Summary Robbins basic pathology

-
ISBN-10 1437717810 ISBN-13 9781437717815
752 Flashcards & Notes
7 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Robbins basic pathology". The author(s) of the book is/are Vinay Kumar, Abul K Abbas, Jon C Aster artist, James A Perkins. The ISBN of the book is 9781437717815 or 1437717810. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Robbins basic pathology

  • 1 Hoofdstuk 1: Cellular Adaptations, Cell Injury and Cell Death

  • Doel vak

    • Parate kennis en inzicht verkrijgen in ziekten en de systematische
    classificatie daarvan
    • Inzicht en kennis verkrijgen in regelmechanismen van cel- en
    weefselgroei in fysiologische en pathologische processen
    • Inzicht en kennis verkrijgen in immunopathologie
    • Inzicht en kennis verkrijgen van pathofysiologische processen zoals
    bijvoorbeeld trombosering en infarcering
    • Inzicht en kennis verkrijgen van de etiologie, epidemiologie en
    registratie van kanker, de betrokken extracellulaire factoren alsmede de
    moleculaire en cellulaire mechanismen die hieraan ten grondslag liggen
    • Kennis verkrijgen van de gehanteerde diagnose- en behandel- technieken
    bij kanker, en de recente ontwikkelingen in het kankeronderzoek
    • Kennis verkrijgen van ziekten van organen, waaronder de belangrijkste
    ziekten van orgaansystemen zoals hart, longen en hersenen
    • Het ontwikkelen van competenties: biomedische kennis,
    wetenschappelijk inzicht, communicatie, presentatie, samenwerking en
    organisatie

    Inhoud vak

    Week 1: Algemene pathologische principes en mechanismen, zoals
    celschade, -dood, –herstel, ontsteking, trombose, infarct en shock.
    Week 2: Veel voorkomende ziekteprocessen van het immuunsysteem, hart en
    longen.
    Week 3: Deeltoets. Cellulaire en moleculaire mechanismen van het
    ontstaan van kanker. Epidemiologie, registratie en preventie van kanker.
    Nieuwe experimentele diagnostische en -therapeutische ontwikkelingen.
    Seminars over de klinische aspecten alsmede de meer basale aspecten van
    het huidige beleid en kankeronderzoek.
    Week 4-5: Integratie tussen oncologie en pathologie aan de hand van o.a.
    het hematopoïetische en lymphoïde systeem, gastrointestinale systeem,
    zenuwstelsel en urogenitale stelsel met nadruk op de betrokken
    genetische, celbiologische en immunologische processen.
    Verplichte practica zijn macroscopie en (digitale) microscopie van
    organen en ziektes alsmede moleculaire analyses t.b.v. oncologisch
    onderzoek. Facultatief zijn een bezoek aan de afdeling en een bezoek aan
    het Leids Anatomisch museum. Tevens zal in kleine groepjes een
    presentatie worden voorbereid en gegeven over een aantal
    biomaatschappelijke onderwerpen. Hiermee kan 0,5 bonuspunt voor het
    eindcijfer verdiend worden.

  • Op welke 3 manieren kun je iets zichtbaar maken?
    - histochemie: met kleuringen zoals Hematoxiline-eosine kleuring (kernen paars en cytoplasma roze)
    - immunohistochemie: Met een antilichaam detecteer je het eiwit van interesse. Een ander antilichaam detecteert dit antilichaam weer en bevat een kleurtje. het eiwit van interesse wordt hierdoor gekleurd.
    - enzymhistochemie: Met behulp van enzymen en substraten.
  • Pathologie – begrippen

    - Pathologie: bestudeert de structurele en functionele veranderingen in cellen, weefsels en organen bij ziekte.

    - Etiologie: de oorzaak van een ziekte. Dit kan intrinsiek/genetisch of extrinsiek/verworven zijn.

    - Pathogenese: de ontstaanswijze van de ziekte, in een sequentie van gebeurtenissen.

    - Morfologie: structurele veranderingen in cellen en weefsels

    - Pathofysiologie: het effect van de ziekte op het functioneren van de aangedane cellen/weefsels.

    - Hyperplasie: toename van het aantal cellen

    - Hypertrofie: toename van de grootte van de cellen

    - Atrofie: afname van de grootte van de cellen. Gaat vaak gepaard met afname van het aantal cellen.

    - Metaplasie: verandering van het weefsel waarbij het ene celtype door het andere wordt vervangen.

    Hyperplasie: kan plaatsvinden als de cel in staat is zich te delen.

    - Fysiologisch: veroorzaakt door een toegenomen lokale productie van groeifactoren, toename van

    groeifactorreceptoren of activatie van intracellulaire signalering. Naast de proliferatie van bestaande cellen worden

    ook nieuwe cellen uit stamcellen ontwikkeld.

    o Hormonaal: vergroot de capaciteit van een weefsel als dat nodig is. Bv de baarmoeder tijdens zwangerschap en

    borsten tijdens de puberteit.

    o Compensatoir: na grote schade aan of resectie van een weefsel.

    - Pathologisch: veroorzaakt door excessieve hormonale stimulatie of een teveel aan groeifactoren. Hyperplasie

    onderscheidt zich van kanker doordat er door mechanismen wel controle wordt uitgeoefend. In hyperplastische

    weefsels kan wel gemakkelijker kanker ontstaan. Het is belangrijk bij wondheling en ook bij virale infecties.

    Hypertrofie: veroorzaakt door een toename van celcomponenten, niet door celzwelling. Het ontstaat bij toegenomen

    vraag (bv als spieren meer worden gebruikt) of specifieke hormonale stimulatie (bij zwangerschap (oestrogeen) en

    lactatie (prolactine)).

