Summary Ross and Wilson Anatomie en Fysiologie in gezondheid en ziekte - E-Book

-
ISBN-10 0702076236 ISBN-13 9780702076237
282 Flashcards & Notes
12 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Ross and Wilson Anatomie en Fysiologie in gezondheid en ziekte - E-Book". The author(s) of the book is/are Anne Waugh Allison Grant. The ISBN of the book is 9780702076237 or 0702076236. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Ross and Wilson Anatomie en Fysiologie in gezondheid en ziekte - E-Book

  • 1 inleiding tot het menselijk lichaam

  • Noem de complexiteitsniveaus van het lichaam.
    -scheikundig niveau (atomen), celniveau (spiercel), weefselniveau (spierweefsel), orgaan niveau (maag), stelselniveau (spijsverteringsstelsel)
  • Ewta
    Pvo
  • Welke orgaanstelsels heeft het lichaam?
    1. Zenuwstelsel
    2. Hormoonstelsel
    3. Huid
    4. Beenderstelsel
    5. spierstelsel
    6. Cardio vasculaire stelsel
    7. Lymfestelsel
    8. Ademhalingsstelsel
    9. Spijsverteringsstelsel
    10. Urinaire stelsel
    11. Voortplantingsstelsel 
  • Een definitie geven van de begrippen ‘milieu intérieur’ en ‘homeostase’.

