Summary Scala : algemene natuurwetenschappen

-
ISBN-10 9020849077 ISBN-13 9789020849073
427 Flashcards & Notes
12 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Scala : algemene natuurwetenschappen". The author(s) of the book is/are B Janssen Groesbeek. The ISBN of the book is 9789020849073 or 9020849077. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Scala : algemene natuurwetenschappen

  • 1.1 kenmerken van het leven

  • Waar hield men zich, tot de Renaissance (13e tot 16e eeuw), liever mee bezig dan met onderzoek naar levensverschijnselen?
    met het bestuderen van geschriften over leven van de oude Grieken, zoals Aristoteles.
  • Hoe probeerde men inzicht te krijgen in het verschijnsel leven?
    Door vanuit schriftelijke bronnen (geschriften vd oude grieken) verder te redeneren
  • Wanneer ontdekte men dat zintuigen soms tekort schoten?
    Toen het onderzoek met behulp van de zintuigen eenmaal op gang kwam
  • Wat bleek er uit het onderzoek met behulp van de zintuigen?
    Er bleek een hele wereld levende wezens te bestaan die wij niet met onze ogen kunnen waarnemen. Dieren en planten bleken allerlei geluiden, geuren en kleuren te produceren en te registreren die wij niet waarnemen. Met behulp van apparatuur kunnen we veel van deze dingen wel waarnemen.
  • Wat dacht men in de tijd van het rationalisme over een levend wezen?
    Dat een levend wezen een ingewikkeld soort machine was.
  • Wat wilde Descartes (1596-1650) doen met de natuurwetenschap?
    Hij wilde de natuurwetenschap opbouwen zoals de wiskunde: met een aantal goed geformuleerde regels van waaruit men natuurverschijnselen, inclusief levende wezens, kan afleiden (deductie).
  • Wat stelde Pascal (1623-1662) tegenover de ideeën van Descartes?
    Dat je vanuit de waarneming en het experiment natuurverschijnselen moet benaderen en van daaruit proberen tot wetmatigheden te komen (inductie).
  • Wat stelde Pascal in feite?
    Dat de mens niet door redeneren alleen de natuur kan begrijpen; er blijven feiten die niet binnen ons denkkader passen.
  • Hoe verandert volgens Pascal het denkkader en blijft de natuurwetenschap in beweging?
    Elke wetmatigheid die we denken vast te stellen, is dan ook voorlopig en wordt door bepaalde feiten tegengesproken.
  • Wat is er belangrijk volgens Pascal?
    Dat er zo objectief mogelijk wordt waargenomen en gemeten en dat die waarneming en meting in principe door iemand anders kan worden herhaald. De eigen ervaring is dus niet doorslaggevend.
  • Wat stelt de Oostenrijkse natuurkundige Erwin Schrödinger in 1944 in zijn boek 'What is life'?
    Hij stelt dat levende wezens zich onderscheiden van de levenloze natuur doordat zij zich succesvol verzetten tegen het streven naar chaos. Een levend wezen is 'in orde' en handhaaft die orde tot de dood. Daarna vergaat het levende wezen (er treed chaos op).
  • Wat is een kenmerk?
    Een kenmerk is een eigenschap die elk voorwerp of individu dat tot een bepaalde groep behoort bezit, terwijl niet-groepsgenoten die eigenschap niet hebben.
  • Wat kun je met een kenmerk?
    Onderscheid maken
  • Wat is een variatie?
    Een verschil dat tussen groepsgenoten optreedt
  • Wat is een kenmerk van zoogdieren?
    Dat ze hun jongeren met moedermelk voeden (zogen)
  • Wat is een voorbeeld van variatie bij zoogdieren?
    Die vind je bij de bouw van de geslachtsorganen: alleen eierstokken met eileiders (vogelbekdier), eierstokken met eileiders en een baarmoeder (kangoeroe) en eierstokken met eileiders en baarmoeder en tijdens de zwangerschap een placenta (meeste andere zoogdieren)
  • Voor levende wezens worden 5 kenmerken genoemd. Welke?

    1. levende wezens zijn in staat een constant inwendig milieu te handhaven met behulp van speciale regelsystemen

    2. levende wezens wisselen stoffen en energie uit met hun omgeving

    3. levende wezens zijn in staat zich voort te planten met behulp van een bepaalde genetische blauwdruk; de jongen vertonen een door die blauwdruk vastgelegde groei en ontwikkeling

    4. levende wezens zijn gevoelig voor allerlei signalen van binnen en buiten en in staat om op zulke prikkels te reageren, vaak door uitwendig zichtbaar gedrag (zoals beweging)

    5. levende wezens gaan na verloop van tijd dood; hierbij kunnen ze worden bedreigd in hun levensmogelijkheden door oorzaken van buitenaf (zoals bacteriën, roofdieren en straling) of van binnenuit (zoals een stofwisselingsstoornis of een verkeerd werkend afweerapparaat)