    Mechanisme: bepaalde genen worden aangezet waardoor synthese van eiwitten plaatsvindt. In het hart zijn er

    mechanische triggers (rek) en trofische triggers (groeifactoren, vaso-actieve stoffen) die voor hypertrofie zorgen.

    Atrofie:

    - Fysiologisch: tijdens de embryonale ontwikkeling.

    - Pathologisch: de meest voorkomende oorzaken:

    o Inactiviteitsatrofie: bv bij gebroken been

    o Denervatieatrofie: door schade aan zenuwen

    o Ischemische atrofie: door bv trombose

    o Marantische atrofie: bij ondervoeding en bij afwezigheid van vetweefsel worden spieren als energiebron gebruikt

    (cachexia).

    o Verlies van trofische endocriene stimulatie: bv afname van oestrogeen na menopauze

    o Seniele atrofie: vooral hart en hersenen

    o Drukatrofie: bv een tumor die op andere weefsels drukt.

    - De cellulaire veranderingen zijn gelijk; er treedt een afname van celcomponenten (mitochondria, ER) op. Atrofie kan

    doorgaan tot cellen beschadigd raken en dood gaan.

    - Mechanisme: de disbalans tussen eiwitsynthese en –degradatie. Degradatie wordt veroorzaakt door lysosomen, dmv

    het ubiquitine-proteasoom-complex en hormonen. Bij atrofie komt vaak een toename van autofagische vacuolen voor;

    dit zijn vacuolen met celcompenten die vernietigd gaan worden door de lysosomen.

     

    Metaplasie: een celtype wordt vervangen door een ander celtype dat beter functioneert in een bepaalde stresssituatie.

    Het ontstaat door herprogrammering van stamcellen of ongedifferentieerde weefselcellen o.i.v. cytokines en

    groeifactoren. Voorbeelden:

    - In de luchtwegen veranderd bij rokers vaak het epitheel van columnair naar squamous. Dit laatste kan beter tegen de

    irritatie; een nadeel is dat de mucussecretie dan ontbreekt.

    - Barrett-oesophagus: verandering van squamous naar columnair bij reflux

    - Connective tissue metaplasia: de vorming van kraakbeen of vetweefsel in weefsel dat dat normaliter niet bevatten.

    Celbeschadiging: reversibel (als de stimulus weggehaald wordt) of irreversibel (wat kan leiden tot necrose of apoptose).

    - Oorzaken

    o Zuurstofverlies: hypoxie (te weinig zuurstof) of ischemie (verlies van bloedvoorziening waardoor te weinig

    zuurstof). Ischemische weefsels worden sneller en erger beschadigd dan hypoxische. Afhankelijk van de ernst

    van de hypoxie passen de cellen zich aan, beschadigen ze of gaan ze dood.

    o Fysische: traumata, hitte of elektrische schok.

    o Chemische oorzaken en drugs: bv glucose, zout, zuurstof, gif, alcohol, drugs.

    o Infectieuze oorzaken: bacteriën, schimmels etc.

    o Immunologische reacties

    o Genetische oorzaken: bv Down syndroom of sikkelcelanemie.

    o Voeding: bv anorexia of teveel voeding

    - Biochemische mechanismen: de reactie van de cel hangt af van het type beschadiging, de ernst en tijdsduur. De

    consequenties voor de cel hangen af van het type cel en de aanpasmogelijkheden. Celbeschadiging heeft effect op

    één van de essentiële celcomponenten: aerobische respiratie, celmembraan, eiwitsynthese, het sytosklet en het DNA.

    De volgende mechanismen zorgen voor celbeschadiging:

    o Tekort aan ATP: ATP is essentieel voor de meeste processen in de cel en wordt verkregen via oxidatieve

    fosforylering of glycolyse. Tekort aan ATP ontstaat bij hypoxie en chemische beschadiging en heeft de volgende

    effecten:

     Afname van de Na/K-pomp waardoor Na zich ophoopt in de cel en K buiten de cel  celzwelling en dilatatie

    van ER

     Anaerobe glycolyse neemt toe, de glycogeenvoorraad raakt op en melkzuur hoopt zich op

     Ca-pomp werkt niet meer  influx Ca  schade

     Ribosomen laten los  afname eiwitsynthese

     Eiwitten wordt niet goed opgevouwen  schade

    o Schade aan de mitochondriën: door te veel Ca in de cel, oxidatieve stress, afbraak van fosfolipiden en

    ophoping van vrije vetzuren. Als reactie op de schade wordt in het binnenste membraan een mitochondriale

    permeabiliteit transitie gevormd (kanaaltje) wat slecht is voor het membraanpotentiaal. Er lekt ook cytochroom c

    in het cytosol.

    o Influx van extracellulair calcium: door ischemie neemt de concentratie Ca in het cytoplasma toe en wordt de

    Ca uit de mitochondria en ER vrijgelaten. Hierdoor worden bepaalde enzymen geactiveerd (ATPase,

    fosfolipase, protease en endonuclease) die resp. ATP, fosfolipiden, mebraan- en cytoskeleteiwitten en

    DNA/chromatine afbreken. Ook wordt de permeabiliteit van de mitochondriën vergroot en wordt apoptose

    geïnduceerd.

    o Accumulatie van vrije radicalen (oxidatieve stress): bij de mitochondriale ademhaling ontstaan bijproducten,

    reactive oxygen species (ROS) of vrije radicalen. Als deze niet op tijd op worden geruimd ontstaat oxidatieve

    stress en celbeschadiging. Vrije radicalen kunnen op de volgende manier ontstaan:

     Absorptie van straling

     Enzymatische metabolisme van chemicaliën en drugs

     Reacties die tijdens normaal metabolisme plaatsvinden; er ontstaat dan O2-, H2O2 en OH.