    Homeostase is het proces waarbij organismen het interne milieu van chemische en fysische processen in evenwicht houden, ondanks veranderingen in de omgeving waarin het organisme zich bevindt.
    Milieu interieur: de samenstelling (het milieu) van de extracellulaire lichaamsvloeistoffen in een meercellig organisme.
    Het milieu intérieur is het vocht dat de lichaamscellen omspoelt. Men noemt dit de interstitiële of weefselvloeistof. De samenstelling van het milieu intérieur wordt uiterst nauwkeurig gereguleerd. Hierdoor ontstaat een relatief stabiele toestand die we homeostase noemen
  • Benoem de twee soorten vloeistoffen
    Intracellulaire vloeistof (in de cel)
    Extracellulaire vloeistof (buiten de cel)
  • Uitleg van negatieve en positieve feedback.
    Negatieve feedbackmechanismen: mechanismen die zorgen voor een tegengestelde reactie.
    Positieve feedbackmechanismen: mechanismen die zorgen dat de prikkel wordt versterkt. Als een variable stijgt laat het mechanisme het nog meer stijgen.
  • Beschrijf globaal de transportsystemen in het lichaam
    Via bloedvaten transporteert het bloed stoffen door het hele lichaam. Je hebt plasma: vloeistof dat voornamelijk bestaat uit water met daarin opgeloste stoffen. En bloedcellen: 1) erytrocyten, rode bloedcellen, vervoeren zuurstof. 2) leukocyten, witte bloedcellen, beschermt het lichaam tegen infecites enz. 3) trombocyten, bloedplaatjes, voor bloedstolling.
  • De functies van het zenuwstelsel en het endocriene stelsel van interne communicatie globaal beschrijven.
    Ze handhaven de homeostase en reguleren vitale lichaamsfuncties. Het zenuwstelsel is een snel werkend communicatiesysteem, bestaand uit het centrale zenuwstelsel (hersenen, ruggenmerg), het perifere zenuwstelsel (sensorische en motorische zenuwen) en de somatische zintuigen (pijn, tast, warmte, koudheid).
    het endocriene stelsel bestaat uit een stelsel van afzonderlijke klieren die verspreid door het lichaam liggen. Deze klieren scheiden hormonen af in het bloed.
  • Hoe absorbeert het lichaam stoffen?
    Het absorberen van stoffen door het lichaam gaat via de ademhalingswegen en spijsverteringssystemen, beiden respectievelijk verantwoord voor opname van zuurstof en voedsel.
  • Welke afvalstoffen worden door het lichaam verwijdert?
    Koolstofdioxide, urine, feces (spijsverteringstelsel).
  • Benoem de activiteiten die een individu onderneemt ter overleving en ter bescherming
    De huid beschermt ons tegen het externe milieu, weerstand/immuniteit tegen infecties, lichaamsbewegingen die onder invloed zijn van de wil/het bewustzijn, behoud van soort, hierbij is het nodig om de erfelijke eigenschappen door te geven aan een nieuwe generatie doormiddel van voortplanting. Macrofagen, doden alle ziekteverwekkers. Slijm, hier plakken alle ziekteverwekkers aan vast.
  • · Geef een opsomming van mechanismen die vaak tot ziekte leiden
    bacteriën en andere microben en kankercellen of cellen van getransplanteerd weefsel, genetische afwijkingen, chemicaliën, ioniserende straling, fysieke straling, fysieke trauma, degeneratie.
  • definitie geven van de termen etiologie, pathogenese en prognose
    Etiologie: Oorzaak van een specifieke ziekte of aandoening. Pathogenese: in de geneeskunde het meestal stapsgewijze ontstaan, ontwikkelen en verloop van een aandoening of ziekte. Prognose: Prognose: het vermoedelijke verloop en uitkomst van een ziekte.
  • Benoem het proces van diffusie en osmose
    Diffusie: Diffusie is het proces waarbij opgeloste stoffen in een waterig milieu zich verplaatsen (diffunderen) van een gebied met een hoge concentratie opgeloste stoffen naar een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen. Osmose: Osmose is diffusie van water (door een semi-permeabel membraan). Bij osmose stroomt het water van een gebied met een lage concentratie opgeloste stoffen naar een gebied met een hoge concentratie opgeloste stoffen. Door deze waterverplaatsing wordt de oplossing die water verliest geconcentreerder, dus stijgt de osmotische waarde en wordt de oplossing die water ontvangt verdunt en daalt de osmotische waarde. Door deze waterverplaatsing proberen beide oplossingen een evenwichtige stoffenconcentratie te verkrijgen.
  • Geef een beschrijving van intra- en extracellulaire vloeistof.
    - Intracellulaire vloeistof= tussen de cellen
    - Extracellulaire vloeistof= in het bloed
    De extracellulaire vloeistof (ECF) bestaat voornamelijk uit bloed, plasma, lymfe, cerebrospinale vloeistof en vloeistof in de interstitiële ruimten in het lichaam. Verder zijn er nog zeer kleine hoeveelheden van andere extracellulaire vloeistoffen: die spelen meestal een rol als smeermiddel. Extracellulaire vloeistof bevochtigt alle cellen van het lichaam met uitzonderingen van de buitenste lagen. Deze vloeistof vormt het medium waardoor stoffen vanuit het bloed naar de lichaamscellen gaan en vanuit de cellen naar het bloed. De samenstelling van de intracellulaire vloeistof (ICF) wordt grotendeels gereguleerd door de cellen zelf. Het celmembraan heeft een selectieve opname- en uitscheidingsmechanismen
  • De structuur en functie beschrijven van de plasmamembraan.
    De functie van het celmembraan is vorm en stevigheid geven, isolatie van de cel geven, uitwisseling van stoffen tussen de cel en de extracellulaire ruimte mogelijk maken en gevoeligheid van de cel voor hormonen en neurotransmitters mogelijk maken.
    Poriën of specifieke kanalen in de plasmamembraam laten alleen bepaalde stoffen toe. De membraam is ook voorzien van speciale pompen of dragers die bepaalde stoffen binnen en buiten laten.
  • De functies beschrijven van de organellen.
    Organellen zijn essentieel voor het laten verlopen van stofwisseling, het genereren van energie, het handhaven van structuur en instandhouding van het genetisch materiaal.
    De kern, mitochondriën, lysosomen, ribosomen, golgi-apparaat, endoplasmatisch reticulum, cytoskelet
    • overeenkomsten en verschillen aangeven van actief, passief en bulktransport van stoffen door de celmembraan heen.

    Passief transport is een vorm van transport van stoffen door celmembranen heen die, in tegenstelling tot actief transport, geen energie (ATP) kost. Dit houdt onder andere in: het diffunderen van kleine eiwitten, en osmose van water. Ook vetten kunnen het celmembraan zonder problemen passeren.

    Bij actief transport
    worden stoffen tegen hun concentratiegradiënt in via een membraan opgenomen of afgestaan. Het proces vereist energie (meestal onder de vorm van ATP) en de tussenkomst van membraan eiwitten.

