Summary Schrijfwijzer

-
ISBN-10 9012108543 ISBN-13 9789012108546
288 Flashcards & Notes
11 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Schrijfwijzer". The author(s) of the book is/are Jan Renkema. The ISBN of the book is 9789012108546 or 9012108543. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

Summary - Schrijfwijzer

  • 3 Leesgemak

  • Welke vier stijldimensies kent een gepaste formulering?

    1. begrijpelijkheid
    2. nauwkeurigheid
    3. bondigheid
    4. aantrekkelijkheid

    (ijkpunt 10 uit het CCC-model)

  • BEGRIJPELIJKHEID Noem tien manieren die het lezen van een zin bemoeilijken.

    1. lange zinnen - splits ze zinnen; het gaat om de structuur, niet om het aantal woorden.
    2. tangconstructies - zet bij elkaar wat bij elkaar hoort;overspannen uiteenplaatsingen, omarmende constructies (1. bijzintang 2. onderwerp-persoonsvormtang 3. werkwoordelijke tang 4. lidwoord-naamwoordtang). Wel nuttig voor terloopse mededeling.
    3. lange aanloop - kern van mededeling naar voren halen; rijgstijl/kettingzin; niet steeds bijzinnen of toevoegingen; het gaat om leesbaarheid in de zinsbouw. op plaats verbindingswoord nieuwe zin beginnen.
    4. opsomming - maak opsomming zichtbaar (met streepjes, letters, cijfers en leestekens); delen van een opsomming moeten gelijkwaardig zijn. 
    5. lange woorden - let op bij meerdan zeven lettergrepen; gemiddelde woordlengte niet meer dan twee lettergrepen; 
    6. afkortingen - acroniemen =letterwoorden; liever niet gebruiken, toelichten en lijst met afko's toevoegen aan tekst
    7. moeilijke woorden - geen vaktermen voor breder publiek; wel een moeilijk woord als de rest eenvoudig is.
    8. onnodig gebruik van ontkenningen
    9. vage verwijswoorden - nauwkeurigheid; laat lezer niet met vragen achter; open plekken en vage hoeveelheden; vage of indirecte verwijzingen; inflatie-Nederlands.
    10. de lijdende vorm
  • LEGE WOORDEN

    1. Lege woorden - naar...toe, in verband met, evalueren
    2. Smurfwoorden - een zelfde woord gebruiken in verschillende betekenissen (realiseren, met name)
    3. Clichétaal - morgen is er weer een dag
    4. Lege woorden - een loperwoord past op elke betekenis (Top tien: aspect,component, dimensie, element, functie, gebeuren,mate, positie, sfeer en situatie)
    5. Informatiearmoede van neutrale woorden - berucht / bekend / beroemd
    6. Het voordeel van algemene woorden - weer een prijsverandering
    7. Schijnprecisie - als ingebouwde beperking; waarschijnlijk bijna overal
    8. Stijlvervagers - als ingebouwde beperking.
    9. Beknopt of nodeloos vaag?
    10. Eufemisme en dysfemisme - mooizegging en lelijkzegging; verzachtende omschrijving als verhulling
    11. Meer dan één betekenis - ambiguíteit = meerduidigheid = dubbelzinnigheid (bevallen)
    12. Dubbelzinnigheid door verwijswoorden - diens kan alleen verwijzen naar mannen.
    13. De overspannen verwijzing - waarnaar verwijst het?; oplossen met woordherhaling.
    14. Dubbelzinnigheid door woordvolgorde -  meer betrouwbaar bewijsmateriaal
    15. Strategische ambiguïteit - dubbbelzinnigheid kan nuttig zijn; politiek taalgebruik of diplomatieke teksten
  • BONDIGHEID

    1. Schrijven is schrappen 
    2. Zuinig maar niet gierig - bondigheid met beleid
    3. De kunst van het weglaten - schrap overbodige woorden
    4. Pleonasme  stijlfiguur - verbazing uitdrukken of aandacht vestigen op bijzonderheid; witte sneeuw, oude grijsaard
    5. Pleonasme als stijlverslapper - betekenisherhaling zonder duidelijke functie; studentgericht onderwijs
    6. Pleo-allergie - schrijf wel: de beoogde doelgroep 
    7. Tautologie als stijlfiguur -  volledige betekenis van het woord wordt uitgedrukt met ander woord; vast en zeker, frank en vrij, nooit ofte nimmer, part noch deel hebben aan; in rep en roer, hoe je het wendt of keert
    8. Tautologie als stijlverslapper - stijl wordt ontsierd door betekenisherhaling in woorden of zinnen
    9. Tauto-allergie - schrijf wel: hiv-virus; apk-keuring, bom-moeder
  • VOORZETSELUITDRUKKINGEN

