Summary Rechtshandeling en Overeenkomst

-
ISBN-13 9789013137293
172 Flashcards & Notes
7 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Rechtshandeling en Overeenkomst". The author(s) of the book is/are Wolters Kluwer. The ISBN of the book is 9789013137293. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Rechtshandeling en Overeenkomst

  • 1 De obligatoire overeenkomst

  • H1 Algemene inleiding
    1. Terreinverkenning

    Met het boek Rechtshandeling en Overeenkomst corresponderen twee titels van het BW: 'Rechtshandelingen (art. 3:32-59) en Overeenkomsten in het algemeen (art. 6:213-279). Op het betreden terrein bevindt zich bovendien de volmacht (art. 3:60-79).

    1.2 De rechtshandeling
    3. Begrip rechtshandeling

    Art. 3:33 geeft aan wat voor een rechtshandeling nodig is: een rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Onder 'rechtsgevolg' is te verstaan het ontstaan, gewijzigd raken of tenietgaan van een bepaalde juridische relatie. 

    5. Meerzijdige en eenzijdige rechtshandelingen
    De meerzijdige rechtshandeling laat zich omschrijven als een rechtshandeling die door meer dan één persoon wordt verricht. Het prototype van deze meerzijdige rechtshandelingen is de overeenkomst (art. 6:217). De eenzijdige rechtshandeling wordt tot stand gebracht door slechts één persoon. 
    Het onderscheid tussen eenzijdige gerichte en eenzijdige niet-gerichte rechtshandelingen komt in diverse wetsartikelen tot uitdrukking. Als voorbeeld kan art. 3:32 lid 2 worden aangehaald, dat door een handelingsonbekwame verrichte rechtshandelingen vernietigbaar verklaart, maar daarop een uitzondering (nietigheid) maakt voor niet-gerichte rechtshandelingen.
  • 13. Grondbeginselen van contractenrecht
    Het recht betreffende de obligatoire overeenkomst (het contractenrecht) wordt beheerst door een drietal grondbeginselen: de contractsvrijheid, de vormvrijheid (het consensualisme) en de verbindende kracht van de overeenkomst (pacta sunt servanda). 

    16. Partijen en hun hoedanigheid

    De wet geeft één regeling van het rechtshandelingen- en overeenkomstenrecht. die van toepassing is op alle soorten contractspartijen. 

    • Een belangrijke uitzondering biedt Algemene voorwaarden. Daarin wordt aan de consument een extra bescherming verleend in de vorm van een zwarte en grijze lijst, terwijl bepaalde grote contractanten juist van het algemene beschermingsstelsel worden uitgesloten. De verder te constateren uniformiteit neemt niet weg, dat de wetgever met name in zijn regeling van het wilsgebrek misbruik van omstandigheden aandacht toont voor de persoonlijke omstandigheden van de handelende. 
  • 1.4 Afrondende algemene opmerkingen
    18. Kenbronnen

    Kenbronnen van het burgerlijk recht zijn de wet, de rechtspraak en de literatuur. Een belangrijke bron van informatie die hiermee op zichzelf nog niet is genoemd, is de parlementaire geschiedenis van het wetboek. Men zou kunnen zeggen dat deze parlementaire geschiedenis van het wetboek een tussenpositie inneemt tussen wet en literatuur.

    18a. Europese richtlijnen

    De organen van de EU stellen geregeld richtlijnen vast die voor het burgerlijk recht relevant zijn. Rechtshandeling en overeenkomst werd door dit richtlijnenrecht aanvankelijk nauwelijks beïnvloed. De laatste jaren echter zijn verschillende Europese richtlijnen verschenen die aan de kern van het overeenkomstenrecht raken. Te noemen zijn de richtlijnen mbt oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, de elektronische handel (e-commerce), de rechtsmiddelen bij consumentenkoop en de consumentenrechten.

    Zulke richtlijnen hebben geen directe horizontale werking: een burger kan zich er in een conflict met een andere burger niet rechtstreeks op beroepen. Een Europese richtlijn werkt langs indirecte weg. Zij is gericht tot de lidstaten als zodanig. Op de aldus ontwikkelde nationale wet kan de burger zich uiteraard wél jegens anderen beroepen.
  • H2 Totstandkoming
    24. De rechtshandeling als wilsverklaring

    Het inzicht dat de rechtshandeling keuzevrijheid van het individu veronderstelt heeft de rechtswetenschap geïnspireerd tot de theorie van de wilsverklaring, art. 3:33.