    Bulktransport: de overdracht van deeltjes die te groot zijn om door het celmembraan te passeren, gebeurt door pinocytose of fagocytose. De deeltjes worden ingesloten door een uitstulping van het cytoplasma, waardoor een membraangebonden vacuool ontstaat. Bij pinocytose blijft de vacuool klein
  • de structuur en functies beschrijven van epitheel, bindweefsel en spierweefsel
    - Epitheelweefsel: dit weefseltype bedekt het lichaam en bekleedt lichaamsholten, holleorganen en verschillende kanalen en afvoerbuizen van het lichaam. Ook klieren zijn opgebouwd uit epitheelweefsel
    De structuur van epitheel wordt in hoge mate bepaald door de functie ervan, die kan zijn:
    Bescherming van de onderliggende structuren tegen bijvoorbeeld uitdroging, chemische of mechanische schade
    Secretie
    Absorptie
    - Bindweefsel: is het meest voorkomende weefsel in het lichaam, bestaand uit drie componenten: cellen, vezels
    Functie: binding en ondersteuning van de structuur, bescherming, transport en isolatie
    - Spierweefse: spierweefsel kan zich samentrekken en weer ontspannen, waardoor beweging in het lichaam mogelijk is
  • De structuur en functies van de epitheliale membranen, slijm- en sereuze vliezen en de synoviale membranen uitleggen.
    Een slijmvlies (mucosa) is een dunne laag lichaamscellen of epitheel, die de lichaamsholte van verschillende organen bekleedt. Slijmvliezen produceren slijm ter bescherming van het orgaan, en zorgen, met name in de luchtpijp, voor de afvoer van ongewenste stoffen uit het lichaam.
    De pleura is het sereuze (vochtafscheidende) membraan dat dubbel geplooid rond elk van de longen ligt en zo een afscheiding vormt tussen longen en borstholte. Het deel van het dubbelgevouwen vlies dat grenst aan de longen heet het longvlies of pleura pulmonalis, ook pleura visceralis genoemd. Het gedeelte aan de buitenkant, dat dus grenst aan de borstholte, heet borstvlies of pleura parietalis. Tussen deze twee membranen zit een tussenruimte, de pleurale ruimte, die gevuld is met een dunne film pleuravocht, die het mogelijk maakt dat de membranen langs elkaar heen bewegen tijdens het ademen.
    De synoviale vloeistof vormt een dun laagje van circa 50 micrometer over het kraakbeen, en zorgt ervoor dat botten en gewrichten soepel kunnen bewegen. Het werkt als een smeermiddel en verdeelt de kracht van schokken.
  • functies van exocriene klieren en de endocriene klieren
    Endocriene klier die haar producten (hormonen) aan het bloed afgeeft. Endocriene klieren hebben geen afvoerbuis. Endocriene klieren zijn alle klieren van het hormoonstelsel. Exocriene klieren hebben wel een afvoerbuis en geven hun product af aan een holte in het lichaam. Alle spijsverteringsklieren zijn exocriene klieren.
  • Benoem de niet-specifieke afweercellen van het lichaam
    - afweer aan het lichaamsoppervlak: huid en slijmvliezen, haartjes in de neus, uitstroom urine
    - fagocytose: letterlijk opeten van de cellen.
    - Natuurlijke microbiële substantes: zoutzuur, lysozym, antilichamen, speeksel, interfonen en complement.
    - Ontstekingsreactie: roodheid, warmte,zwelling,pijn, pus of vochtvorming.
    - Immunologische bewaking: een speciaal soort lymfocyten, natuurlijke killers.