     Metalen zoals ijzer en koper

     Stikstofoxide

    Reacties van de cel:

     Lipiden peroxidatie: van membranen waardoor peroxiden ontstaan die ook weer schadelijk voor de cel zijn.

     Oxidatieve modificatie van eiwitten: eiwitten worden geoxideeerd of gedegradeerd door proteasomen.

     Beschadiging van DNA

    Vrije radicalen verdwijnen meestal spontaan weer. Als dat niet het geval is, is er een aantal systemen:

     Antioxidanten: blokkeren de vorming of de activatie of beperken de schade. Bv vitamine E en A.

     De binding van transporteiwitten aan ijzer en koper

     Enzymen zoals catalase (breekt H2O2 af), superoxide dismutase (breekt superoxide (OH) af tot H2O) en

    glutathione peroxidase.

    o Defecten in de membraanpermeabiliteit: membraanschade kan ontstaan een tekort aan ATP of door activiteit

    van fosfolipase, maar kan ook direct beschadigen door:

     Disfunctie van mitochondriën: hierdoor neemt de fosfolipidensynthese af wat gevolgen heeft voor alle

    membranen. Tegelijkertijd wordt door toegenomen Ca in de cel fosfolipase geactiveerd (zie hierboven).

     Verlies van fosfolipiden

     Abnormaliteiten in het cytoskelet: door toename van Ca ( activatie proteasen)

     ROS

     Afbraakproducten van vetten: deze hebben een oplossend effect op membranen.

    Gevolgen van membraanschade zijn het verlies van de osmotische balans en het verlies van eiwitten, enzymen,

    metabolieten (welke weer nodig zijn voor de productie van ATP). Schade aan lysosoommembranen leidt tot het

    lekken en de activatie van de enzymen in het cytoplasma  enzymatische digestie.

    - Reversibele en irreversibele celbeschadiging: tot op zekere hoogte kan de cel regenereren als de beschadigende

    stimulus wegvalt. Als de stimulus niet stopt leidt dit tot irreversibele schade: schade aan membranen, zwelling van

    lysosomen, vacuolisatie van mitochondria (minder ATP), extracellulair Ca in de cel, verlies van eiwitten en

    metabolieten etc. Twee kenmerken van irreversibele schade zijn:

    o Het onvermogen om disfunctie van mitochondria op te heffen en

    o De ontwikkeling van storing in de membraanfunctie

    Het lekken van eiwitten en enzymen bij celschade kan terug worden gezien in het bloed (bv troponine bij hartinfarct).

    Reversibele schade kan een aantal kenmerken hebben die herkenbaar zijn onder de microscoop:

    o Celzwelling: als de cel de ionen- en vloeistof homeostase niet kan behouden door membraanschade

    o ‘Fatty Change’: bij hypoxische of toxische beschadiging; gekenmerkt door vetvacuolen in het cytoplasma.

    o Veranderingen in het plasmamembraan en mitochondriën, gedilateerd ER en veranderingen in de kern.

    - Necrose: necrose is het resultaat van denaturatie van intracellulaire eiwitten en enzymatische digestie van de cel. De

    enzymen hiervoor komen uit de lysosomen van de cel zelf (autolysis) of uit de lysosomen van leukocyten tijdens een

    ontsteking. Morfologische kenmerken:

    o Toename aantal eosinofielen

    o Vacuolen in het cytoplasma

    o Calcificatie van dode cellen, vervangen van dode cellen door myeline figuren

    o Nucleaire veranderingen: karyolysis (basofielen van de chromatine vervaagd), pyknosis (krimping van de kern,

    toename van basofielen), karyorrhexis (fragmentatie van de nucleus).

    Vier soorten necrose:

    o Coagulatieve: de cel blijft nog enkele dagen ‘intact’ door dat de acidose ook de enzymen blokkeert die voor de

    proteolyse van de cel zorgen. Uiteindelijk wordt de cel wel gefragmenteerd en gefagocyteerd door leukocyten. Bv

    hartinfarct.

    o Liquefactieve: de cel wordt compleet verteerd en het weefsel wordt vervangen door een vloeibare visceuze

    massa. Bv bij bacteriële of schimmelinfecties. Grangreneuze necrose: door verminderd bloedtoevoer

    o Caseuze: het weefsel krijgt een kaasachtig, wit uiterlijk. Bij TBC.

    o Vetnecrose: vetdestructie door geactiveerde pancreatische lipasen bij acute pancreatitis.

    - Voorbeelden van celbeschading en necrose:

    o Ischemie en hypoxie: Hypoxie houdt in dat er verminderd zuurstof aanwezig is; bij ischemie is er een

    verminderde bloedstroom door een obstructie. In contrast met ischemie kan bij hypoxie glycolyse lang doorgaan

    omdat de voedingsstoffen hiervoor beschikbaar blijven; bij ischemie raken deze snel uitgeput. Bij ischemie

    gebeurt het volgende:

     Geen oxidatieve fosforylering meer waardoor minder ATP  disfunctie van de Na/K-pomp

     Verlies van glycogeen

     Afname van eiwitsynthese

     Schade aan het cytoskelet

     Mitochondria zijn gezwollen, het ER gedilateerd

    Dit is allemaal reversibel, maar als de ischemie niet ophoudt beschadigen de membranen, zwellen de lysosomen

    en ontstaat er een influx van Ca de cel in  necrose of apoptose.

    o Ischemie-reperfusie beschadiging: als de bloedstroom hersteld wordt kan de schade soms groter worden. Dit

    komt door:

     Toegenomen generatie van zuurstof vrije radicalen

     ROS zorgen voor mitochondriale permeabiliteit transitie

     Ontsteking

     Activatie van het complementsysteem

    o Chemische beschadiging: sommige chemicaliën handelen direct door te combineren met een celcomponent; de

    grootste schade is dus ook in cellen die de chemicaliën gebruiken, absorberen, afscheiden of concentreren.