    1. Omslachtigheid door voorzetsels - drie woorden die samen de functie van één voorzetsel hebben; met betrekking tot = over
    2. Voorzetseluitdrukking of bijzin - overdadig gebruik veroorzaakt wijdlopigheid dus vervang het af en toe door bijzin met voegwoord en een werkwoord
    3. Beruchte voorzetseluitdrukkingen - ten aanzien van,in het kader van, onder invloed van

     

  • AANTREKKELIJKHEID

    1. Zorg dat de personen in de tekst niet naar de achtergrond verdwijnen - personen gaan boven zaken; persoonlijk formuleren; 

    • Personificatie als stijlfiguur (waarin zaken of begrippen als personen worden voorgesteld: schuimbekkende golven, huilende winden) allen gebruiken wanneer die functioneel is en geen onbedoelde associaties kan oproepen

    2. Gebruik een lijdende vorm alleen als deze noodzakelijk is - wordt, worden, werd, door...

    • Passivitus = tante Doortjestijl is saai door gebruik van door-bepaling
    • Zes argumenten voor lijdende vorm: de handelende persoon is onbekend, het noemen van de handelende persoon voegt geen informatie toe, de handelende persoon moet op de achtergrond blijven, de nadruk ligt niet op de handeling maar op het proces of het resultaat, de zin gaat door op het onderwerp uit de vorige zin(nen),een bedrijvende vorm schept mogelijk een misverstand
    • Alternatieven voor de lijdende vorm - de 'toestand'-formulering, herformulering zonder handelende persoon

    3. Zorg ervoor dat het werkwoord belangrijke informatie bevat - de naamwoordstijl of een werkwoord, het verschil tussen saai en levendig (doelstelling / we willen... herstellen)

    • Laat de werkwoorden hun werk doen
    • Vaak kan een naamwoord op -ing vervangen worden door een werkwoord (opleving/opleven)
    • Variaties: een omschrijving met een voorzetsel; zelfstandig naamwoord en een algemeen werkwoord (tot uiting brengen), één concreet werkwoord (uiten) of een ander woord gebruiken met dezelfde betekenis (bespoediging /versneld)
    • Vier voordelen van naamwoorden: accent ligt niet op handelende persoon, er is een vaste herkenbare term nodig, er is verschil in betekenis, een omschrijving met een naamwoord is beknopter
  • SCHRIJF BEELDEND
    1. Opleuken is niet leuk - kill your darlings
    2. Contaminatie = vermenging van uitdrukkingen; naïef tintje, dus gebruik het niet!
    3. Concretiseer moeilijk voorstelbare gegevens of juist gebruik van stijfliguren
    4. Enkele stijlfiguren:
    • pleonasme
    • tautologie
    • personificatie
    • alliteratie - opeenvolging van woorden met dezelfde klank
    • climax -in een opsomming de delen rangschikken naar belang van sterkte; meer spanning in de zin
    • parallellie - opeenvolgende zinnen op precie dezelfde manier formuleren; pas op voor eentonigheid
    • hyperbool - overdrijving
    • chiastische oppositie - omdraaiende tegenstelling (smalle marges/malle charges)
    • woordspeling - hilarisch taalgebruik; de glimlach van een lezer
  • VARIATIE IN ZINSBOUW

    1. Van eentonigheid naar gelijkvormigheid - en toen en toen en toen
    2. Het helpt om af en toe een zin in de vragende vorm te zetten
    3. Retorische vraag - een vraag waarvan het antwoord al bekend is
    4. Voorzetselketens - voorkom aaneenrijgen van bepalingen met voorzetsels; bekort door de bepaling met een voorzetsel te beschrijven in een bijzin, of door bepalingen samen te voegen
    5. Varieer in zinslengte -  lang/kort/middellang
    6. Onnatuurlijke accenten - zware en lichte lettergrepen; lees tekst hardop voor om het zelf te ontdekken
  • VARIATIE IN WOORDKEUS

