een eerdere
  • Tot wanneer heeft de lex citandi gegolden?
    Tot het moment waarop de Digesten tot constitutie werden verheven: 30 december 533.
  • Welke rechtsbronnen kende het Romeinse rijk na de uitvaardiging van de Digesten?
    Codex, Digesten, Instituten, Novellen
  • Welk driemanschap heeft de Instituten gemaakt?
    Tribonianus, Theophilus en Dorotheus
  • Wat zijn de Novellen?
    Constituties die de keizer ná 534 uitvaardigde.
  • Wat is de Hexabiblos?
    Een uittreksel van de Basilica in zes boeken.
  • Wat verstaat men onder ius?
    (juristen)recht
  • Wat betekent het woord codex?
    boek
  • In hoeverre is de eerste poging om het ius en de leges te codificeren geslaagd?
    De eerste poging, die leidde tot de lex citandi met het optelsommetje, was in de praktijk niet heel praktisch, maar legde wel een goede basis voor de latere Digesten.
  • Wie was het geniale brein achter de Justiniaanse wetgeving?
    Tribonianus
  • Waar vond men het juristenrecht na de uitvaardiging van de Digesten?
    In Griekse commentaren, vertalingen en compendia.
  • Tot bezwering van welk gevaar dienden de siglen- en het commentaarverbod?
    Tekstbederf; dit kon vóór de uitvinding van de boekdrukkunst gemakkelijk voorkomen, doordat in de rand van het handschrift of tussen de regels allerlei opmerkingen werden geschreven, die een afschrijver gemakkelijk kon aanzien voor onderdelen van de echte tekst.
  • Op welke wijze is de rechtskracht van de Instituten en de Digesten in de tweede Codex gegarandeerd?
    De constitutie die tot het maken van de Digesten de opdracht gaf en die, welke aan de Digesten en Instituten kracht van wet gaf, werden in de tweede Codex opgenomen.
  • Wat zijn de Basilica?
    De keizerlijke wetten in het Grieks, na de zuiveringsoperatie.
  • Wat verstaat men onder het verschijnsel 'receptie'?
    Het vasteland van West-Europa heeft het Romeinse recht als geldend recht opnieuw aangenomen sinds het einde van de 11e eeuw (zij het subsidiair).
  • Over een concrete rechtsvraag hebben drie grote juristen, Papinianus, Paulus en Ulpianus alledrie 200 na Chr. hun mening te kennen gegeven; de andere juristen hebben zich er niet over uitgelaten. De opinies van Paulus en Ulpianus komen overeen, maar staan tegenover die van Papinianus.
    Welke mening is volgens de citeerwet geldend recht, die van Papinianus of die van Paulus en Ulpianus?
    De citeerwet dateert van 426 na Cht. en had ten doel enige orde te scheppen in het woud van tegengestelde meningen die de klassieke juristen over bijna ieder onderwerp ten beste hadden gegeven. De wet kapte in dit oerwoud enkele rechte paden. Allereerst hadden slechts de meningen van vijf juristen kracht van wet. Onder hen waren Papinianus, Paulus en Ulpianus. De mening van de meerderheid was met rechtskracht bekleed en waren er evenveel vóór- als tegenstanders, één tegen één of twee tegen twee, dan gaf de opinie van Papinianus de doorslag. In deze vraag staat de mening van twee juristen tegenover die van Papinianus en beslist derhalve de meerderheid. De corresponderende mening van Paulus en Ulpianus heeft dus rechtsgeldigheid.
  • Als enige jurist heeft Papinianus (circa 200 na Chr.) een mening ten beste gegeven die echter in een constitutie van keizer Diocletianus van 295 na Chr. is herroepen en gewijzigd in het tegendeel. De mening van Papinianus is in de Digesten (533 na Chr.) opgenomen, de constitutie van keizer Diocletianus met de tegengestelde mening werd opgenomen in de tweede Codex Justinianus (534 na Chr.). Welke mening was nu vervolgens geldend recht?