    Andere chemicaliën moeten geactiveerd worden tot toxische metabolieten.

     

    Apoptose: geprogrammeerde celdood waarbij de celinhoud niet uit de cel lekt en dus geen ontstekingsreactie ontstaat.

    - Oorzaken:

    Fysiologisch:

    o Cellen tijdens de embryogenese

    o Hormoon-afhankelijk, bv tijdens de menstruatie

    o In prolifererende celpopulaties, om excessieve celgroei tegen te gaan

    o Neutrofielen na een ontstekingsproces en lymfocyten na een immuunreactie

    o Eliminatie van mogelijk schadelijke lymfocyten

    o Geïnduceerd door cytotoxische T-cellen (virussen en tumorcellen)

    Pathologisch:

    o Als eliminatie van de cel beter is dan het riskeren van een mutatie door beschadigd DNA. Bv bij straling of

    cytostatica.

    o Door virale ziekten

    o Na obstructie (zoals in pancreas in nieren)

    o In tumoren

    o In situaties waarin ook necrose plaatsvindt.

    Morfologie:

    o Krimpen van de cel

    o Condensatie van chromatine

    o Vorming van cytoplasmatische ‘blebs’ en apoptotische lichamen

    o Fagocytose, meestal door macrofagen

    - Biochemische mechanismen:

    o Het klieven van eiwitten door caspasen, die wel eerst geactiveerd moeten worden

    o Afbraak van DNA

    o Herkenning door fagocyten: apoptotische cellen presenteren fosfofatidylserine in de buitenste laag van hun

    membraan doordat de fosfolipiden ‘geflipflopt’ zijn. Hierdoor worden de apoptotische cellen herkend voordat de

    cel lekt.

    - Mechanismen van apoptose: er zijn speciale genen geïndentificeerd die apotose remmen of stimuleren (ced

    genen). Er zijn twee verschillende manieren waarop apoptose verloopt:

    o Extrinsiek: death-receptors (bv TNF type 1 of FAS) binden een ligand waarna FADD zich bindt en pro-caspase-

    8/10 omgezet wordt in caspase-8/10. Deze stap wordt geinhibeerd door FLIP.

    o Intrinsiek: o.a. groeifactoren stimuleren stimuleren de productie van Bcl-2, anti-apoptotische eiwitten uit de

    mitochondriën en cytoplasma. Bij stress wordt Bcl-2 vervangen door de pro-apoptotische Bax/Bak/Bim waardoor

    de permeabiliteit van het membraan van de mitochondriën wordt vergroot en een aantal eiwitten uitlekt. Één

    daarvan is cytochroom c, dit eiwit activeert caspase-9.

    De caspasen zorgen voor de afbraak van de cel en de fagocyten ruimen de cel op.

    - Voorbeelden van apoptose

    o Bij verlies van groeifactoren; intrinsiek

    o DNA-schade: hierbij vindt accumulatie van het het tumor-suppressor gen p-53 plaats waardoor de celcyclus stopt

    en het DNA tijd heeft om zich te repareren. Als de reparatie niet lukt induceert p-53 apoptose.

    o Apoptose geïnduceerd door TNF-receptoren. TNF bindt zich aan TNFR1 waarna TRADD (Tnf Receptor

    Associated Death Domain) zich aan dit complex bindt. TRADD bindt aan FADD  apoptose. TNF activeert via

    het eiwit TRAF ook NF-??, dat celoverleving stimuleert. Afhankelijk van het eiwit dat TNF bindt (TRADD of TRAF)

    overleeft de cel of treedt apoptose op.

    o Cytotoxische T-cellen scheiden, als ze een antigeen herkennen, perforine uit. Hierdoor komt de protease

    granzyme B de cel binnen en worden caspasen geactiveerd.

    Disregulatie van apoptose kan leiden tot twee groepen ziekten:

    1. Defecte apoptose met toenemende celoverleving. Dit leidt tot kanker en auto-immuunziektes

    2. Toegenomen apoptose en celdood. Hiertoe behoren neurodegeneratieve ziektes, ischemische beschadiging (bv

    hartinfarct) en dood van virus-geinfecteerde cellen.

    De reactie van de cel op beschadiging

    - Lysosomaal catabolisme. Primaire lysosomen zijn intracellulaire organellen met enzymen; als deze fuseren met

    vacuolen met materiaal dat verteerd moet worden zijn het secundaire lysosomen of fagolysosomen.

    o Heterofagie: lysosomale digestie van extracellulair materiaal. Extracellulair materiaal wordt via endocytosis

    (pinocytosis of fagocytosis) opgenomen in de cel en in een vacuole ‘gestopt’; het heet dan een fagosoom. Hierna

    fuseert het met een lysosoom en wordt het materiaal gedigesteerd. Vooral bij neutrofielen en macrofagen.

    o Autofagie: lysosomale digestie van de celcomponenten van de cel zelf. Het materiaal wordt in een autofagische

    vacuole gestopt en fuseert met lysosomen tot een autofagolysosoom.