    Geheel onbestreden is de theorie van de wilsverklaring niet gebleven. De voornaamste kritiek keerde zich tegen de eenzijdige oriëntatie op de persoon die de rechtshandeling verricht en het gebrek aan aandacht voor de positie van de overigens bij de rechtshandeling betrokken persoon (wederpartij, geadresseerde, derden). Aan die kritiek is onze wetgever tegemoet gekomen zonder de voorstelling dat de rechtshandeling wilsverklaring is, prijs te geven.
  • 2.2.2 De verklaring
    26. Vorm van de verklaring

    Het eerste lid van art. 3:37 geeft uitdrukking aan het beginsel van het consensualisme: dat een wilsverklaring in iedere vorm kan geschieden, is regel; dat een bijzondere vorm in acht moet worden genomen, is uitzondering. Wat het gevolg is van de overtreding van een wettelijk vormvoorschrift, bepaalt art. 3:39.

    27. Stilzwijgende wilsverklaringen
    Volgens art. 3:37 lid 1 kunnen verklaringen ook in een of meer gedragingen besloten liggen. Met een handgebaar of een hoofdknik kan men zijn wil evengoed verklaren als met woorden. Men spreekt wel van 'stilzwijgende wilsverklaringen'. Ook zuivere passiviteit kan een verklaring inhouden. Dat men 'niets' deed, kan de betekenis van een rechtshandeling hebben. Steeds hangt het ervan af wat de wederpartij in de gegeven omstandigheden uit het gedrag redelijkerwijs mocht afleiden.
  • 28. Toerekening van verklaringen
    De in feite door A afgelegde verklaring geldt soms rechtens als een verklaring van B. Een dergelijke toerekening ligt besloten in het leerstuk van de vertegenwoordiging, maar doet zich ook daarbuiten voor, met name bij rechtspersonen.

    Tot het toerekeningsvraagstuk behoort ook het geval van de vervalste handtekening: de wederpartij neemt ogv de ondertekening van een schriftelijk stuk aan dat zij met een verklaring van X te doen heeft; achteraf blijkt echter dat ene Y de handtekening van X heeft vervalst. Onbevoegde vertegenwoordiging wordt besproken in H3.

    Een toerekeningsvraag die niet ziet op de persoon van het handelende rechtssubject, maar op de inhoud van zijn verklaring, is geregeld in art. 3:37 lid 4: wanneer een communicatiemiddel of bode een verklaring onjuist overbrengt, geldt de verminkte verklaring niettemin als een verklaring van de afzender. De gedachte is dat de afzender een andere wijze van overbrenging had kunnen kiezen - en dus ook een waarbij de kans op verminking minder groot zou zijn geweest - zodat het gerechtvaardigd is dat hij van de onjuiste overbrenging het risico draagt. Er geldt dan ook een uitzondering voor het geval de ontvanger de gevolgde wijze van overbrenging aan de afzender had voorgeschreven.
  • 29. Ontvangsttheorie
    Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt', aldus art. 3:37 lid 3. Dat betekent in de eerste plaats dat de verklaring die de wederpartij niet of niet tijdig bereikt, nimmer werking verkrijgt. De afzender heeft weliswaar zijn wil verklaard, maar hij heeft dat niet gedaan ten opzichte van zijn wederpartij.

    • Wat moet echter worden verstaan onder het 'bereiken' van de wederpartij? Indien het een schriftelijke verklaring betreft, staat 'bereiken' gelijk aan het ontvangen van de verklaring. Dit 'ontvangen' wordt in het arrest Centavos/Stichting Nieuwenhuis niet zuiver feitelijk, maar deels normatief opgevat. Indien er discussie ontstaat over de vraag of een verklaring is ontvangen, geldt dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt en dat de verklaring is aangekomen.
  • De tweede zin van art. 3:37 lid 3 nuanceert de eerste: een verklaring die de wederpartij niet of niet tijdig bereikte, heeft toch haar werking, indien het niet of niet tijdig bereiken het gevolg is 'van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt'. Men noemt dit deel wel de 'risicocorrectie'.

    Wat in geval van toepassing van de risicocorrectie het moment is waarop de rechtshandeling tot stand komt, zegt art. 3:37 niet. Voor het geval van een niet of niet tijdig ontvangen aanvaarding, gaat art. 6:224 uit van het tijdstip waarop de aanvaarding zonder de storende omstandigheid zou zijn ontvangen.
  • 2.3.3 De aanvaarding van het aanbod
    72. De aanvaarding

    De aanvaarding is het 'ja' van de wederpartij op het tot haar gerichte aanbod. Aanvaarding kan (a) in beginsel in iedere vorm geschieden, moet (b) worden gericht tot de aanbieder en moet (c) inhoudelijk overeenstemmen met het (d) nog geldige tot de wederpartij gerichte aanbod. 