    1. Woordherhaling op korte afstand - voorkom gebruik van dezelfde woorden na elkaar voor levendig taalgebruik (ik bied dit aan aan mijn chef)
    2. Synoniemiemanie - geen variatie om de variatie; zodra de lezer doorheeft dat de schrijver varieert, is het effect weg
    3. Voordeel van een vaste term - het gevaar van betekenisverschil; formuleer zinnen zo, dat je niet op korte afstand dezelfde woorden nodig hebt
    4. Oude woorden - archaïsmen = verouderde woorden; het effect van senior-dubbelplustaal (thans / nu)
    5. Eigentijds taalgebruik - voorkom gebruik van holle woorden uit d etaalwaan van de dag; een goede grondhouding naar de lezer toe
  • 4 Taalkwesties

  • ZINSBOUW

    1. Anakoloet = een zin zonder samenhang passend met een begin bij het einde niet
    2. Tante Betje = ongeoorloofde inversie het onderwerp komt ten onrechte na de persoonsvorm (ik lees de zin, maar zie ik de fout niet)
    3. De onzichtbare tante Betje - als een zin niet met het onderwerp begint dan is de volgorde na en afhankelijk van wat er precies bedoeld wordt; vermijden door na en, maar, want eerst onderwerp te noemen
    4. Verkeerde samentrekking - gelijkheid van functie; het samengetrokken zinsdeel moet dezelfde functie hebben, dus beide gevallen onderwerp of lijdend voorwerp (fout: zij heeft hem (lijdend)  gezien en (aan hem, meewerkend voorwerp) een zoen gegeven)
    5. Drie voorwaarden voor samentrekking - samengetrokken zinsdelen moeten gelijk zijn in betekenis, vorm en functie
    6. Zeugma - overspannen samentrekking (hij sloeg een ruit in en de eerste straat rechts)
    7. Vormfout of vormverschil - Er mag wel vormverschil zijn bij de persoonsvorm en het getal van het zelfstandig naamwoord (Hij drinkt, ik niet)
    8. Een foute samentrekking valt doorgaans gemakkelijk te herstellen door het samengetrokken zinsdeel met een verwijswoord te herhalen
    9. Foute beknopte bijzinnen - hangende bepaling; als de twee onderwerpen verschillend zijn, hangt de beknopte bijzin als het ware in de lucht (fout: vrolijk zingend werd het eten klaargemaakt) In een beknopte bijzin moet het niet vermelde onderwerp gelijk zijn aan het onderwerp van de hoofdzin. Herstel de fout door de beknopte bijzin uitgebreider te formuleren en het onderwerp te noemen (Goed geïnstrueerd, valt de fout gemakkelijk te verbeteren / Wanneer u goed geïnstrueerd bent valt de fout gemakkelijk te verbeteren)
    10. Hoe fout is fout? Fout maar wel geaccepteerd: Ingesloten treft u aan/Bijgaand vindt u/Onderstaand vindt u...
    11. Ellips/elliptische zin = onvolledige zinnen - iets krachtiger stijl door weglaten woorden die lezer zelf kan bedenken (Moet kunnen!)
    12. Wanneer is een onvolledige zin fout? Het weglaten van woorden is af te keuren wanneer een zin bij hardop lezen niet goed loopt, of wanneer een formulering letterlijk genomen niet mogelijk is.
    13. De quasipopulaire stijl - Leest niet lekker weg (Zegt Sam tegen Moos: ''Vind ik ook.")
  • RODE OF GROENE VOLGORDE?

     

    1. Rode volgorde: hij zei dat hij was gekomen (iets krachtiger in schrijftaal)

    2. Groene volgorde: hij zei dat hij gekomen was (spreektaal; losser en natuurlijk aandoend)

    • Dialectonderzoek: in het oosten van Nederland en Duitsland gebruik van groene volgorde gebruikelijk (dialectkaarten met kleur groen).De andere variant heet de rode volgorde; westers. 
    • Opmerkelijk: Statenvertaling, onze Bijbelvertaling uit de zeventiende eeuw is grotendeels groene volgorde

    Verschil tussen rood en groen -  de volgordes verschillen soms heel subtiel in betekenis. Dus de groene volgorde is geen germanismen (Hij zei dat het was uitgewerkt/uitgewerkt was)

     

    Chiasme = kruisstelling - meer zeggingskracht door rood aan het einde van de zinWat geweest is, is geweest

  • ONZEKERHEID OVER DE PLAATS VAN HET ONDERWERP

     