    Materiaal dat niet kan worden gedigesteerd (zoals sommige lipiden, maar ook lipofuscine of tattoos) blijft als residual

    body achter of wordt geexocyteerd.

    - Hypertrofie van glad ER: glad ER is betrokken bij het metabolisme van chemicaliën en als het ER hieraan wordt

    blootgesteld zal er hypertrofie optreden. Dit geldt bijvoorbeeld bij medicijnen waarbij een steeds hogere dosis nodig is.

    Cellen die aan één stof ‘gewend’ zijn hebben een toegenomen capaciteit om andere stoffen te verwerken.

    - Veranderingen in de mitochondriën: bij hypertrofie en atrofie zijn er meer/minder mitochondria. Mitochondria

    kunnen ook andere vormen aannemen, bv bij alcoholisme worden ze heel groot met abnormale vormen

    (megamitochondria).

    - Cytoskelet:

    o Dunne filamenten: essentieel voor de migratie van leukocyten en het uitvoeren van fagocytose. Sommige toxines

    en medicijnen hebben effect op deze filamenten

    o Microtubuli: zorgen voor de beweging van sperma en cilia en zijn ook essentieel voor de celdeling en voor de

    migratie van leukocyten en het uitvoeren van fagocytose.

    o Intermediaire filamenten: organiseren het cytoplasma en beschermen de cel tegen druk

    Cytoskelet-eiwitten zijn ook verbonden aan receptoren, zoals lymfocytreceptoren.

    Intracellulaire accumulaties: er zijn drie soorten accumulaties:

    1. Een teveel aan normale celinhoud

    2. Een exogeen of endogeen product

    3. Een pigment

    De stoffen hopen zich op doordat niet alles gemetaboliseerd kan worden of door een defect in metabolisme, transport of

    secretie.

    - Lipiden

    o Steatose/fatty change: accumulatie van triglyceriden, vooral in de lever (alcoholmisbruik) maar ook in hart,

    spieren en nieren. Het komt door een defect in de sequentie van vrije vetzuur tot lipoproteïne. Bij ernstige

    steatose kan de celfunctie aangetast worden. Morfologie: heldere vacuolen

    o Cholesterol:

     Atherosclerose: schuimcellen samen met gladde spiercellen en macrofagen in atherosclerotische plaques.

     Xanthomas: intracellulaire accumulatie van cholesterol in macrofagen

     Ontsteking en necrose: bij ontsteking zijn vaak schuimige macrofagen aanwezig die cholesterol hebben

    gefagocyteerd.

     Cholesterolosis: accumulatie van macrofagen met cholesterol in de galblaas.

     Niemann-Pick disease type C: accumulatie van cholesterol.

    - Eiwitten: ronde ‘droplets’ of vacuoles in het cytoplasma. Verschillende oorzaken:

    o In de proximale renale tubuli: bij proteinurie worden eiwiitten geresorbeerd in vesikels die fuseren met

    lysosomen.

    o Excessieve productie van normale eiwitten bij de productie van immunoglobulines

    o Defect in het vouwen van eiwitten: bij het vouwen ontstaan intermediaire eiwitten die gestabiliseerd worden

    door chaperones; als het vouwen dan nog niet lukt zorgen de chaperones ervoor dat de eiwitten gemakkelijk

    worden opgeruimd door proteasomen, nadat het is gemarkeerd door het eiwit ubiquitine. Een defect in het

    vouwen kan door de volgende oorzaken tot een ziekte leiden:

     Het leidt tot defect intracellulair transport en secretie van belangrijke eiwitten. Bij ?1-antitrypsine

    deficiëntie gaat het vouwen veel langzamer en hopen de intermediare eiwitten zicht op in het ER van de

    lever. Bij CF verliezen de eiwitten hun functie door verkeerd vouwen.

     Incorrect gevouwen eiwitten leiden in het ER tot de unfolded protein response: het aantal chaperones

    neemt toe, eiwittranslatie gaat langzamer en caspasen worden geactiveerd ( celdood) als het verkeerd

    vouwen niet ophoudt.

     Aggregatie van abnormale eiwitten waardoor normale functies worden verstoord.

    - Verandering in hyaline: intra- of extracellulaire veranderingen waardoor het weefsel een homogeen, glazig en roze

    uiterlijk krijgt. Het representeert niet een bepaalde accumulatie.

    - Glycogeen: glygoceen ziet er uit als heldere vacuolen in het cytoplasma. Bij DM bevindt zich ook glycogeen in de

    nieren, lever en ?-cellen van de pancreas.

    - Pigment:

    o Exogeen: koolstof (door luchtvervuiling) waardoor longen en lymfeknopen zwart worden (anthracosis). Bij

    tatoeages wordt de inkt gefagocyteerd door macrofagen van de huid die vervolgens het hele leven blijven

    zitten.

    o Endogeen:

     Lipofuscine: verouderingspigment dat bestaat uit lipiden en fosfolipiden, geel/bruin, een teken van vrije

    radicalenbeschadiging en lipide peroxidatie. Vooral bij oudere mensen en bij kankercachexia.

     Melanine: bruin/zwart, niet van hemoglobine afkomstig

     Hemosiderine: van Hb afkomstig, goud/geel/bruin, in deze vorm wordt ijzer in cellen opgeslagen als er

    teveel aanwezig is (normaal is het opslagen als ferritine). Te veel ijzer wordt veroorzaakt door bloedingen

    en bv bij een blauwe plek. Bij hemosiderosis is er continu te veel ijzer door dieet, verkeerd gebruik van

    ijzer, anemie of bloedtransfusies.