  • Bij levende wezens is er een voortdurend contact met de omgeving. Wat valt daaraan op?
    Het valt op dat, terwijl die omgeving vaak nogal veranderlijk is, de levende wezens juist relatief constant blijven.
  • Wat betekent de beroemde regel, van de Franse medicus Claude Bernard rond 1870, La fizité du milieu intérieur est la condition de la vie libre?
    de constantheid van het inwendige milieu is de voorwaarde voor een vrij leven
  • Waar vinden we het idee van de essentie van een inwendig vloeibaar milieu?
    Bij de 'vader van de geneeskunde', Hippocrates van Kos (460-377 v.C.)
  • Wat bedacht Hippocrates van Kos (460-377 v.C.)?
    Hij bedacht de leer der humores of lichaamsvochten: bloed, slijm, gele gal of lymfe en zwarte gal. Als die onderling niet in balans waren, ontstond ziekte.
  • Waar waren de medicijnen van Hippocrates van Kos op gericht?
    Om het evenwicht tussen de lichaamsvochten te herstellen.
  • Wat is er nodig om een constant inwendig milieu te handhaven?
    Het is nodig dat een organisme metingen doet over hoe de situatie rond de cellen is. Als er een afwijking van een norm wordt geconstateerd, worden er maatregelen getroffen om die norm weer te bereiken. Dit heet regulatie door de levende organismen.
  • Wat voerde de Amerikaan Walter Cannon rond 1930 in?
    de term homeostase: zelfregulatie van organismen met behulp van een vastgestelde norm en negatieve terugkoppeling.
  • Wat heeft een organisme nodig om in leven te blijven?
    Bepaalde stoffen: stoffen om cellen op te bouwen en stoffen om energie uit te halen.
  • Wanneer is er sprake van stofwisseling?
    Er moeten steeds nieuwe cellen worden gebouwd en er wordt energie verbruikt, dus moeten er voortdurend stoffen worden opgenomen. Afvalstoffen die in de cellen ontstaan, worden weer afgevoerd.
  • Wat zijn organische stoffen?
    Organische stoffen zijn stoffen die van nature in levende wezens voorkomen en door hen worden gemaakt: eiwitten, koolhydraten, DNA, vetten. Koolstof is in alle stoffen het centrale element.
  • Waardoor kunnen planten zelf organische stoffen opbouwen en zuurstof produceren?
    Door fotosynthese
  • Planten zijn autotroof, wat betekent dit?
    Dat ze zichzelf kunnen voeden. atos=zelf en trophein=voeden
  • dieren, schimmels en de meeste bacteriën zijn heterotroof, wat betekent dit?
    Dat ze hun organische stof verkrijgen door andere levende wezens of hun dode resten op te eten. heteros=ander en trophein=voeden
  • Waarbij wordt zuurstof door alle levende wezens gebruikt?
    Bij verbranding of dissimilatie. Hierbij komt de energie uit organische stoffen vrij.
  •  Een van de kenmerken van levende cellen en organismen is de sterfelijkheid. Wat is er noodzakelijk voor het overleven van cellen en organismen?
    dat er de mogelijkheid tot celdeling is. Veel organismen zijn ook meercellig.
  • Welke 3 functies heeft celdeling?

    1. vervanging van afgestorven cellen

    2. groei van een eencellig stadium tot een (meer of minder groot) meercellig organisme

    3. voortplanting of reproductie

  • Bij de voortplanting of reproductie vinden we in de natuur 2 belangrijke vormen. Welke?

    1. ongeslachtelijke voortplanting

    2. geslachtelijke of seksuele voortplanting

  • Wat gebeurt er bij ongeslachtelijke voortplanting?
    een cel of celgroep kopieert zichzelf. Het systeem is conservatief: alles blijft zoals het is.
  • Wat gebeurt er bij geslachtelijke voortplanting?
    twee geslachtscellen smelten samen. Als deze van 2 verschillende individuen komen, kan dit betekenen dat er een heel nieuwe combinatie van erfelijke informatie ontstaat. Als de leefomstandigheden veranderen, verandert de soort bij om niet uit te sterven: aanpassing.
  • Waar is een bepaald type zintuigcel voor?
    Voor een bepaalde prikkel
  • Wat ontdekten wetenschappers door de kritische instelling die in de Renaissance opkwam?
    Ze ontdekten stap voor stap allerlei zintuigen die bij dieren gevoeliger bleken dan de onze. Ook werden er zintuigvermogens ontdekt die wij helemaal niet bezitten.
  • Wat was er voor de ontdekking 'dat wij sommige zintuigen niet bezitten en dieren wel' nodig?
    Een combinatie van een serie creatieve wetenschappers die als het ware buiten hun eigen menselijke werkelijkheid konden treden en de ontwikkeling van apparatuur, die al die prikkels en reacties in dieren kon meten.
  • Wat geld er in het algemeen over de dood van organismen?
    Dat kleine soorten een kortere maximale levensduur hebben dan grote.
  • Wat is er opvallend aan de maximale levensduur van de mens?
    Voor de grootte van de mens, is zijn levensduur verassend lang. 106 jaar. Vrij veel mensen komen hier ook echt bij in de buurt.
  • Wat speelt er een rol bij het feit dat veel mensen de maximale levensduur van 106 jaar halen?
    De mens heeft eigenlijk geen roofvijanden meer en in de westerse wereld is er voldoende voedsel voor iedereen. Als mensen niet aan de ouderdom sterven, sterven ze aan ziektes.
  • Waarin onderscheiden levende wezens zich van de niet-levende natuur?

