Summary Strafprocesrecht

-
ISBN-10 9013121799 ISBN-13 9789013121797
299 Flashcards & Notes
10 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Strafprocesrecht". The author(s) of the book is/are Berend F Keulen G Knigge. The ISBN of the book is 9789013121797 or 9013121799. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Strafprocesrecht

  • 1 Inleiding

  • Wat is een verdachte?
    De verdachte is een vrije burger die er door de overheid van wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan.
  • De positie van een verdachte als persoon 'charged with a criminal offence' wordt beheerst door:
    De onschuldpresumptie en het nemo tenetur-beginsel.
  • 1.1.3 Strafproces en waarheidsvinding

  • Gaat het in het Nederlandse strafproces met name om het vinden van de procedurele waarheid? 
    Naar omstandigheden die niet relevant zijn voor de beslissing van de rechter of een ten laste gelegd feit bewezen en de verdachte bestraft kan worden, hoeft niet te worden gezocht. Het strafproces is gericht op het vinden van de waarheid voor zo ver dit relevant is voor de beslissing of het ten laste gelegde feit bewezen kan worden volgens juridische regels. Deze juridische regels kunnen ook tot gevolg hebben dat duidelijk is dat iemand een strafbaar feit heeft begaan, maar dat het bewijs hiervoor gevonden is na overtreding van strafprocesrechtelijke regels. Indien bijvoorbeeld als gevolg van een onrechtmatige doorzoeking van een woning de rechter besluit dat de vondst van kilo’s cocaïne in die woning niet gebruikt mag worden voor het bewijs, zal de verdachte moeten worden vrijgesproken tenzij er voldoende ander bewijs voorhanden is.

    Dit betekent dat ook in het strafproces – zij het in veel minder sterke mate dan in het civiele proces – genoegen wordt genomen met de proceswaarheid. Absolute zekerheid kan ook de strafrechter zich in vele gevallen niet verwerven. Het blijft mensenwerk.
  • 1.3 De bronnen van het strafprocesrecht

  • De bronnen van het strafprocesrecht 
    De bronnen van het strafprocesrecht kunnen worden onderscheiden in geschreven en ongeschreven bronnen. De voornaamste bron van het strafprocesrecht is het Wetboek van Strafvordering. Van cruciaal belang is artikel 1 Sv: "Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien". Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat ook het strafprocesrecht geschreven recht is; we zullen echter zien dat daarop nog aanzienlijk méér valt af te dingen dan bij het materiële strafrecht. Verder leert artikel 1 ons, dat het strafprocesrecht in de wet geschreven is, hier op te vatten als wet in formele zin.
  • 1.3.5 Beginselen

  •  Wat houdt het nemo tenetur-beginsel in? 
    Het nemo tenetur-beginsel, dat ook wel omschreven wordt als het beginsel dat je niet verplicht kan worden aan je eigen veroordeling mee te werken, heeft onder meer in artikel 29 Sv een neerslag in de wet: het zwijgrecht. In de wet is echter een aantal uitzonderingen op dit beginsel opgenomen, waaruit blijkt dat de werking niet absoluut is. Zo ben je verplicht als bestuurder van een auto medewerking te verlenen aan een voorlopige blaasproef op grond van artikel 160 lid 5 WVW 1994 en nadat er een verdenking is gerezen dat er sprake is van overtreding van artikel 8 WVW 1994, is de bestuurder verplicht mee te werken aan een ademanalyse (art. 163 lid 2 WVW). Daarnaast biedt de wet impliciet mogelijkheden om het zwijgrecht te beperken. Bij het toepassen van bijvoorbeeld de bevoegdheid genoemd in artikel 126j Sv kan een verdachte tegen een politieambtenaar verklaringen afleggen zonder dat hij op de hoogte is dat het om een politieambtenaar gaat en zonder dat hem de cautie wordt gegeven. Onder omstandigheden wordt dit toegestaan.
  • Op welke wijze komen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit in art. 7 lid 1 Politiewet 2012 tot uitdrukking?
    De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel die, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt (proportionaliteit) en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf (subsidiariteit).
  • 1.4 Het legaliteitsbeginsel

  • Welke consequenties heeft het ‘legaliteitsbeginsel’ voor de activiteiten van de politie?
    Uit artikel 3 Politiewet volgt dat naast strafvorderlijke taken de politie ook andere taken heeft, zoals handhaving van de openbare orde en hulpverlening. 
  • Hoe verhoudt zich deze algemene taakstellende bevoegdheid (zie in dat kader ook art. 141 Sv) tot het legaliteitsbeginsel van artikel 1 Sv?
    Artikel 1 Sv kan zowel ruim als eng uitgelegd worden. In de ruime uitleg mag ter opsporing van een strafbaar feit enkel dat gebeuren, wat de wet uitdrukkelijk toelaat. Immers, alleen dan komt de waarborgfunctie van het strafprocesrecht volledig tot haar recht. Een dergelijke uitleg stemt ook nauwkeurig met de letter van de wet overeen. Wanneer artikel 1 Sv eng wordt uitgelegd, betekent dit dat Artikel 1 Sv slechts bescherming biedt tegen inbreuken op de vrijheids- of grondrechten van de burger: diens fysieke vrijheid en zijn privacy (waaronder te begrijpen: het huisrecht, het brief- en telefoongeheim, enz.). Activiteiten, die deze vrijheid niet aantasten, vallen niet onder artikel 1 Sv; alleen voor activiteiten, die inbreuk maken op de vrijheidsrechten, is een wettelijke grondslag nodig.
    Deze 'enge' opvatting van artikel 1 Sv heeft ook de Hoge Raad tot de zijne gemaakt. Is geen sprake van een inbreuk of is slechts sprake van een lichte inbreuk, dan wordt politieel handelen gegrond op de algemene taakstellende bevoegdheid van artikel 3 Politiewet en/of artikel 141 Sv. Dan is geen regeling in het WvSv vereist, omdat geen inbreuk op grondrechten (vaak: de persoonlijke levenssfeer) van burgers wordt gemaakt.
  • Ordenend politieoptreden (handhaving van de openbare orde) is geen strafvorderlijk optreden; het valt dan ook niet onder het bereik van artikel 1 Sv. Heeft de overheid bij deze activiteiten dan méér vrijheid om de grondrechten van de burger aan te tasten dan wanneer zij strafvorderlijk optreedt?
    Ook bij ordenend optreden gelden vanzelfsprekend de Grondwet en verdragen. Zij geven – naast de van toepassing zijnde wettelijke regeling en de Algemene Wet Bestuursrecht – aan in hoeverre de politie bij ordenend optreden op de daarin opgesomde vrijheidsrechten inbreuk mag maken. Om de toelaatbaarheid van die inbreuken te beoordelen zal telkens afzonderlijk moeten worden bezien of en in hoeverre Grondwet of verdrag inbreuk op het betreffende vrijheidsrecht mogelijk maken (zie bijv. art. 8 lid 2 EVRM). Doorgaans wordt een eis gesteld, die vergelijkbaar is met die van artikel 1 Sv; maar in het bijzonder het EVRM gaat daarbij minder ver, en neemt genoegen met een grondslag in het recht, in plaats van in de (formele) wet.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.