    1. 'Gevals'-bijzinnen - inversie van onderwerp en persoonsvorm; tante Betje. Als een bijzin en gevals-betekenis heeft, komt in de hoofdzin het onderwerp voor het gezegde  (Als Piet mij wil bereiken, ik ben woensdag thuis)
    2. Toegevende bijzinnen - de rechte of gewone woordvolgorde: in hoofdzin onderwerp + persoonsvorm (Waar hij ook komt, hij is welkom)
    3. Volgorde na zinsinleiders dus, echter, immers, wat mij betreft, hoe, des te -
    • Als het accent ligt op de zinsinleider, komt er een komma achter en is de volgorde onderwerp-persoonsvorm (Dus, je moet gaan)
    • De andere volgorde wordt gebruikt wanneer het accent ligt op de mededeling na de zinsinleider (Dus moet je gaan) 
    • Bij hoe...hoe en hoe...des te zijn eveneens beide volgordes mogelijk 

     

  • HET SPLITSEN VAN WOORDEN

     

    1. Splitsbare werkwoorden - sommige samengestelde werkwoorden zijn splitsbaar, anderen niet.

    • Als een scheidbaar samengesteld werkwoord aan het einde van een zin of bijzin staat, mogen tussen het voorzetsel en het werkwoord andere werkwoorden staan
    • Betekenisverschil is er alleen bij klemtoonverschil (overdrijven en óverdrijven)
    • Hikstijl = wanneer voorzetsel los van het werkwoord staat; hortende stijl door scheiding van woorden
    • Waarover/ waar...over; waardoor / waar...door; waarmee / waar...mee - beide opties mogen
    • Vanaf/ van...af - gesplitste variant klinkt stijver; als werkwoorden een vast voorzetsel hebben heeft voorzetsel de neiging daar zo dicht mogelijk bij te staan
    • Subtiel betekenisverschil (Charivarius: Zeus donderde vanaf de Olympus/van de Olympus af)
  • WOORDEN NAAR VOREN OF NAAR ACHTEREN

     

    1. Onlogische volgorde - maar formuleringen wel algemeen geaccepteerd (de laatste twee brieven)

    2. Prolepsis = vooropplaatsing van woorden - erkende stijlfiguur voor extra accent (Die jongen wil ik graag een beschuitje mee eten)

    3. Naplaatsing binnen een woordgroep - in spreektaal wordt het steeds gebruikelijker om bepaalde woorden in een andere woordgroep op te nemen, vaak direct na een voorzetsel (dit is op drie na de grootste school / dit is de op drie na grootste school)

  • VOLGORDE VAN BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN

     

    1. subjectief, dan pas objectieve kenmerken:

    2. afmeting

    3. vorm

    4. kleur

    5. stof

    • Binnen deze vaste volgorde kan een woord dat nadruk moet krijgen op de eerste plaats komen
    • Als woorden gelijkwaardig zijn of van plaats kunnen wisselen, komt er een komma
    • Als er binnen de subjectieve en objectieve kenmerken min of meer gelijkwaardige bijvoeglijke naamwoorden zijn, staat het meest bepalende woord het dichtste bij het zelfstandig naamwoord (Zij droeg zo'n heerlijk, zijdezacht warm truitje / De vier achterste rijen zijn nog vrij)
    • Twee algemene volgordeadviezen - let op begin en eind, zet bij elkaar
    • Hilarische zinsbouw - lezer wordt afgeleid door (onbedoelde) betekenis
  • WOORDKEUS

     

    1. Woordverbasteringen - wanneer velen de fout nog zien (ik wil eerst mijn achterband raadplegen)

    • Volksetymologie = als de vervorming algemeen geaccepteerd wordt (zondvloed)

    2. Woordbotsing - aspect van de vorm leidt de aandacht af van de inhoud (Het vertalen van de Bijbel is een hels karwei)

     

    3. Hilarische woordkeus - pogingen tot beeldspraak  verzanden soms in onbeholpen woordgebruik (je kan geen verschijnsel opwerpen; onder de knie = onder de duim)

     

  • WOORDSOORTVERANDERING

     

    1. Woordsoortwisseling - acceptabel als gezaghebbende woordenboeken die vermelden (avondje uit = uitje; particulier of ziekenfonds verzekerd, Miss Marple is een vrijgezelle dame)

