Summary Stofwisseling

-
243 Flashcards & Notes
2 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Stofwisseling

  • 1 stofwisseling in cellen

  • Wat is stofwisseling (metabolisme)?
    Het geheel van deze chemische omzettingsprocessen in de cellen van een organisme.
  • Wat doen levende cellen?
    ze  nemen stoffen op uit hun omgeving, zetten stoffen om en geven stoffen af aan hun omgeving. Ook energie wordt opgenomen, omgezet en afgegeven.
  • Wat kunnen cellen met chlorofyl?
    energie in de vorm van licht opnemen.
  • Wat moeten de andere cellen zonder chlorofyl doen?
    Die moeten stoffen opnemen die energierijk zijn.
  • Wat is chemische energie?
    De energie in energierijke stoffen
  • Wat is assimilatie?
    De opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen. Dus uit kleine moleculen ontstaan grote organische moleculen...
  • Geef voorbeelden van organische stoffen?
    koolhydraten, vetten, eiwitten en DNA.
  • Door assimilatie ontstaan de organische stoffen waaruit de cellen van een organisme bestaan. War kunnen deze voor dienen?
    als brandstof, reservestof, bouwstof of informatiedrager.
  • Wat is dissimilatie?
    Door de afbraak van organische moleculen komt energie beschikbaar. De afbraak van organische moleculen noem je dissimilatie.
  • Waar kan de energie die voor assimilatie nodig is vandaan komen?
    van dissimilatie.
  • Voor welke andere processen in de cel is ook energie van dissimilatie nodig?
    zoals transport.
  • Wat is verbranding in de cellen?
    Dat is een dissimilatieproces waarbij zuurstof wordt verbruikt. De brandstof voor deze verbranding is meestal glucose.
  • Wat zijn organische stoffen?
    - koolstofverbindingen ---> de moleculen bevatten een of meer ketens van koolstofatomen
    - de koolstofketen kunnen enkele atomen lang zijn, maar kunnen ook duizenden koolstofatomen bevatten.
    -bevat naast het element (C) ook (H) en vaak (O)
    - is energierijk
    - Ook elementen stikstof (N), zwavel (S) en fosfor (P) komen vaak voor
    - metaalionen kunnen ingebouwd zijn in organische moleculen.
  • Wat zijn anorganische stoffen?
    - slechts enkele koolstofverbindingen met kleine moleculen waarin slechts één koolstofatoom voorkomt
  • Wat is glucose?
    voorbeeld van een organische stof met een relatief korte koolstofketen. In een glucosemolecuul komt een keten van zes koolstofatomen voor.
  • Wat zijn planten en cyanobacteriën?
    Deze zijn autotroof. Ze zijn in staat glucose te vormen uit de anorganische stoffen koolstofdioxide ( of of  een andere stof met waterstof).
  • Wat is koolstofassimilatie?
    Planten en cyanobacteriën zijn in staat glucose te vormen uit de anorganische stoffen koolstofdioxide en water (of een andere stof met waterstof).  Voor dit proces is energie nodig.
  • Waar halen planten en cyanobacteriën de energie voor koolstofassimilatie vandaan?
    Ze gebruiken de energie in (zon)licht  (fotosynthese).
  • Wat zijn heterotrofe organismen?
    Zij zijn niet in staat organische stoffen te vormen uit alleen anorganische stoffen. De meeste bacteriën , de schimmels en de dieren zijn heterotroof. Zij moeten voor de opbouw van hun cellen organische stoffen als voedsel opnemen.
  • Wat is de grondstof voor voortgezette assimilatie?
    glucose is de grondstof voor de vorming van andere koolhydraten, vetten, eiwitten en DNA.
  • Wat is nodig voor de voorgezette assimilatie in autotrofe organismen?
    onder andere mineralen zoals nitraten en fosfaten.
  • Waar zijn stofwisselingsprocessen waarbij energie nodig is (bijvoorbeeld de assimilatie van organische moleculen) aan gekoppeld?
    aan de splitsing van ATP.
  • Hoe wordt ATP gevormd?
    bij de fotosynthese in de chloroplasten en bij de verbranding in de mitochondriën.
  • Waar zijn de moleculen van de stof ATP (adenosinetrifosfaat) voor nodig?
    Ze transporteren chemische energie naar plaatsen in de el waar energie nodig is.
  • Waar is ATP uit opgebouwd?
    het is een nucleotide, een van de bouwstenen van nucleïnezuren. ATP bestat uit adenosine (dat is opgebouwd uit adenine en ribose) en drie fosfaatgroepen. In de bindingen tussen de fosfaatgroepen is veel chemische energie vastgelegd.
  • Wat gebeurd er wanneer de derde fosfaatgroep van ATP wordt afgesplitst?
    Dan ontstaat (ADP) (adenosinedifosfaat). De energie die hierbij beschikbaar komt, kan voor allerlei levensprocessen worden gebruikt, zoals de samentrekking van spieren, het transport van stoffen op de opbouw van eiwitmoleculen..
  • Wat is fosforylering?
    ATP kan worden gevormd bij dissimilatiereacties (bijv. dissimilatie van glucose) en bjj de lichtreacties van de fotosynthese. De energie die bij deze reacties beschikbaar komt, wordt gebruikt om een fosfaatgroep te binden aan ADP. Hierbij ontstaat ATP. In reactievergelijkingen wordt een vrije fosfaatgroep vaak weergegeven door Pi ('inorganicphosphate')
  • Wat is de regel in de niet-levende natuur?
    wanorde en de spreiding van stoffen en energie.
  • Wat zijn cellen?
    ruimtes omgeven door een membraan, met complexe en geordende structuren, concentraties van energierijke stoffen en een nauwkeurig gestuurde stofwisseling.
  • Waar zijn assimilatie en de handhaving van de bouw van een organisme alleen door mogelijk?
    Door een voortdurende toevoer van energie uit de omgeving. Bij afwezigheid van licht of energierijke verbindingen ('voedsel') is geen leven mogelijk.
  • Waar is de geordende bouw en geregelde stofwisseling op gebaseerd?
    op informatie. Deze is afkomstig van buiten de cel en aanwezig binnen de cel. Cellen reageren bijvoorbeeld op veranderingen in de temperatuur, de zuurgraad en het vochtgehalte van het hen omringende milieu en op stoffen die omringende cellen afgegeven. Informatie in DNA-moleculen beïnvloedt de bouw en de stofwisseling.
  • Waar moet leven uit zijn ontstaan?
    uit niet-leven. Verondersteld wordt dat eenvoudige organische verbindingen kunnen zijn ontstaan bij vulkanische activiteit van de vroege aarde.
  • Welke bouwstenen kunnen de basis vormen voor eenvoudige levensvormen?
    Bij onderzeese geisers of black smockers en in resten van meteorieten zijn organische verbindingen aangetoond zoals, koolhydraten, vetzuren, aminozuren en nucleotiden. Een 'chemische evolutie' kan vooraf zijn gegaan aan de biologische evolutie.
  • Wat is de hypothese van de "RNA-wereld'?
    In een experiment werden aminozuren of nucleïnebasen op een minerale ondergrond van klei of rots gedruppeld. Daarbij ontstonden in verschillende richtingen vertakte polymeren. Het is mogelijk dat de gevormde structuren hebben gediend als stoffen die het verloop van verschillende chemische reacties bij ontstaan van leven bevorderen.
  • Wat zijn abiotische gevormde blaasjes?
    Blaasjes gevuld met vloeistof en omgeven door een selectief permeabel membraan, blijken zich soms te kunnen delen en een chemische samenstelling te bevatten waarin replicatie en eenvoudige stofwisseling plaatsvinden. Zulke blaasjes kunnen zich spontaan vormen als vetten of andere koolwaterstofverbindingen worden gemend met water water.
  • Wat zou er kunnen gebeuren als zulke blaasjes RNA bevatten?
    dan kunnen dit de eerste 'protocellen' zijn geweest. RNA speelt nog steeds een centrale rol in de stofwisseling van cellen. De structuur van RNA heeft veel overeenkomsten met de molecuulstructuur van energiedragers en belangrijke enzymen in de celstofwisseling.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Medicinale behandeling van een te snel werkende schildklier:
  1. bètablokker (propranolol): trillen wordt minder en hartslag rustiger;
  2. productie van schildklierhormoon verminderen door specifieke medicatie.
Hoe wordt een te snel werkende schildklier onderzocht?
  1. palpatie: de vorm = meestal vergroot en harder. Kanook pijnlijk zijn;
  2. echografie: de structuur van de schildklier.
  3. labtests: verhoogde schildklierhormoonspiegel (vT4) in het bloedserum;
  4. bloedtest: onderzoek de werking van de hypofyse (TSH).
Noem de uiteenlopende symptomen van een te snel werkende schildklier (vaak voel- of zichtbaar)
  1. warme en vochtige huid;
  2. trillende vingers;
  3. versnelde hartslag;
  4. kortademigheid;
  5. diarree (soms chronisch en dan op zichzelfstaand symptoom);
  6. slechte warmtetolerantie;
  7. verhoogde neiging tot zweten.
  8. vermoeid;
  9. nerveus;
  10. gejaagd bewegen;
  11. uitpuilende ogen (exoftalmus);