     Bilirubine: afkomstig van Hb, in gal.

    Pathologische calcificatie

    - Dystrofische calcificatie: in necrotische weefsele, bij atherosclerose en beschadigde hartkleppen. Pathogenesis: de

    initiatie begint intracellulair in de mitochondria van dode cellen die Ca accumuleren en extracellulair in vesikels met

    fosfolipiden. Vervolgens vindt er propagatie plaats, afhankelijk van de concentratie Ca en PO4 en de aanwezigheid

    van remmende eiwitten.

    - Metastatische calcificatie: bij hypercalciëmie door: toename van PTH-secretie ( botresorptie), vernietiging van

    botweefsel (bij tumoren/metastasen), vitamine D-deficiënties of nierfalen.

    Cellulaire veroudering:

    - Structurele en biochemische veranderingen:

    o Afname oxidatieve fosforylering

    o Afname synthese eiwitten, receptoren, nucleïnezuren etc.

    o Afname capaciteit reparatie DNA-schade en opname voedingsstoffen

    o Accumulatie lipofuscine

    o Oxidatieve schade, advanced glycation end products en abnormaal gevouwen eiwitten

    - Oudere cellen kunnen zich minder vaak delen; alle cellen eindigen in een staat waarin ze niet meer kunnen delen.

    - Telomeren (TTAGGG) zitten aan het eind van de chromosomen en zorgen ervoor dat de replicatie voltooid wordt en

    dat chromosomen niet fuseren.

    - End replication problem: het laatste deel van de telomeer wordt niet gekopieerd waardoor ze steeds iets korter

    worden. Daarvoor voegt telomerase nucleotiden toe. Telomerase zit alleen in stam- en kiemcellen.

    - Genen die het proces beïnvloeden: in ieder geval de IGF-1 receptor

    - Accumulatie van metabolische en genetische schade: door ROS, zuurstofradicalen etc. DNA kan wel gerepareerd

    worden. Bij het Werner syndroom is er een defect in DNA helicase (eiwit betrokken bij replicatie en reparatie)

    waardoor DNA-schade niet gerepareerd wordt en patiënten veel sneller oud worden.

  • Er is een evenwicht tussen het intra en het  extra cellulaire milieu.Een verandering hierop zorgt ervoor dat de cel gaat reageren. 
  • Wat is het verschil tussen fysiologische en pathologische stimuli?
    Bij fysiologische stimuli zijn de veranderingen binnen bepaalde grenzen en zijn ze natuurlijk. Bijvoorbeeld door sporten. Bij pathologische grenzen vallen ze buiten deze grenzen. Hierdoor kan de cel zich er niet meer op aanpassen. 
  • Wat voor soort verschillende pathologische stimuli zijn er allemaal? (7)
    - genetische stimuli: chromosomale defecten bv.
    - voedingsstimuli: 
    - stimuli vanuit het immuunsysteem: vb autoimmuniteit.
    - stimuli vanuit het endocrien systeem: deficientie van hormonen (VB)
    - fysieke stimuli: straling bv
    - infectieve stimuli
    - anoxia stimuli: stimuli die te maken hebben met een verandering in de hoeveelheid zuurstof. 
  • Waar kun je allemaal problemen mee krijgen door overvoeding? (10)
    - longziekten
    - leverziekten
    - galblaasziekten
    - gynocologische abnormaliteiten
    - arthritis
    - huidproblemen
    - jicht
    - kanker
    - harkziekten
    - hoge bloeddruk
  • Wat voor soort pathologische stimuli hebben we bijvoorbeeld als het gaat om genetische aanleg? (2)
    - melanocortine 4 receptor: Deze receptor functioneert dan niet goed, waardoor er sprake is van overgewicht.
    - leptine en de leptine receptor: Te weinig leptine
  • medicijnen kunnen ook een pathologische stimulus zijn. De stof zelf of een metaboliet kan toxisch zijn. Bij een paracetamol bijvoorbeeld. Als er wat gebeurt dan is er sprake van leverschade. Cytochroom P450 speelt hier een belangrijke rol bij. 
  • Wat is hypoxie en wat is anoxie?
    hypoxie: te weinig zuurstof
    anoxie: helemaal geen zuurstof
  • wat is oxidatieve stress?
    Teveel zuurstof (ROS)
  • Wat kunnen de oorzaken zijn van hypoxie? (4)
    - CO- vergiftiging
    - bloedarmoede (laag hB)
    - ademhalingsstoornissen
    - hoogteziekten