    2. Woordsoortverwarring - speciaal probleem vormen woorden die veel op elkaar lijken, maar bijvoeglijk naamwoord of bijwoord zijn (een buitenlandse reis = bijvoeglijk; hij is buitenlands = bijwoord). In dergelijke woordparen zijn woorden op -elijk bijwoord (herhaalde waarschuwing / iemand herhaaldelijk waarschuwen)

    3. Woordsoortsprong - vooral in reclametaal om aandacht te trekken. Zelfstandig naamwoord bijvoeglijk gebruikt (de zuivelste drank; PC-eend) of een voorzetsel als bijvoeglijk naamwoord (de uite kachel) 

    Woordsoortsprongen met een boodschap als protest (Masaryl werd gesprongen; Ze hebben hans Kok gestorven)

     

  • NIEUWE WOORDEN

     

    1. Neologismen= nieuwe woorden alleen gebruiken als lezers het kunnen begrijpen (e-ducatie, polderparadox)

    2. Nieuwe betekenis van bestaande woorden (groene producten)

    3. De Gevoelswaarde van woorden (blondje)

  • WOORDVARIATIE

     

    Het gebruik van synoniemen - synoniemen zijn lang niet altijd verwisselbaar.

    • Er zijn maar weinig zuivere synoniemen (dikwijls/vaak, gelijk/meteen/direct, minstens/ten minste/op zijn minst,als gevolg van/ten gevolge van)
    • Drie problemen:

    1. zogenaamde (= in schijn)/zogenoemde (= zogeheten) Beiden: die naam dragend

    2. enz. (=en zo voortgaande = etc. (en de overige)/e.d. (voortzetting minder voorspelbaar)

    3. onder meer/onder andere = dezelfde betekenis; gebruik voor zaken. Gebruik voor personen = onder anderen

    • Twee homoniemen = twee woorden die dezelfde vorm hebben maar in betekenis verschillen (Haar haar glanst)
  • BETEKENISVERSCHILLEN

    1. Betekenisverschil -name (vroeger germanisme) en -neming (deelname of deelneming)
    2. Betekenisverschil -atie (nadruk op resultaat) en -ering (nadruk op proces)  (een redenatie is geen redenering)
    3. Betekenisverschil -eloos (figuurlijk) en -loos (letterlijk) (werkloos of werkeloos)
    4. Betekenisverschil -ig en -erig subtiel betekenisverschil (houtig of houterig)
    5. Betekenisverschil-ieder (personen, de-woorden,distributief)en -elk (zaken, het-woorden, collectief)
    6. Betekenisverschil trouwens (als je van onderwerp verandert) en overigens (terzijde-opmerking bij hetzelfde onderwerp)

     

  • CONTAMINATIES

     

    Contaminatie = vermenging van twee woorden of uitdrukkingen.Het gaat om woordvermenging en om het verhaspelen van constructies (Fout: mond-op-mondreclame = tot)

    • diastenen in de taal
    • ingeburgerde contaminaties ( waranda = serreachtige aanbouw, veronderstellen)
  • ZUIVER NEDERLANDS

     

    1. De invloed van het Nederlands - polder, boulevard, apartheid
    2. Continentaal Engels - schijnbaar Engelse woorden, geen echt Engels(camping/campsite)
    3. Fantasie-buitenlands - pico bello, im Frage, fröbelen 

    Vier soorten invloed:

    1. leenwoord - woord dat mét zijn betekenis is ontleend aan een andere taal (haiku, Japans; hangmat, Spaans; sauna, Fins)

    2. leenbetekenis - betekenis die een Nederlands woord erbij krijgt uit een andere taal (familie = groep van grootouders, ooms en neven enz.; nu ook gezin, door Engels) 

    3. leenvertaling - letterlijke vertaling ( tiener = teen; fille de joie = meisje van plezier)

    4. barbarisme - on-Nederlandse leenbetekenis of leenvertaling (pathetisch, vroeger controleren)

     

    Purisme; purist = taalzuiveraar

     

    Zeven redenen voor buitenlandse woorden:

    1. Algemeen gebruik ( slogan, baby)
    2. Onvertaalbaarheid (tao, timing)
    3. Verschil in betekenis ( happening of gebeurtenis)
    4. Verschil in gevoelswaarde (lach of smile)
    5. Eufemistisch taalgebruik (transpireren, toilet)
    6. Behoefte aan een kort woord (drugs, lobbyen)
    7. Extra zeggingskracht ( babyboom)
  • NEDERENGELS

     