    74. Werking van de te late aanvaarding

    Wanneer het aanbod door tijdsverloop reeds is vervallen, sorteert de aanvaarding in beginsel geen effect. Dat uitgangspunt geldt echter niet zonder uitzonderingen. De regeling van het verval van het aanbod door tijdsverloop strekt tot bescherming van de aanbieder. Wanneer de aanbieder zijn wederpartij ondanks het tijdsverloop aan diens aanvaarding wil houden, bestaat daartegen geen bezwaar, mits hij haar niet te lang in onzekerheid laat. De aanbieder kan daarom een te late aanvaarding toch als geldig gedaan laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij meedeelt (art. 6:223 lid 1).

    Een andere uitzondering behelst lid 2 van art. 6:223: indien de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat het voor de wederpartij onduidelijk was dat de aanvaarding te laat plaatsvond, geldt de aanvaarding als tijdig gedaan indien hij de wederpartij niet onverwijld meedeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.
  • 2.3.4 De precontractuele fase
    Hetgeen zich in de precontractuele fase tussen pp afspeelt, is relevant, zowel wanneer het inderdaad tot een overeenkomst komt, als wanneer de onderhandelingen voortijdig worden afgebroken. In het eerste geval is hetgeen voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst is voorgevallen, van groot belang voor de inhoud van de overeengekomene en afhankelijk van de omstandigheden, speelt het een belangrijke rol in het kader van bijvoorbeeld wilsgebreken. In het laatste geval, waarin de onderhandelingen worden afgebroken, kan bv. de vraag rijzen of en onder welke omstandigheden de ene partij tegenover de andere aanspraak kan maken op vergoeding van door haar gemaakte kosten.
  • 78. Toepasselijke normen; voorovereenkomst
    De verhouding tussen de pp bij een overeenkomst wordt bepaald door de inhoud, door de wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid. Welke normen beheersen echter de precontractuele fase?

    Lange tijd ging men ervan uit dat voordat een overeenkomst tot stand is gekomen, tussen pp geen andere normen gelden. Als maatstaf gold in deze opvatting de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, zoals die binnen het leerstuk van de OD figureert. Een belangrijke ommekeer in het denken over de precontractuele fase vormde de bekende overweging uit Baris/Riezenkamp, volgens welke 'partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een ovk, tot elkaar komen te staan in een bijzondere door de goede trouw beheerste rechtsverhouding, medebrengende dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij' (ipv goede trouw zouden wij nu spreken van redelijkheid en billijkheid). Sinds het arrest gaat men er algemeen van uit dat de precontractuele fase niet door de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162, maar door de (strengere) eisen van redelijkheid en billijkheid wordt geregeerd. 

    Pp kunnen bij voorafgaande ovk ook zelf regels voor de precontractuele fase geven. Een dergelijke 'voorovereenkomst' kan bv. inhouden dat bepaalde door de ene partij te maken kosten, zoals ontwerpkosten in het geval van onderhandelingen door de andere partij zullen worden vergoed.
  • 79. Rompovereenkomst
    Bestaat er reeds een overeenkomst, dan brengt het beginsel van de verbindende kracht immers mee dat men zich aan zijn gebondenheid aan het overeengekomene niet eenzijdig kan onttrekken; de precontractuele fase was reeds geëindigd.

    Beslissend is niet of pp nog over een of meer 'opengebleven punten' onderhandelen. Mbt hetgeen waarover wel reeds overeenstemming bereikt is, kan een 'rompovereenkomst' bestaan. Daarvoor zijn twee dingen nodig.
    1. In de eerste plaats - het volgt uit de bepaalbaarheidseis van art. 6:227 - moeten de punten waarover pp het eens zijn, ten minste de essentialia van de ovk omvatten. Anders gezegd, met behulp van wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid (art. 6:248) moeten de leemten die de overeenkomst vertoont, kunnen worden opgevuld.
    2. In de tweede plaats gaat het erom wat de bedoeling pp is, dwz dat nodig is dat pp elkaars verklaringen en gedragingen in de gegeven omstandigheden zo mogen begrijpen, dat zij aan het tot dan toe bereikte onderhandelingsresultaat inderdaad reeds gebonden zullen zijn. Voor de vaststelling van de bedoeling van pp zijn in het bijzonder twee gegevens van belang, nl. de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is en het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen.