  • Wat is ischemie?
    Te weinig zuurstof door te weinig bloedaanvoer. Afsluiting van arterie en vene. Door stolsels of stuwing.
  • Hoe vindt de celbeschadiging plaats? (3 dingen)
    - Door directe interactie met celcomponenten zoals mitochondrien, cytoskelet of DNA. (chemicalien of virussen)
    - Productie van grote hoeveelheden radicalen.
    - omzeilen van celdood routes (apoptose) en daardoor uitlokken immuungemedieerde schade. 
  • Wat zijn de belangrijkste aangrijpingspunten in de cel voor celschade? (4)
    - mitochondriale schade
    - Instroom van Calcium.
    - membraanschade
    - fout bij het opvouwen van eiwitten.
  • wat is het verschil tussen cellen in de tijd dat ze zonder zuurstof kunnen overleven?
    Neuronen kunnen in principe niet zonder zuurstof. Hartspiercellen kunnen dit 1 tot 2 uur. Spiercellen kunnen dit een aantal uren. Er vindt metabole capaciteit plaats om ATP depletie en CA influx en radicaal schade te beperken. 
  • Wat is kortgezegd de cellulaire stressreactie?
    Dit is een reactie die als doel heeft om te overleven door een serie metabole veranderingen. Er vindt een downregulatie van gewone huishoudgenen plaats en een upregulatie van heat shock eiwitten en ubiquitine eiwitten plaats. Het is dus een snelle respons om de schade te beperken en de levensvatbaarheid van de cel veilig te stellen. 
  • Wat zijn heat shock proteins (HSP)? 3 functies:
    Dit zijn een soort van chaperones die zorgen voor bescherming van cellulaire structurele eiwitten. 
    De functies zijn:
    - binden aan beschadigde eiwitten; reparatie
    - binding aan normale eiwitten bescherming tegen beschadiging.
    - helpen bij correcte vouwing. 
  • Wat is de rol van ubiquitine bij de cellulaire stressreactie?
    geactiveerd ubiquitine bindt aan een beschadigd eiwit. Dit bindt aan een protease. En dit zorgt er weer voor dat het in het proteosoom wordt afgebroken. 
  • wat is proteolyse?
    De biologische afbraak van eiwitten door enzymen.
  • Wat is een proteasoom?
    Dit is cruciaal in de cel homeostase, respons op stress en aanpassing op veranderd extracellulair milieu. 

  • Wat is het verschil tussen een proteosoom en een lysosoom?
    Een proteosoom doet meer aan autofagie en dingen van binnen uit de cel en een lysosoom doet meer aan dingen afbreken van buitenuit de cel. Deze zitten dan ook meer op het celmembraan.
  • Wat gebeurt er na de stressreactie van cellen?
    Adaptatie
  • Op welke 3 manieren kan een cel zich aanpassen?
    - verhoogde activiteit: hyperplasie en hypertrofie
    - verlaagde activiteit: atrofie en involutie
    - wijziging van de celmorfologie (differentiatie)
    metaplasie en dysplasie

  • Wat is hypertrofie?
    Hierdoor wordt het volume van cellen vergroot. Dit kan zowel fysiologisch als pathologisch. Het gebeurt voornamelijk in cellen die niet zo goed kunnen delen zoals neuronen, spiercellen. De metabolisme gaat omhoog en er worden meer intracellulaire eiwitten gemaakt. Ook verhoogde aanmaak van RNA nodig voor de eiwitsynthese. 
  • Wat is hyperplasie?
    Dit is een toename in het aantal cellen. Het vindt alleen plaats in weefsel dat in staat is tot celdeling. hormonale invloeden zijn hierbij belangrijk. Hyperplasie kan ook samengaan met hypertrofie, maar nooit andersom. 
  • Hyperplasie en hypertrofie zijn reversibele reacties. Als de stimulus wordt weggenomen dan ontstaat het oorspronkelijke weefsel weer. 
  • Wat is atrofie?
    Dit is een afname van cellen door verminderde activiteit. De afbraak van de eiwitten vindt hierbij plaats via ubiquitine/proteasoom. De afbraak van organellen vindt dus plaats via autofagie. 
  • Wat is involutie?
    Dit is een afname van het aantal cellen. Bestaande cellen sterven af door apoptose. 
  • Wat zijn voorbeelden van atrofie? (3)
    - immobilisatie (vb gebroken ledematen)
    - ischemie
    - verwijdering hormoonproducerend orgaan. Denk aan hypofyse en bijnierschors.

  • Wat is autofagie?
    Dit is een aanpassing aan ongunstige omstandigheden met afbraak van celorganellen. Het wordt afgevoerd via een lysosomaal afbraaksysteem in de cel.