Bij ouderen kan een te snel werkende schildklier worden vermomd door symptomen als boezemfibrileren of hartfalen.
Waaruit bestaat de behandeling van een traagwerkende schildklier?
  1. aanvullen van het tekort aan schildklierhormoon (thyroxine);
  2. dosering gebeurt nauwkeurig = afhankelijk van symptomen en gevoelens;
  3. controle d.m.v. bloedtests -> meestal noodzakelijk voor de rest van het leven.
Wat is de beste behandeling bij stoornissen in de bloedsomloop bij mensen met diabetes?
Preventie:
  1. niet op blote voeten lopen;
  2. goede hygiëne van voeten en tenen;
  3. goede maat schoenen;
  4. pedicure;
  5. observatie. 
Wat zijn de gevolgen van een lage temperatuur in de cel voor de moleculen? (= de omstandigheden bijv. temp.)
  1. lagere beweging van de moleculen
  2. gevolg: een reactie komt minder snel tot stand dan bij een hogere temperatuur.
  3. oorzaak: de botsingen zijn niet sterk genoeg om een reactie op gang te brengen.
De meesten soorten organismen kunnen ook glucose dissimileren zonder zuurtsof. Wat ontstaat er als bij anaerobe dissimilatie als de vrijgekomen energie wordt opgeslagen?
Er ontstaat dan melkzuur in de spieren.
Welk molecuul is groter, de organische of de anorganische.
De organische molecuul is groter.
Door verbranding van .... verkrijgen spiercellen en andere cellen energie voor levensprocessen.
glucose
Wat zijn de belangrijkste bronnen van cholesterol in onze voeding?
  1. dierlijke vetten;
  2. melkvetten;
  3. orgaanvlees;
  4. eieren.