    Breekt een van pp, na de totstandkoming van een rompovereenkomst, de onderhandelingen over de laatste nog overgebleven punten af, dan kan de ander in rechte nakoming van het overeengekomene vorderen. Met de 'gewone' overeenkomst bestaat slechts dit (graduele) verschil, dat men voor de vaststelling van de rechtsgevolgen van de rompovereenkomst veelal in ruimere mate een beroep zal moeten doen op de aanvullende bronnen van wet, gewoonte en redelijkheid en billijkheid van art. 6:248.
  • 80. De Plas/Valburg-doctrine
    Welke gevolgen verbonden zijn aan een afbreken van de onderhandelingen in het geval dat van een rompovereenkomst geen sprake is, wordt conform de eisen van redelijkheid en billijkheid bepaald. Maar wat eisen in een dergelijk geval redelijkheid en billijkheid? Zeer belangrijk is in dit verband de Plas/Valburg-doctrine.

    In het arrest Plas/Valburg stelt de HR het antwoord op de vraag wat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen afhankelijk van het stadium waarin de onderhandelingen op het moment van afbreken verkeerden. Volgens het arrest moeten drie stadia worden onderscheiden:
    (a) een eerste stadium, waarin het afbreken van de onderhandelingen zonder meer geoorloofd is;
    (b) een tweede stadium, waarin men weliswaar de onderhandelingen mag afbreken, maar niet zonder dat men bepaalde door de wederpartij gemaakte kosten voor zijn rekening neemt;
    (c) een derde stadium, waarin het afbreken zelf in strijd met redelijkheid en billijkheid is.
  • a. In het eerste stadium staat voorop dat een ieder vrij is zelf te beslissen of en met wie men een ovk aangaat (de 'negatieve' zijde van het beginsel van de contractsvrijheid); onderhandelingen afbreken mag derhalve.

    b. Soms gaat een afbreken van de onderhandelingen met de verschuldigdheid van schadevergoeding gepaard: de ene partij behoort bepaalde door de andere partij gemaakte kosten voor haar rekening te nemen. Veel omtrent dit tweede stadium is onhelder gebleven.

    c. In het derde stadium staat het een partij niet langer vrij de onderhandelingen nog af te breken. In dat stadium kan de wederpartij in rechte vorderen dat de onderhandelingen (op constructieve wijze) worden voortgezet; in plaats daarvan kan zij ook schadevergoeding vorderen. In een dergelijke situatie is ook plaats voor vergoeding van gederfde winst.
  • Het is vooral het derde stadium dat de Plas/Valburg-doctrine onderscheidt van hetgeen elders in de wereld als geldend recht wordt aanvaard; het is ook het derde stadium dat in de rechtspraak de meeste vragen heeft opgeroepen. Een gehoudenheid om verder te onderhandelen en een verplichting om gederfde winst te vergoeden zijn zeer verregaande inbreuken op het beginsel van de contractsvrijheid, die men in andere rechtsstelsels zo niet tegenkomt.

    Wanneer is, in de Plas/Valburg-doctrine, het derde stadium van de onderhandelingsfase bereikt, zodat het afbreken van de onderhandelingen niet langer geoorloofd is? Het arrest Plas/Valburg gaat ervan uit dat dit het geval is wanneer de wederpartij mocht vertrouwen dat enigerlei contract in ieder geval uit de onderhandelingen zou resulteren.
  • H3 Vertegenwoordiging en volmacht
    3.1 Vertegenwoordiging
    81. Inleiding

    Wanneer iemand als vertegenwoordiger voor een ander handelt, roept hij niet - en in ieder geval niet in de eerste plaats - rechtsgevolgen voor zichzelf, maar voor die ander (de vertegenwoordigde, de principaal) in het leven. De vertegenwoordiger valt er zelf in de verhouding tot de wederpartij als het ware tussenuit. 