    De monocyten (macrofaag), neutrofielen, eosinefielen, en de basofielen spelen hun rol bij de niet specifieke afweer
  • de functies en kenmerken van de ontstekingsreactie
    - Roodheid: toename van bloedtoevoer (rubor)
    - Warmte: toename van bloedtoevoer (calor)
    - Zwelling: toename van bloedtoevoer (tumor)
    - Pijn: plaatselijke zwelling kan sensorische zenuwuiteinden prikkelen en pijn veroorzaken (dolor)
    - Functie verlies (funtio laesa)
    - Pus of vochtverlies (afvalsto)
  • het proces van fagocytose beschrijven
    Het proces van fagocytose (letterlijk: opeten van cellen). Fagocyten zoals macrofagen zijn de eerste cellulaire verdedigingslinie van het lichaam.
    Zij verplaatsen zich actief via chemotaxis naar geïnfecteerde en ontstoken plaatsen, omdat de neutrofielen en micro-organismen zelf stoffen afscheiden die ze aantrekken.
    Fagocyten verzwelgen hun doelwit. Zij vangen en vernietigen willekeurige alle vreemde cellen, antigeen materiaal, beschadigde lichaamscellen en resten.
    Macrofagen spelen een belangrijke rol tussen als shakel tussen de specifieke en de niet-specifieke afweermechanismen.
  • de belangrijkste antimicrobiële substanties van het lichaam opnoemen
    Zoutzuur: maagsap bevat zoutzuur in hoge concentraties: daarmee worden de meeste micro-organisme die tot hier zijn doorgedrongen, vernietigd.
    Lysozym: dit antibacteriële enzym is aanwezig in de granulocyten, traanvocht en ander lichaamsvocht (behalve transpiratie en urine). Het vernietigd bacteriële celwanden.
    Antilichamen: deze beschermende proteïnen zijn aanwezig in membranen en lichaamsvloeistoffen. Ze zijn in staat bacteriën te inactiveren
    Speeksel: speeksel bevat antilichamen, lysosymenen buffers om de bacteriele zuurstofafscheiding te neutraliseren die tandbederf bevorderen.
    Interferonen: deze chemische stoffen worden geproduceerd door T-lymfocyten, macrofagen en door lichaamscellen waarin virussen zijn binnengedrongen. Zij voorkomen dat virussen zich in de cel vermeerderen en verspreiden naar gezonde cellen.
    Complement: een systeem van ongeveer 20 eiwitten in bloed en weefsels. Het systeem word geactiveerd door immuuncomplexen (aan elkaar gehechte antigeen lichamen) en door vreemde suikers die voorkomen op celwanden van bacteriën.
    • het proces van de celgemedieerde immuniteit uitleggen.
    De cel-gemedieerde immuunrespons beschermt tegen vreemde organismen die erin zijn geslaagd te infecteren lichaamscellen . Het beschermt ook het lichaam van zichzelf door het beheersen van kankercellen . Witte bloedcellen die betrokken zijn bij cel-gemedieerde immuniteit onder andere macrofagen , natural killer (NK) cellen en T-cel lymfocyten
    • het proces uitleggen van de antigeen-antilichaamimmuniteit (humorale immuniteit).
    B-lymfocyten herkennen en binden antigenen prikkels zonder dat die door een antigeen presterende cel aan hen bekend is gemaakt. Als het antigeen is gedetecteerd en gebonden, met hulp van een helper-T-cel, dijt de B-lymfocyt uit en gaan deze zich delen (kolonale expansie) Hij produceerd dat twee functionele verschillende typen cellen: plasmacellen en memory-B-cellen
  • Uitleg van actief kunstmatig verworven immuniteit en passief kunstmatig verworven immuniteit