    De oplossing van deze vraag is gelegen in het inzicht in de status van de Digesten en van de Codex en bovendien in de toepassing van de regel dat een latere wet vóór de oudere gaat: lex posterior derogat legi priori. Deze laatste regel glod voor keizerlijke constituties, ook als ze in de Codex waren opgenomen. Een constitutie van Diocletianus uit 295 na Chr. blijft wat haar rechtskracht betreft dus gedateerd op 295, ook al is zij opgenomen in de Codex van 534. Dit betekent dat zij vóórgaat vóór alle constituties over hetzelfde onderwerp, die vóór 295 zijn uitgevaardigd en wijkt voor de constituties na 295. De opneming in de tweede Codex Justinianus wijzigt dus de rechtskracht van de constitutie niet. Anders is dit met de mening van de klassieke juristen. Tussen hen bestond geen chronologische volgorde in die zin dat de mening van een latere jurist die van een oudere opzij zette. Sinds 426 gold de hiërarchie die was aangegeven in de citeerwet. Was een mening van een jurist echter opgenomen in de Digesten van Justinianus uit 533 na Chr., dan gold zij niet langer wegens het feit dat zij door de betreffende jurist was verkondigd, maar omdat zij was opgenomen in de Digesten en daardoor tot een uitspraak van keizer Justinianus was gemaakt. De Digesten werden namelijk uitgevaardigd als één grote constitutie uit 533 na Chr., zodat alle constituties van vóór 533 door de Digesten opzij werden gezet. Zo is dus de mening van Papinianus uit 200 na Chr. een onderdeel geworden van de constitutie uit 533 die Digesten heet. Deze Papinianus-/Justinianusmening uit 533 gaat dus vóór de constitutie van Diocletianus uit 295 na Chr., die immers op die datum blijft gedateerd, ook al is zij in de Codex van 534 opgenomen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Kende het Romeinse recht volmacht?
Nee, bij de Romeinen bleef de handelende persoon ook steeds zélf aansprakelijk.
Op welke wijze kan een onder ontbindende voorwaarden verkocht en geleverd paard na de vervulling van de voorwaarde door de verkoper worden teruggevorderd naar huidig recht?
De rechtsgevolgen bestaan slechts zolang de toekomstige gebeurtenis niet plaatsgrijpt. Doet zij dat toch, dan worden de rechtsgevolgen aan de rechtshandeling ontnomen. De verkoper is dan van rechtswege altijd eigenaar gebleven en kan het paard revindiceren.
Wat is een termijn?
Het tijdsverloop tot aan de gebeurtenis die aan de voorwaarde is verbonden.
Wat is bedrog volgens het BW en volgens het Romeinse recht?
Bedrog, dolus, is niet denkbaar zonder dwaling van de bedrogen partij. 
Welke drie leerstukken staan in verband met de rechtshandeling?
- wilsgebreken
- voorwaarde en tijdsbepaling
- volmacht en vertegenwoordiging
Wat is conversie?
Wijziging door de rechter van de verklaring in de verklaring die de partij zou hebben afgelegd indien zij van de nietigheid op de hoogte was geweest.
Noem een voorbeeld van een stilzwijgende rechtshandeling in het erfrecht.
De erfgenaam laat door allerlei op de nalatenschap betrekking hebbende handelingen te verrichten merken dat hij de nalatenschap aanvaardt.
Is de levering op grond van een stipulatie te beschouwen als een causale of als een abstracte levering?
Abstract; een levering gedaan op grond van een ongeldige stipulatie was desalniettemin een geldige levering, indien zij was verricht in de mening dat de stipulatio rechtsgeldig was tot stand gekomen.
Wat is hoofdelijke borgtocht?
De borg is hoofdelijk aansprakelijk, naast de hoofdschuldenaar, omdat hij hetzelfde (idem) beloofde.
Schept het compromis ook verplichtingen voor de scheidsman?
Ja, hij moet als boni viri arbitri (goede man naar billijkheid) oordelen.