    Twee elementen zijn essentieel voor vertegenwoordiging. Zij zijn beide in art. 3:60 lid 1 te vinden. De vertegenwoordiger moet de bevoegdheid tot vertegenwoordiging hebben. En: hij moet handelen in de hoedanigheid van de vertegenwoordiger of, zoals doorgaan (ook in art. 3:60) wordt gezegd, in naam van de principaal. Mijn broer verleent mij in de vorm van een volmacht de bevoegdheid om in zijn naam een fiets te kopen. Ik handel met de winkelier in naam van mijn broer en breng aldus een koop tussen hem en de winkelier tot stand.
  • Art. 3:60 is het eerste artikel van de titel Volmacht. De term vertegenwoordiging komen we pas tegen aan het eind van deze titel in de schakelbepaling van art. 3:78, maar een algemene regeling van de vertegenwoordiging ontbreekt. Dat roept de vraag op hoe volmacht en vertegenwoordiging zich tot elkaar verhouden. Het antwoord is dat volmacht een van de vele vormen van vertegenwoordiging is en wel die vorm waarbij de principaal de bevoegdheid tot vertegenwoordiging door een rechtshandeling (de volmachtverlening) aan de vertegenwoordiger verleent.
  • 82. Afbakening
    Van (eigenlijke, onmiddellijke, directe) vertegenwoordiging wordt doorgaans alleen gesproken, wanneer de vertegenwoordiger in naam van de principaal handelt. Het kan ook zijn dat iemand niet in naam, maar wel in opdracht en voor rekening van een principaal handelt: ik koop op eigen naam, maar in opdracht en voor rekening van mijn broer in een fietsenwinkel een fiets. Zie ook art. 7:414 lid 2, betreffende lastgeving ('De overeenkomst kan de lasthebber verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te handelen in naam van de lastgever.'). Handelt de tussenpersoon niet in naam van de principaal, dan is er in de gangbare benadering geen sprake van (onmiddellijke) vertegenwoordiging. Men pleegt over middellijke vertegenwoordiging te spreken.
  • In overeenstemming met de heersende leer heeft het begrip vertegenwoordiging alleen betrekking op rechtshandelingen. Bij andere handelingen en met name bij onrechtmatige daden is er geen sprake van vertegenwoordiging. De vraag kan worden gesteld of ook buiten de sfeer van de rechtshandeling en in het bijzonder in het kader van de onrechtmatige daad betekenis moet worden toegekend aan het handelen als vertegenwoordiger.

    Vooral twee vragen dienen zich hier aan:  
    (i) Is er een afgeleide aansprakelijkheid van de principaal voor onrechtmatige daden die de vertegenwoordiger in zijn hoedanigheid pleegt (bv. bedrog bij het sluiten een een ovk)? Deze vraag wordt nu in art. 6:172 bevestigend beantwoord.

    (ii) Is de principaal onder omstandigheden voor die daden als voor eigen daden op de voet van art. 6:162 aansprakelijk? Een bevestigende beantwoording van deze vraag ligt in de rede, wanneer de gedragingen van de vertegenwoordiger in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als gedragingen van de principaal.

    Bij de rechtshandelingen is er, in ieder geval binnen het vermogensrecht, geen beperking.
    • Niet alleen obligatoire overeenkomsten, maar ook eenzijdige rechtshandelingen als een opzegging van een overeenkomst kunnen door een vertegenwoordiger worden verricht. Vertegenwoordiging is niet beperkt tot het verbintenissenrecht.

    Samengevat kan de volgende definitie behulpzaam zijn: (directe) vertegenwoordiging is het verrichten van rechtshandelingen in naam van een ander door iemand die daartoe rechtens de bevoegdheid heeft (vertegenwoordigingsbevoegdheid), met het gevolg dat de rechtsgevolgen niet voor de handelende (vertegenwoordiger, tussenpersoon), maar voor de nader (vertegenwoordigde, principaal) intreden.

    • Deze definitie heeft een betrekkelijke bruikbaarheid. Het BW kent geen algemene regeling van de vertegenwoordiging. Kwalificeert men een rechtsfiguur als vertegenwoordiging, dan wordt daarmee niet een bepaald regelcomplex van toepassing. Wel kan op de voet van art. 3:78 de vraag rijzen of regels omtrent de volmacht bij wege van analogie van toepassing zijn. Zie nr. 86.
  • 85. Wettelijke regeling
    In het BW (titel 3.3) is een uitvoerige regeling van de volmacht opgenomen. Maar ons wetboek geeft niet een algemene regeling omtrent vertegenwoordiging.

    Men zou art. 6:172 betreffende de aansprakelijkheid voor fouten van vertegenwoordigers als een algemene bepaling omtrent vertegenwoordiging kunnen zien. Belangrijker zijn echter de schakelbepalingen art. 3:78 en 3:79. Als art. 3:78 enige bepalingen uit de Titel volmacht van overeenkomstige toepassing verklaart wanneer iemand optreedt als vertegenwoordiger uit anderen hoofde dan volmacht, dan worden daarmede die bepalingen in zekere zin - voor zover uit de wet niet anders voortvloeit - algemene bepalingen omtrent vertegenwoordiging.
  • 86. Schakelbepalingen
    Over de schakelbepalingen art. 3:78 en 3:79 nog het volgende.
    Art. 3:78 verklaart een aantal bepalingen uit de titel volmacht van overeenkomstige toepassing op andere vormen van vertegenwoordiging, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Wanneer een bestuurslid van een vereniging onbevoegd handelt voor de vereniging, is op de bekrachtiging door het bestuur art. 69 van overeenkomstige toepassing.