    Door de 5 kenmerken van levende wezens.

    1. handhaven van een constant inwendig milieu

    2. uitwisseling van stoffen met de omgeving

    3. voortplanting, groei en ontwikkeling met behulp van een genetische blauwdruk

    4. gevoeligheid voor prikkels en in staat daarop te reageren (vaak door beweging)

    5. sterfelijk, door ouderdom, honger of infectieziekten

  • Wat ontdekte Antonie van Leeuwenhoek in de 17e eeuw?
    Hij ontdekte met behulp van zeer eenvoudige lichtmicroscopen de micro-organismen.
  • Wat werd er aan het einde van de 19e eeuw ontdekt?
    Dat verschillende micro-organismen verantwoordelijk zijn voor allerlei besmettelijke ziektes.
  • Wat ontdekte de Duitser Mayer in 1886?
    Hij ontdekte dat een ziekte bij tabaksplanten besmettelijk was. Er werd toen aangenomen dat ook de tabaksmozaïekziekte door een micro-organisme werd veroorzaakt.
  • Wat toonde de Rus Ivanovsky kort na de ontdekking van Mayer in 1886 aan?
    Hij toonde aan dat het sap, als het door een filter werd geperst dat alle bacteriën tegenhoudt, nog steeds besmettelijk was.
  • Waar kunnen virussen allemaal ziektes veroorzaken?
    Bij planten, dieren, bacteriën en schimmels
  • Wanneer kwamen de virussen pas in beeld?
    Rond 1930, toen de elektronenmicroscoop was ontwikkeld.
  • Wat is de leefwijze van virussen?
    De leefwijze van virussen is anders dan bij gewone organismen. Virussen hebben namelijk geen stofwisseling.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

In hoeveel grote platen(schollen) kun je de aarde onder verdelen, en welke zijn dit?
In 6 die ten opzichte van elkaar bewegen. Amerika, Eurazië, Afrika, India, de Grote Oceaan en Antartica.
Leg uit hoe een plaatsverschuiving ontstaat volgens de schollentektoniek.
Door radioactief verval in de kern komt er energie vrij. Deze energie zorgt ervoor dat de maantel opwarmt. Het gesteente zet uit. Hierdoor wordt de dichtheid kleiner en het gesteente stijgt. Bij de aardkorst koelt het gesteente weer af, en de dichtheid wordt groter. Het gesteente zakt weer. Dit wordt de convectie stroming genoemd. De platen schuiven (schoksgewijs) mee.
Wat houdt paradigma in?
Stramien denken.
Wat houdt evapotranspiratie in?
De verdamping van water door organismen (uitgeademde waterdamp).
Wanneer werd het mobilisme pas aanvaard, en waarom?
In 1968, tot die tijd hadden beide researchprogramma's - fixisme en mobilisme - goede argumenten voor hun theorieën. Daarbij kon Wegener ook niet verklaren hoe de continenten verschoven.
Hoe beschrijft de filosoof Imre Lakatos de wetenschap?
In termen van researchprogramma's. Dit zijn complexe en uitgebreide onderzoeks-modellen. Het oude programma wordt daarbij verworpen bij een nieuw en beter alternatief. Het nieuwe programma moet wel aan een aantal voorwaarden voldoen.
Zodra er een alternatief paradigma komt, vindt er een wetenschappelijke revolutie plaats. Wanneer gebeurde dit?
Met de opkomst van het mobilisme.
Hoe ontstaan bergen volgens het fixisme?
Doordat de aarde ten gevolge van afkoeling ineenschrompelt.
Waar gaat men van uit in het paradigma van het fixisme, en wat is hun verklaring hiervoor.
Dat de aarde alleen verticaal beweegt, aangezien aardbevingen van zeer grote diepte en over zeer grote afstanden te meten zijn, moet de aardkorst wel stevig zijn.
Hoe beschreef Kuhn de wetenschappelijke ontwikkelingen, en hoe wordt dit genoemd?
In wetenschappelijk rustige perioden gaat de wetenschap uit van een bepaald patroon volgens welke alle onderzoek gedaan wordt. Dit heet paradigma.