    • Xenomanie = Nederlanders willen zo graag internationaal lijken dat ze makkelijk te vertalen begrippen in het Engels laten staan.
    • Vier nadelen: pseudo-ingewikkeld, te weinig moeite genomen om te vertalen, imponeergedrag, weinig respect voor taal en cultuur en dus voor de lezer.
    • Faux amis = foute vrienden. Vertalingen in ene overeenkomstige vorm , maar met andere betekenis (Engelse woord: brutal. Foute vriend: brutaal. Goede vertaling: meedogenloos)
  • BARBARISMEN

    • anglicismen - Engels
    • germanismen - Duits
    • gallicismen - Frans
    • belgicismen - Belgisch
    • frisismen - Fries
    • hebraïsmen - Hebreeuws
    • graecismen - Grieks
    • latinismen - Latijn
  • WERKWOORDEN

     

    1. Onvolledige werkwoorden - bij sommige woorden komt geen verleden tijd (buikspreken, iemand aan het buikspreken was of is geweest) Fantasievormen: afgelasten = gelastte de wedstrijd af.

     

    2.Problematische vervoeging

    Werkwoorden zijn onscheidbaar wanneer de delen in de verleden tijd niet uit elkaar kunnen. Dergelijke werkwoorden krijgen in het voltooid deelwoord ge- aan het begin, wanneer ze onscheidbaar zijn:

    • Combinaties met zelfstandig naamwoord (stof) en werkwoord (zuigen) worden doorgaans zwak vervoegd, dus niet met klinkerverandering zoals in zuigen-zoog-gezogen, dus gestofzuigd
    • Hetzelfde geldt voor combinatie van een werkwoord (roeren) en een werkwoord (bakken)

    Scheidbare samengestelde werkwoorden krijgen ge- in het voltooid deelwoord (adem halen- haalde adem - ademgehaald.

    • De regels gelden voor combinaties van zelfstandig naamwoord en werkwoord. Bij andere combinaties kun je de regels ook volgen ( dubbelklikken - dubbelklikte - gedubbelklikt of klikte dubbel en dubbelgeklikt)
    • geringschatten - geringschatte/schatte gering - geringgeschat
    • werkwoorden van afkortingen worden vervoegd als gewone werkwoorden 
    • wappen- wapte -gewapt
    • sms'en - sms'te - ge-sms't

    3. Werkwoorden met dubbele vervoeging Toen wilde/wou zij niet meer

     

  • DE VORM VAN DE PERSOONSVORM

     

    • Je kunt/je kan - Bij je hoort de tweede persoon: je kunt, zult, wilt. Maar de derde persoon is ook goed als je de algemene betekenis van men heeft: kan, zal,wil)
    • U is/u bent - u is van oorsprong derde persoon enkelvoud (u is, u heeft, u kan) maar  tegenwoordig vat men u op als tweede persoon enkelvoud, omdat het beleefdheidsvorm van je is. Vandaar: u bent, u hebt, u kunt, u wilt, u zult
    • Twee vormen mogelijk - in enkel geval kan persoonsvorm naar twee verschillende personen wijzen, dan geeft het eerste woord de doorslag  (ik constateer dat u beiden nog zeer rancuneus bent/zijn)
    • Verwijzing via die - constructie waarbij woordje die verwijst naar twee personen. dan krijgt het werkwoord de vorm van de persoon die het dichtst bij die staat (ik ben de man die jou bemint)

     

  • HEBBEN EN ZIJN

     

    • Werkwoorden worden doorgaans met hebben vervoegd als ze een lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben, en met zijn wanneer dat niet het geval is
    • Als criteria botsen wint zijn het steeds vaker van hebben
    • Betekenisverschil tussen hebben en zijn: hebben = activiteit / zijn = situatie of verandering
    • iemands gangen nagaan is werkwoordelijke uitdrukking met een versteend lijdend voorwerp (=gangen)

     

  • PROBLEMEN MET GE-

     

    • Scheidbare werkwoorden krijgen bij voltooid deelwoord ge- in het woord (voortgebracht)
    • Onscheidbare woorden krijgen geen ge- (ik heb het ontvangen)
    • Een scheidbaar samengesteld werkwoord heeft de klemtoon op het eerste deel
    • Geen ge- na gebeveronter en voor- en her- (gebruikt, beleefd, verdeeld, ontdekt, ervaren, voorbereid, hergebruikt)
    • Geen klemtoon is geen ge-
  • DE VERLEDEN TIJD