  • De gevolgen van atrofie en involutie zijn vaak achteraf nog zichtbaar aan de morfologie. 
  • hoe vindt autofagie precies plaats? (6 stappen)
    -een aangetast organel wordt ingesloten door een membraan van het ER.
    - Er ontstaat hierdoor een vroeg autofagosoom
    - Een lysosomale hydrolase gaat samen met het vroeg autofagosoom.
    - Hierdoor ontstaat er een tubulovesiculair lichaampje.
    - Dit verandert in een laat autofagosoom
    - Als laatste ontstaat er een restlichaampje.
  • Wat is een kenmerk van een restlichaampje?
    Dit kan moeilijk afbreekbaar materiaal bevatten zoals lipofuscine. Dit is lipidenrijk materiaal. Ze hebben vaak ook een hogere elektronendichtheid. Dit lipofuscine is goed zichtbaar na afloop.
  • Celatrofie en involutie kan ook tegelijk plaatsvinden. Zowel atrofie als involutie is reversibel. 
  • Wat is metaplasie?
    De cel verandert hierbij in een ander stabiel celtype. Bv door roken. hierbij wordt trilhaarepiteel vervangen door plaveiselepitheel. Dit vindt vooral in epitheelweefsels plaats. metaplasie kan ook samengaan met hyperplasie.
  • Wat is dysplasie?
    hierbij gaan cellen over naar een iets minder stabiel celtype. er is hierbij variatie in celgrootte, nucleaire vergroting, het ziet er allemaal een beetje rommelig uit. 
  • Waar komt dysplasie veel voor?
    Het komt veel voor in hyperplastische weefsels zoals longen, cervix en slokdarm. maar ook de darmen. het is reversibel maar wel een link naar kankervorming. Dysplastische cellen zijn niet autonoom in tegenstelling tot tumorcellen. 
  • De cel adaptatie vindt plaats onder invloed van groeifactoren. Deze controleren de celgroei, stimuleren of remmen de signaal pathways, 
  • Door welke 3 dingen vindt de groeiadaptatie plaats?
    - verandering van de concentratie groeifactor
    - verandering van de expressie receptoren
    - verandering van de stimulatie signaaltransductie.
  • Welke 3 soorten mechanismen van celschade zijn er?
    - Een depletie van ATP/ mitochondriele schade
    - Een influx van calcium
    - Accumulatie van ROS/ oxidatieve schade
  • Wat gebeurt er zoal bij een tekort aan ATP? (5 pathways)
    - Falen van de eiwitsynthese
    - Zwelling van de mitochondrien waardoor er apoptose plaatsvindt (oiv cytochroom C)
    - falen van membraangebonden calciumpompen waardoor er calcium in het cytoplasma komt en er activatie van fosfolipasen plaatsvindt, waardoor er membraanbeschadiging optreedt. Deze membraanbeschadiging zorgt ook voor het vrijmaken van lysosomale enzymen waardoor er ook necrose kan optreden. 
    - overschakeling op anaeroob metabolisme. Hierdoor vindt er uiteindelijk necrose plaats.
    - falen van de membraangebonden na/k-atpAse pomp hierdoor gaat het ER opzwellen. 
  • Wat is vacuolisatie en waardoor kan het veroorzaakt worden?
    Bij vacuolisatie komt er water de cel binnen en vormt zo een vacuole. Dit kan bijvoorbeeld komen door een defecte Na/K pomp of Ca pomp. Hierdoor wordt water aangetrokken in de cel. De cel en de interne celmembranen gaan opzwellen. Maar de kern blijft op zn plaats.
  • Wat gebeurt er precies als calcium zich ophoopt in een cel? (3)
    Calcium hoopt zich op in mitochondrien, het lumen van het ER, en zit gebonden aan calciumeiwitten. Bij cel beschadiging komt dit vrij. Dit zorgt voor:
    - activatie van proteinkinasen wat weer zorgt voor fosforylering van eiwit.
    - activatie van fosfolipasen wat weer zorgt voor membraanbeschadiging.
    - activatie van proteasen wat weer zorgt voor het uiteenvallen van het cytoskelet.
    Dit alles zorgt voor celdood.
  • Welke zuurstofradicalen (ROS) kennen we?
    - superoxide anion (O2-)
    - waterstofperoxide (H2O2)
    - hydroxiel radicaal (OH.)

  • Wat is er zo erg aan radicalen?
    Ze hebben een hele korte levensduur wat betekent dat ze reageren met alles wat ze het eerste tegenkomen.

  • Wat is oxidatieve stress?
    Dit is een overmaat van vrije zuurstofradicalen door bijv. verhoogde productie. 
  • Welke cellen produceren veel zuurstofradicalen?
    neutrofielen en macrofagen. Dit omdat deze cellen ziekteverwekkers moeten kunnen uitschakelen.
  • Via welke 2 routes vindt ROS productie plaats?
    - Via het mitochondrium: in alle cellen.
    - In leukocyten gebeurt het ook via een fagosoom. Hierin zit het enzym fagocyt oxidase die een superoxide produceert. Dit kan worden omgezet naar vrije zuurstofradicalen.
  • Wat kan ROS allemaal beschadigen? (3 dingen)
    - Als het reageert met thiol (SH) groepen in eiwitten dan worden de intracellulaire eiwitten beschadigt. (membraanpompen)
    - Het kan het DNA beschadigen waardoor er een tekort komt in de aanmaak van nieuwe eiwitten.
    - Het kan de mitochondrien beschadigen waardoor er een calcium influx plaatsvindt in de cel.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Op welke manieren worden de hersenen allemaal beschermd? (4)
- schedel
- BBB: veel tight junctions tussen de epitheelcellen.
- 3 vliezen (meninges) Tussen de schedel en de hersenen
- vocht tussen de schedel en de vliezen. 
Op welke 3 manieren zorgt de BBB voor bescherming? (3)
- tight junctions: beschermt tegen eiwitten.
- bassaal membraan: 
- uitlopers van gliacellen: zij vormen een soort van pootjes om de cappilairen heen die het geheel nog wat strakker aantrekken. 
Wat voor soorten hersencellen hebben we zoal? (2)
- neuronen
- gliacellen


Wat voor soort neurotransmitters kennen we zoal? (7)
- acetylcholine
- dopamine
- noradrenaline
- adrenaline
- GABA
- endorfine
- serotonine
Wat is de reactie op weefselschade in de hersenen? (3)
- influx van macrofagen
- vasculaire profliferatie
- reactieve gliose
Wat zijn de kortetermijngevolgen van een beroerte? (3)
- verlammingen
- uitval van een gezichtveld
- problemen met spreken (afasie)
Wat zijn de systemische symptomen van meningitis? (2)
- septische shock
- stolling bloedvaten,  necrose
Wat zijn de direct merkbare symptomen van een hersenvliesontsteking? (3)
- nekstijfheid
- hoofdpijn
- koorts
Daarnaast ook: overgevoeligheid voor licht en geluid, verwardheid, braken, bewustzijnsverlies
Wat zijn de klachten bij Creutzfeld-Jakob? (3)
- geheugenverlies
- ataxie (evenwichtsstoornissen)
- stijfheid

Wat zijn de symptomen van MS? (8)
- niet kunnen concentreren
- pijn in gezicht of ledematen
- hele dag moe
- zware benen
- weinig kracht in armen of benen.
- tintelingen in armen, handen, benen of voeten
- dubbel zien of wazig zien
- moeite met dingen onthouden.