    Actief kunstmatig: word een toediening van dode of levende pathogenen ingespoten waardoor je er een antilichamen voor gaat maken.
    passief kunstmatig: er worden Kant en klare antilichamen ingespoten
  • Uitleg van actief natuurlijk verworven immuniteit en passief natuurlijk verworven immuniteit

    Actief natuurlijk: Ziekte zelf door te maken en er zelf antilichamen voor maken.
    Passief natuurlijk: Ontstaat bij de geboorte, je krijgt antilichamen van je moeder
  • een definitie geven van een geneesmiddel
    Een geneesmiddel is elke stof ( anders dan een voedingsstof of hulpmiddel) die bedoeld is voor gebruik bij diagnose, genezing, verlichting, behandeling of preventie van ziekte
    Een eenvoudige, maar werkbare definitie van een geneesmiddel: ‘’elke chemische stof die invloed uitoefent op het lichaam en processen die hierin plaatsvinden’’
    • een definitie geven van de chemische naam, de generieke naam en handelsnaam van geneesmiddelen.
    - Een chemische naam: beschrijft de de moleculaire structuur
    - Een generieke naam (stofnaam)
    Een handelsnaam (merknaam): word gekozen door het farmaceutische bedrijf dat het geneesmiddel produceerd.
    • een definitie geven van een placebo.
    Placebo’s zijn preperaten die op geneesmiddelen lijken maar geen werkzame stof bevatten.
    • de verschillende toedieningswegen van geneesmiddelen uitleggen
    1. lokale toediening: het geneesmiddel wordt rechtstreeks aangebracht op de plaats van het probleem:bijvoorbeeld oogdruppels, zalven en cremes op de huid.
    2. enterale toediening: Het geneesmiddel wordt oraal ingenomen en vanuit het maag-darmkanaal opgenomen in de bloedbaan.
    3. parentale toediening: het geneesmiddel word rechtstreeks in het lichaam ingebracht door middel van subcutane (onder de huid), intramusculaire (in een spier) of intraveneuze injectie (in een ader)
    Oraal: via de mond;
    Intraveneus: door injectie in de ader;
    Intramusculair: door injectie in de spier;
    Intrathecaal: door injectie in de ruimte rond het ruggenmerg;
    Subcutaan: door injectie onder de huid;
    Sublinguaal: onder de tong;
    Rectaal: in het rectum;
    Vaginaal: in de vagina;
    Oculair: in het oog worden gedruppeld;
    Nasaal: in de neus gesprayd worden en geresorbeerd door de neusslijmvliezen;
    Inhalatie: meestal via de mond in de longen worden ingeademd;
    Cutaan: aanbrengen op de huid;
    Transdermaal: pleister op de huid (voor systematisch effect
  • uitleggen wat er wordt verstaan onder farmacokinetiek: de absorptie, distributie (de verdeling van geneesmiddelen), metabolisme en eliminatie van geneesmiddelen.
    Farmacokinetiek gaat over wat het lichaam met een geneesmiddel doet, hoe het geneesmiddel opneemt, ze verdeelt over de weefsels van het lichaam, metaboliseerd en ten slotte uitscheidt.
    Absorptie: opname van een geneesmiddel in de bloedbaan
    Distributie: verspreiding van een geneesmiddel vanuit en naar het bloed en de verschillende lichaamsweefsels
    Metabolisme: de chemische omzetting van geneesmiddelen door het lichaam
    Eliminatie: verwijdering van geneesmiddelen uit het lichaam
    Het lichaam maakt geen onderscheid tussen goede lichaamsvreemde stoffen (geneesmiddelen) en slechte (ziektekiemen). Het weet niet dat het geneesmiddelen een ziekte kunnen behandelen of voorkomen en beschouwt alle geneesmiddelen als lichaamsvreemde stoffen die het lichaam niet binnen mogen komen. Als het dan toch gebeurd maakt het ze indien mogelijk onschadelijk en voert het deze stoffen zo snel mogelijk af.
  • een definitie geven van  steady state, minimaal effectieve concentratie, maximaal toelaatbare concentratie
    De berekening van de dosering is belangrijk, want bij een te lage geneesmiddelenspiegel werkt het geneesmiddel niet goed en bij een te hoge spiegel kan het geneesmiddel toxisch worden. Hiervoor worden twee termen gebruikt:
    1. Minimaal effectieve concentratie (MEC). Dit word de laagste concentratie van het geneesmiddel waarbij het gewenste therapeutische effect word bereikt
    2. Maximaal toelaatbare concentraie (MTC) dit is de hoogste concentratie van een geneesmiddel die verdragen kan worden, zonder dat het een toxische effecten gaat geven.
    Het uitgangspunt bij correcte geneesmiddeltoediening is de bloedspiegel van het geneesmiddel voor de duur van de behandeling tussen deze twee waarden te houden.
    • uitleggen welk effect ouderdom kan hebben op de farmacokinetiek van geneesmiddelen
    Sneller te hoge bloedspiegel bij standaarddosering door veroudering.
    De lever en nieren werken niet meer zoals ze eerst deden.
    - Lever: metabolisme verlaagt
    Afname van massa en doorbloeding en verminderde activiteit van p450-enzymen
    - Nier: eliminatie neemt af
    Afname van nierfunctie