     

    Functies van de verleden tijd. De verleden tijd wordt ook gebruikt:

    1. om een niet-werkelijkheid aan te geven

    2. voorzichtig beleefd te doen

    3. voor het uiten van een wens

    4. voor een bevel dat als een verzoek moet klinken 

    5. om twijfel over het waarheidsgehalte weet te geven

     

    • Onvoltooide en voltooide tijd - ik liep daar/ik heb daar gelopen
    • Wisseling van tijden- Binnen een zin mag alleen van tijd gewisseld worden als er duidelijke redenen zijn om met een andere tijd ook iets anders uit te drukken. (Hij zei dat hij niet van haar houdt/hield)

    Drie redenen voor tijdswisseling: 

     

    1. om een huidige situatie te onderscheiden van situatie in het verleden

    2. ter verlevendiging van het verhaal

    3. om een observatie te onderscheiden van een interpretatie

     

  • HET ONDERWERP TUSSEN ENKELVOUD EN MEERVOUD

     

    Welk getal moet voor de persoonsvorm worden gekozen bij een onduidelijk enkelvoudig/meervoudig onderwerp?

    Negen probleemgevallen:

    1. Meervoud als eenheid - een vaste combinatie van twee begrippen wordt als eenheid gezien; dat geldt ook voor boeken met een titel in het meervoud. Verder gaat het alleen om vaste combinaties. Gebruik dus enkelvoud (Eén plus één is (zijn) twee)

     

    2. Reeksvormend onderwerp - een onderwerp met een reeksaanduider is meervoudig. Maar de reeks als geheel is één reeks. Daarom persoonsvorm in enkelvoud (Zowel A als B is onjuist). 

    • Zowel... als - zijn beide delen even belangrijk, daarom meervoud te verdedigen 
    • Niet alleen... maar ook - accent ligt op tweede deel.Als een van de delen meervoudig is , dan staat de persoonsvorm wel in meervoud
    • Het meervoud wordt gebruikt wanneer de delen van het onderwerp een verschillende persoonsvorm vragen, of wanneer de delen verbonden zijn met en/of

    3. Meervoudige namen - NS zet bussen in

    a. Landen en instellingen met een meervoudige naam krijgen een meervoud (de Verenigde Naties hebben, de Gedeputeerde/Provinciale Staten vergaderen)

    • Dit geldt ook voor afgekorte namen van landen en instellingen ( De VS willen actie, BE en W vergaderen)

    b. Bedrijven en groepen met een meervoudige naam krijgen een enkelvoud (Hoogovens was drie punten hoger; Is C&A echt voordeliger? De NS heeft een kaart)

     

    4. Geleed onderwerp - In een onderwerp met een geleding zoals geen van  of A mét B ligt het accent op het ene deel. Daarom persoonsvorm in enkelvoud (Geen van allen heeft mij iets gezegd)

     

    5. Onderwerp met hoeveelheid of soort - enkelvoud (een kudde geiten is; dit slag mensen is)

     

    6. Onderwerp met enkelvoud en mét meervoud (Een aantal mensen heeft/hebben)

    • Tien jaar is wel lang - als één periode = enkelvoud (collectieve betekenis) en afzonderlijke jaren = meervoud (distributieve betekenis)

    7. Enkelvoud of meervoud dringt zich op Vijf voorbeelden is voldoende

     

    8. Beperkend op bepalend? een van de eerste punten die aandacht vragen/vraagt

    • De beperkende bijzin, een kleinere groep uit een grotere groep, krijgt meervoud.
    • De uniek bepalende bijzin krijgt enkelvoud
    • De uniek bepalende bijzin met groepsbepaling krijgt enkelvoud of meervoud
    • Wanneer uniekheid op de voorgrond staat heeft enkelvoud de voorkeur

    9. Het naamwoordelijk gezegde A zijn B's (Dat zijn kooplieden)

  • ALLE(N), BEIDE(N), DEZE(N), ENZ.

     

    1. Geen -n bij zaak-of dierverwijzing

    2. Geen -n bij persoonsverwijzing in de tekst.

    • Geen -n als het woord bijvoeglijk gebruikt is, dus je er een zelfstandig naamwoord invulbaar is. Ik heb alle collega's gevraagd. Enkele weigerden.