    Het artikel ziet op (onmiddellijke) vertegenwoordiging in het vermogensrecht. Het is een open bepaling die de wetstoepasser veel ruimte laat: niet alleen kan hij ingevolge de slotwoorden analogische toepassing van de genoemde artikelen achterwege laten, wanneer dit uit de wet voortvloeit, maar bovendien belet het artikel niet ook daarin niet genoemde bepalingen analogisch toe te passen.

    Art. 3:79 gaat over vertegenwoordiging buiten het vermogensrecht. De bepaling is zo open dat zij wellicht overbodig is: ook zonder deze bepaling zou analogische toepassing mogelijk zijn; maar een herinnering kan geen kwaad. Gedacht is hier aan het familierecht en aan het procesrecht.
  • 3.2 Volmacht
    3.2.1 Volmacht in het algemeen
    90. Begrip

    'Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.' Aldus art. 3:60 lid 1.

    Hiermee wordt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging omschreven, terwijl in nr. 82 het accent is gelegd op het handelen krachtens die bevoegdheid. Dat handelen komt in art. 3:66 aan de orde: het leidt ertoe dat de rechtshandeling in haar gevolgen de volmachtgever treft en dat de gevolmachtigde er tussenuit valt. 

    Zoals art. 3:60 lid 1 zegt, heeft volmacht betrekking op het verrichten van rechtshandelingen. Lid 2 van art. 3:60 bepaalt dat in de titel onder rechtshandeling het in ontvangst nemen van een verklaring is begrepen.
  • 91. In naam van
    Het vereiste van 'in naam van' moeten we niet formeel en letterlijk opvatten. Het gaat erom dat de tussenpersoon in hoedanigheid heeft gehandeld, dat hij niet zelf als partij is opgetreden. Klaarblijkelijk is dit ook de visie van de HR. Hij spreekt in het nog steeds belangrijke Kribbebijterarrest over 'het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dwz als wederpartij van die ander -'.

    De vraag of een volmacht is verleend en, zo ja, met welke inhoud, dient te worden beantwoord adhv de maatstaven van art. 3:33 en 3:35. Beslissend is hier volgens de HR hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend.

    • In het Kribbebijterarrest gaat het om de vraag of de commissionair Schiphoff dan wel diens opdrachtgever Lörsch als koper van een paard (de kribbebijter) moet worden aangemerkt. Het Hof zegt: Schiphoff. De HR laat dat oordeel in stand en tekent nog aan dat het Hof betekenis mocht toekennen aan de omstandigheid dat Schiphoff de overeenkomst als commissionair heeft gesloten, nu een commissionair een tussenpersoon is die in het algemeen in eigen naam tbv anderen koopt en verkoopt.
  • 92. Volmacht en lastgeving
    We hebben gezien dat in het oude BW volmacht en lastgeving niet scherp werden onderscheiden. Het huidige wetboek heeft hier de rechtsontwikkeling afgesloten: volmacht wordt geregeld in boek 3, lastgeving als species van de opdracht in boek 7. Art. 7:414 omschrijft de lastgeving als volgt:
    1. Lastgeving is de overeenkomst van opdracht waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten.
    2. De overeenkomst kan de lasthebber verplichten te handelen in eigen naam; zij kan ook verplichten te handelen in naam van de lastgever.

    Nu wordt het onderscheid tussen volmacht en lastgeving duidelijk. Bij volmachtverlening ontstaat er niet een verplichting tot handelen. Wie aan zijn of haar partner een volmacht verleen om over een bankrekening te beschikken, verplicht de gevolmachtigde niet tot het opnemen van gelden.

    Uit de omschrijving van de lastgeving vloeit voort dat er daar wel voor de lasthebber een verplichting tot handelen ontstaat. Maar als de ovk de lasthebber verplicht in eigen naam te handelen, ontstaat er niet een bevoegdheid tot vertegenwoordiging. Er is dus lastgeving zonder volmachtverlening, maar ook volmachtverlening zonder lastgeving mogelijk.
  • De gewone figuur is lastgeving met volmachtverlening. Ook daar zijn de beide elementen te onderscheiden. Als ik iemand opdracht geef om in mijn naam een boek te kopen, ontstaat er tweeërlei rechtsgevolg: de verplichting om te kopen en de bevoegdheid dat op mijn naam te doen. Anders gezegd: lastgeving is een obligatoire overeenkomst die in beginsel alleen intern tussen lastgever en lasthebber rechten en verplichtingen doet ontstaan; derden - met name wederpartijen met wie de lasthebber gaat handelen - staan buiten die overeenkomst. Volmacht is een rechtshandeling die ook wel tot interne, maar voornamelijk tot externe rechtsgevolgen leidt: als de gevolmachtigde in zijn hoedanigheid met een wederpartij handelt, ontstaan er rechtsgevolgen tussen die wederpartij en de volmachtgever.
  • 3.2.2 Volmachtverlening
    94. Volmachtverlening als rechtshandeling

    Volmachtverlening is een rechtshandeling, omdat de handeling gericht is op het tot stand brengen van een rechtsgevolg, namelijk de bevoegdheid tot vertegenwoordiging. Dat de volmachtverlening zelf een rechtshandeling is brengt mede dat daarop titel 2 (rechtshandelingen) van toepassing is.