    dit kan allemaal leiden tot meer bijwerkingen en soms toxiteit
  • Benoem De locatie van de neusholten, pharynx, larynx en trachea
    Pharynx (keelholte), larynx (strottenhoofd).
    En de trachea ligt ter hoogte van de 5e halswervel.
    Bevinden zich allemaal in het ademhalingsstelsel.
  • · Een definitie geven van pneumonie
    Pneumonie (longonteking) is een infectie van de longblaasjes (aveoli) en het omringde weefsel.
  • · Uitleggen welke groepen zorgvragers meer kans hebben een pneumonie te ontwikkelen
    Mensen met een verzwakt afweersysteem hebben een sterker verhoogd risico van pneumonie.
    Andere omstandigheden die bepaalde mensen gevoeliger maken voor pneumonie zijn alcoholisme, het roken van sigaretten, diabetes, mellitus, hartfalen en chronische obstructieve longziekte.
  • · Benoemen welke vormen van therapie er zijn bij de behandeling van pneumonie
    Ademhalingsoefeningen en -therapie, antibiotica.
  • · De mannelijke en vrouwelijke gameten benoemen
    Mannelijk: sperma tozoa (zaadcellen) Vrouwelijk: ova (eitjes)
  • · Benoemen hoe gameten worden gevormd en wat zij bevatten
    Ze worden gevormd door meiose.
    Ze bevatten het genetische materiaal, of genen, op de chromosomen die overgeërfde eigenschappen aan de volgende doorgeven.
  • Begrip ovarium
    Eierstok
  • , tuba uterina
    Ieleider
  • Cervix
    Baarmoederhals
  • Uterus
    Baarmoeder
  • Labium
    Schaamlippen
  • het perineum
    Bilnaad
  • · Het proces van ovulatie uitleggen en de hormonen beschrijven die hierbij betrokken zijn
    Ovulatieproces: elke 28 dagen rijpt er een eifolikel, die barst en zijn ovum vrijgeeft in de peritonale holte.
    Betrokken hormone: follikel stimulerend hormoon: (FSH), luteiniserend hormoon (LH), humaan choriongonadotrofine (HCG)
  • Scrotum
    Balzak
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat kunnen oorzaken zijn van anemie door ijzertekort?
  • Deficiente inname
    • Bijvoorbeeld bij vegetarisch dieet
  • ongewoon hoge ijzerbehoefte
    • Zwangerschap
    • Chronisch bloedverlies
    • Zware menstruatie 
  • slechte absorptie uit spijsverteringskanaal
    • De maag kan het ijzer niet goed opnemen als de PH waarde te hoog is (bijv bij; overmatig maagzuurremmers)
    • Na een chirurgische verwijdering van bijv de darm
Wat zijn de normale en ernstige hoeveelheden hemoglobine bij ijzertekort?
Normaal: MCH 27 pg/cel of lager
Ernstig: MCH 9 g/dl of lager
Wat is kenmerkend bij ijzergesprekanemie?
Aantal rode bloedcellen is normaal, maar ze zijn klein en bleek, verschillende in grootte en bevatten minder hemoglobine.
Wat kunnen symptomen van anemie zijn?
- Tachycardie  de hartslag neemt toe om de bloedtoevoer te verbeteren en de circulatie te versnellen
- Hartkloppingen of angina pectoris  Veroorzaakt door toegenomen spanning van de hartspier. 
- Ademtekort  Als de zuurstofbehoefte stijgt, stijgen de ademsnelheid en inspanning in een poging om aan een grotere vraag te voldoen. 
Wat is Normochromische normocytaire anemie?
Bij een plotselinge bloeding kan anemie gepaard gaan met een normaal aantal rode bloedcellen zonder afwijkingen van de erytrocytenstructuur. 
Hoe wordt Anemie geclassificeerd?
1. Productie van ontoereikende of gebrekkige erytrocyten.
   Als er weinig rode bloedcellen zijn. Dit kan voorkomen bij ijzertekort, vitamine b12/foliumzuur en het onvermogen van beenmerg om rode bloedcellen te produceren. 


2. Bloedverlies of verhoogde afbraak van bloedcellen (hemolyse)
Wat is de definitie van anemie?
Anemie is het onvermogen van het bloed om het lichaam voldoende zuurstof te geven. 
Beschrijf de Mictie van volwassenen
Het begin is hetzelfde als bij kinderen, maar er gaan ook sensorische prikkels naar de hersenen zodat een persoon zich bewust wordt dat er aandrang is. Hierdoor kan de samentrekking van de externe urethrafincter en bekkenbodemspieren.
Beschrijf de mictie bij kinderen
Bij een volle blaas worden rekreceptoren geactiveerd. Sensotorische prikkels worden gegenereerd die naar de ruggengraat gaat en waar de spinale reflex in gang wordt gezet. Dit stimuleert onwillekeurige contractie van de musculus detrusor en ontspanning van de interne urethrasfincter.
Uit welke lagen bestaat de vrouwelijke urethra?
Buitenste spierlaag.
  1. Binnenste laag van gladde spieren
  2. buitenste laag van dwarsgestreepte spieren - vormt de externe urethrasfincter.

Binnenste bekleding van slijmvlies dat overgaat in slijmvlies van de blaas.
  1. Wordt ondersteund door los vezelelastisch bindweefsel met bloedvaten en zenuwen. Proximaal - Traditioneel epitheel en distaal - plaveiselepitheel