    3. Wel -n bij persoonsverwijzing buiten de tekst.

    • Als er geen zelfstandig naamwoord achter kan. Sommigen bleven hier.

    4. Uitzonderingen:

    • Verwijzing naar persoon en zaak, zonder -n (Jan en draaiorgel stonden beide op de foto)
    • De eersten de besten 
  • DAT OF WAT

     

    Wat

    1.onbepaalde verwijzing 

    2. bij hoedanigheid of algemene aanduiding 

    3. na al(les), enige, dat(gene) en iets

    4. bij schijnonbepaaldheid  (wat heb jij dat ik niet heb?)

  • HUN EN HEN

     

    De regels:

    1. Schrijf hun in derde naamval (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel)

    2. Schrijf hen in vierde naamval (lijdend voorwerp)

    3. Schrijf hen na een voorzetsel

     

    Gebruik liever ze of die of een omschrijving om stijf taalgebruik te omzeilen

  • ONZIJDIGE WOORDEN

     

    • Het-woorden, verwijzing met het, zijn , dit of dat
    • Namen van steden en landen zijn doorgaans onzijdig
    • Bij bedrijven gebruiken we zijn, tenzij de naam een vrouwelijk kernwoord bevat (KLM en haar medewerkers, want maatschappij is vrouwelijk)
  • MANNELIJKE EN/OF VROUWELIJKE WOORDEN

    Opzoeken in woordenboek

    (m.) = mannelijk

    (v.) = vrouwelijk

    de = kan allebei (de taal) vaak in Vlaanderen vrouwelijk en in Nederland mannelijk

     

    Vuistregels:

    a. veel de-woorden kennen beide mogelijkheden

    b. er zijn meer vrouwelijke de- woorden dan mannelijke

    c. de woorden op -ing, -heid, -nis, -schap, -ie, -teit, -tuur zijn vrouwelijk (regering, waarheid, kennis, gemeenschap, organisatie, kwaliteit, apparatuur)

     

    • Grammaticaal of biologisch geslacht? Uitzondering voor persoonsaanduidingen (Het feminisme en zijn/haar voorvechtsters)
    • De- woorden met onzijdige verwijzing met het of dat (die man, dat is mijn buurman)
    • Verzameling-woorden met vrouwelijke verwijzing (het collectief en haar leden)
    • Mannelijke collectiva: de staat, het bestuur, het parlement
    • Vrouwelijke collectiva: gemeente, pers (=media), politie (brandweer is mannelijk en vrouwelijk)

     

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Waar kunt u uw aandacht het beste op richten als u aantrekkelijk wilt schrijven?
Op het concretiseren van moeilijk voorstelbare gegevens of op een juist gebruik van stijlfiguren.
Noem vier voordelen van naamwoorden
1. Het accent ligt niet op de handelende persoon
2. Er is een vaste, herkenbare term nodig
3. Er is verschil in betekenis
4. Een omschrijving met een naamwoord is beknopter
Noem de zes argumenten voor de lijdende vorm.
1. De handelende persoon is onbekend
2. Het noemen van de handelende persoon voegt geen informatie toe
3. De handelende persoon moet op de achtergrond blijven
4. De nadruk ligt niet op de handeling maar op het proces of het resultaat
5. De zin gaat door op het onderwerp uit de vorige zin(nen)
6. Een bedrijvende vorm schept mogelijk een misverstand
Wat is een personificatie?
Een stijlfiguur waarin zaken of begrippen als personen worden voorgesteld.
Op welke manieren kunnen schrijvers leven in hun tekst brengen?
1. Zorg dat de personen in een tekst niet naar de achtergrond verdwijnen.
2. Gebruik een lijdende vorm alleen als deze noodzakelijk is.
3. Zorg ervoor dat het werkwoord belangrijke informatie bevat.
4. Schrijf beeldend.
5. Varieer de zinsbouw.
6. Varieer de woordkeus.
Wat is tautologie?
Een tautologie is een stijlfiguur waarin de volledige betekenis van een woord nogmaals in een ander woord wordt uitgedrukt.
Wat is een pleonasme?
Een stijlfiguur waarin een deel van de betekenis wordt herhaald.
Hoe kan dubbelzinnigheid worden vermeden?
Door woordherhaling.
Wat is een dysfemisme?
Iets onaangenamer of ruwer verwoorden dan strikt genomen nodig is.
Wat is een eufemisme?
Een verzachtende omschrijving voor iets wat we liever niet direct bij de naam noemen.