    Meestal neemt men tegenwoordig aan dat de volmachtverlening een eenzijdige (gerichte) rechtshandeling is. Door de volmachtverlening op zichzelf ontstaat er, zolang de gevolmachtigde niet gaat handelen, in beginsel geen enkele verplichting voor de gevolmachtigde. Een verklaring van zijn kant dat hij de volmacht aanvaardt, is dus niet nodig. De volmachtverlening krijgt pas betekenis als de gevolmachtigde gaat handelen, en door dat handelen aanvaardt hij de volmacht. Overigens kan de gevolmachtigde de volmacht door opzegging beëindigen (art. 3:72 onder d).
  • 3.2.3 De positie van de wederpartij
    De bescherming van een eventueel vertrouwen van de wederpartij is in het kader van de volmachtverlening essentieel.
    De bescherming van het vertrouwen van de wederpartij is vervat in art. 3:61 lid 2: jegens een wederpartij die ogv een verklaring of gedraging van de principaal heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend, kan op de onjuistheid van deze veronderstelling geen beroep worden gedaan.

    Art. 3:61 lid 2 geeft, aldus de wetgever, een toepassing van de in die artikelen neergelegde algemene beginselen voor het geval een beroep op het ontbreken van een toereikende volmacht wordt gedaan.
  • 101. Hoofdzaken
    In art. 3:61 lid 2 is een tweetal hoofdelementen te onderkennen:
    (i) de wederpartij, die met de pseudogevolmachtigde heeft gehandeld, heeft aangenomen en heeft mogen aannemen dat er een toereikende volmacht was; en
    (ii) hij heeft zulks aangenomen op grond van verklaringen of gedragingen van de pseudovolmachtgever.    

    Bij het eerste vereiste gaat het om vertrouwen, bij het tweede om wat vaak het toedoenbeginsel wordt genoemd: niet het handelen van de tussenpersoon of andere omstandigheden zijn beslissend, maar een toedoen (verklaringen of gedragingen) van de pseudoprincipaal.   

    Niet vereist is dat de pseudoprincipaal van het opwekken van de schijn een verwijt kan worden gemaakt. De grondslag van de regel moet dus niet in schuld van de pseudoprincipaal worden gezocht, maar in het algemene ook elders in onze rechtsorde doorwerkende beginsel dat gerechtvaardigd vertrouwen behoort te worden beschermd.

    Als aan de vereisten van art. 3:61 lid 2 is voldaan, kan de principaal niet aan de wederpartij tegenwerpen dat er niet een toereikende volmacht was. De wederpartij komt aldus in zijn verhouding tot de principaal in de positie alsof er inderdaad een toereikende volmacht was.
  • 102. Vertrouwen
    De wederpartij krijgt bescherming, wanneer zij - ogv verklaringen of gedragingen van de pseudoprincipaal - heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Anders gezegd: wanneer zij heeft vertrouwd en mocht vertrouwen dat er een toereikende volmacht was.

    Een eerste element in deze formule is dat de wederpartij daadwerkelijk - ogv verklaringen of gedragingen van de pseudoprincipaal - heeft aangenomen dat er een volmacht was. Het gaat hier om een meer feitelijk element: heeft de wederpartij daadwerkelijk erop vertrouwd dat er een volmacht was?

    Daarnaast staat dan in aansluiting op art. 3:11 een normatief element: mocht de wederpartij in de gegeven omstandigheden aannemen dat er een volmacht was? Was zijn vertrouwen wel gerechtvaardigd? Hier kunnen we een verbinding leggen met de redelijkheid en billijkheid van art. 6:2.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waar ziet art. 3:34 BW op toe?
Dat een verklaring gemaakt onder een geestelijke stoornis niet overeenstemt met de wil en dat hierdoor geen overeenkomst tot stand gekomen kan zijn.
Wanneer is er sprake van oneigenlijke dwaling?
Wanneer de dwalende een onjuist voorstelling had van zaken. Bijvoorbeeld hij begreep het taalgebruik van de ander verkeerd, hierdoor heeft hij een andere voorstelling van zaken.
Waarom kun je stellen dat de wilsvertrouwensleer een situationele en rationele leer is?
Omdat je voor de wil en de verklaring niet alleen kijkt naar puur het taalgebruik wat de beide partijen gebruiken voor het sluiten van de overeenkomst, maar ook naar de gedragingen. Begrijpen zij elkaar en bedoelen ze allebei hetzelfde zelfs als de taal wijst op iets anders? Voor de wilsvertrouwensleer is alleen van belang dat ze elkaar begrijpen en hetzelfde bedoelen.
Naast de wilsvertrouwensleer kennen we nog drie andere leren die voor de wilsvertrouwensleer van kracht waren. Benoem deze.
- Wilsleer: alleen de interne wil van de handelende persoon is van belang
- Verklaringsleer: alleen de verklaring is van belang
- Vertrouwensleer: het vertrouwen van de wederpartij is hier van belang.
Hoe moet je het stelsel van 3:33 BW en 3:35 BW aanduiden?
Als de wilsvertrouwensleer
Wat is de 'cao-norm'?
s
Wat is de 'haviltexnorm'?
s
Wie kan een beroep doen op vernietigingsgrond uit art. 6:233 sub a en b?
In beginsel kunnen alle wederpartijen, consument of niet, zich op de vernietigingsgronden van art. 6:233 sub a en b beroepen.

Maar bepaalde (met name sterke) wederpartijen kunnen geen beroep doen op de vernietigingsgronden bedoeld in de art. 6:233-234, namelijk: a) een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:360, die ten tijde van de contractssluiting laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk art. 2:403 lid 1 is toegepast; en b) een andere partij, indien ten tijde van de contractssluiting bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn of op dat tijdstip uit een opgave krachtens de Handelsregisterwet 2007 blijkt dat bij haar vijftig of meer personen werkzaam zijn. 
---> Ad a. bedoeld art. 2:360 ziet met name op vier soorten rechtspersonen: coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, naamloze vennootschap en besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. 
---> art. 2:403 lid 1 ziet op tot een groep behorende maatschappijen.
Op welke wijzen kan de gebruiker aan zijn 'informatieplicht' voldoen?
1. Terhandstelling: hieronder valt ook - naast de werkelijke overhandiging - de toezending daarvan. De bewijslast ligt aan de gebruiker. De eis van terhandstelling vormt een uitwerking van het 'een redelijke mogelijkheid bieden' van art. 6:233 sub; geen tijd geven aan de wederpartij of gedrukt in zeer klein lettertype zodat het onleesbaar is, heeft dus niet 'ter hand gesteld' in de zin van art. 6:234 lid 1. 
2. Terbeschikkingstelling: wanneer terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk is, kan de gebruiker de in art. 6:233 sub b bedoelde mogelijkheid bieden door vóór de totstandkoming van de overeenkomst aan de wederpartij bekend te maken dat de voorwaarden bij hem ter inzage liggen of bij een bepaalde Kamer van Koophandel of de griffie van een gerecht zijn gedeponeerd, alsmede dat zij op verzoek zullen worden toegezonden.
---> de gebruiker moet mededelen: a) dat en waar de voorwaarden kunnen worden ingezien en b) dat hij ze op verzoek zal toezenden. Dit moet vóór de totstandkoming van de overeenkomst plaatsvinden.
3. Terbeschikkingstelling langs elektronische weg: de wet maakt hierbij onderscheid tussen gevallen waarin de overeenkomst zelf elektronisch tot stand komt - bijvoorbeeld per e-mail of via een website - en gevallen waarin dat niet zo is (zie lid 3). 
---> Als de overeenkomst zelf elektronisch wordt gesloten, dan mag de gebruiker de algemene voorwaarden zonder meer langs elektronische weg ter beschikking stellen; het moet wel door de wederpartij kunnen worden opgeslagen. Bovendien moet de gebruiker zelf initiatief nemen om dit aan de wederpartij ter beschikking te stellen. 
---> Als de overeenkomst niet elektronisch wordt gesloten (dus gewoon fysiek of per telefoon), dan is voor elektronische terbeschikkingstelling de uitdrukkelijke instemming van de wederpartij vereist (art. 6:234 lid 3).
Wat houdt een 'informatieplicht' in? En wat is het gevolg van schending van deze plicht?
Wanneer de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid geeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen, dan zijn alle betrokken bedingen vernietigbaar (art. 6:233 sub b).

Informatieplicht is een verplichting in oneigenlijke zin ('obliegenheit'). De gebruiker van algemene voorwaarden die deze informatieplicht schendt, pleegt daarmee geen wanprestatie of onrechtmatige daad, maar ondergraaft slechts de eigen rechtspositie, in die zin, dat hij zich blootstelt aan vernietiging van al zijn algemene voorwaarden door de wederpartij.