Summary Syllabus economie examen 2019

-
121 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Syllabus economie examen 2019

  • 1 Domein D: Markt

  • Wat is het verschil tussen een abstracte markt en een concrete markt?
    abstract-> vrijwel iedere markt (de markt voor tv's, vliegreizen, oliemarkt of de arbeidsmarkt)

    concreet-> markt waarbij je denkt aan een bepaalde plaats waar vragers en aanbieders bij elkaar komen (bijv. een veiling/ rommelmarkt)
  • Wat is een inferieur goed ?
    Dit is eengoed waarvan de consument minder gaat kopen als zijn inkomen stijgt en waarvan hij meer gaat kopen als zijn inkomen daalt. De inkomenselasticiteit van een inferieur goed is negatief.



    Bijv. men zal met een hoger inkomen eerder op een buitenlandse vakantie gaan. Een vakantie in Nederland is dan een inferieur goed. 
  • wat is een complementair goed/ aanvullend goed?
    goederen die in combinatie worden gebruikt. 

    Bijv. Veel mensen drinken koffie met suiker, dan is suiker een complementair goed. 
  • Wat is een substitutie goed?
    een goed dat in plaats van een ander goed gebruikt kan worden.
  • geef een voorbeeld van een positief en een negatief extern effect.
    positief-> het aanleggen van een mooie tuin / uiterlijk verbeterd enz. 
    negatief-> milieu vervuiling. 
  • Wat is parallellisatie ? denk aan bedrijven.
    Wanneer en bedrijf goederen toevoegt aan zijn verkoop- of productieassortiment. 

    Het staat tegenover specialisatie (= een bedrijf concentreert zich op de productie van een kleiner assortiment goederen)
  • Wat is het verschil tussen Homogene en Heterogene goederen?
    Homogene -> goederen die door de vragers als gelijk worden gezien. Er bestaat geen voorkeur voor de aanbieder, dus men laat zich door de prijs leiden. 

    Heterogene -> gelijksoortige producten, maar de kopers hebben een voorkeur (dit is het gevolg van productdifferentiatie) 
  • Monopolie -> één bedrijf neemt bijna de hele markt in beslag 

    Oligopolie -> er zijn meerdere grote bedrijven op de markt 
  • Door de verandering van prijs zullen economische gevolgen optreden. In welke twee effecten kun je deze onderverdelen?
    inkomenseffect -> invloed van een prijsverandering op het reële inkomen of de koopkracht. 

    Substitutie-Effect -> door de verandering van een prijs zal men gaan overstappen naar een alternatief. 
  • Een vraaglijn kan verschuiven bij verandering van welke 4 factoren?
    - de behoefte van de consument
    - aantal consumenten 
    - inkomen 
    - prijs van andere goederen 
  • Wat is een consumentensurpus?
    Verschil tussen het bedrag dat een consument/consumenten willen betalen en de te betalen prijs (bovenste driehoek)
  • Wat is een producentensurplus?
    Het verschil tussen de ontvangen prijs (marktprijs) en de minimale prijs waartegen een bedrijf of bedrijven het product willen aanbieden.
  • Wat zijn de kenmerken van een volkomen concurrentie/ volledig mededinging?
    Een groot aantal aanbieders: iedere individuele producent is klein en heeft geen invloed op de prijs. 
    Een homogeen product: voor de consument zijn alle exemplaren van het product 
  • Wat is het verschil tussen de omzet en de afzet?
    Omzet = de geldelijke opbrengst van de verkoop 

    afzet = Hetzelfde als de verkochte hoeveelheid. 
  • Wat geeft de elasticiteit aan?
    In welke mate een grootheid (het gevolg) reageert op een andere grootheid (de oorzaak).
  • Wat geeft de prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid aan?
    In welke mate de gevraagde hoeveelheid verandert als de prijs verandert.
  • Wat geeft de Kruislingse prijselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid aan?
    in weke mate de gevraagde hoeveelheid van een bepaald goed verandert, als de prijs van een ander goed verandert.
  • Wat geeft de inkomenselasticiteit van de gevraagde hoeveelheid aan?
    In welke mate de gevraagde hoeveelheid verandert, als het inkomen verandert.
  • prijselasticiteit en soort product:

    - inelastische producten  -1 < e < 0
      * noodzakelijke goederen
      * complementaire goederen

    - Elastische producten e < -1
      * luxegoederen
      * substitueerbare goederen
  • Inkomenselasticiteit en soort goederen:


    - Negatieve elasticiteit  e < 0 
      * inferieure goederen 
    - Elasticiteit 0 < e < 1
      * normale goederen
    - Elasticiteit e > 1 
      * luxe goederen 
  • prijszetter
    Producent die min of meer zelfstandig zijn prijs kan vaststellen en daardoor zijn afzet beïnvloedt.
  • Wanneer ontstaan schaalvoordelen?
    Als bij een grote productieomvang de kosten per eenheid product (GTK) laag zijn.
  • Wat is patent/octrooi?
    het exclusieve recht tot het maken van een zeker artikel.
  • Oligopolie
    Martkvorm met weinig aanbieders en veel vragers of kopers. Als de vier grootste bedrijven die en bepaald product op de markt brengen meer dan 60% van de markt in handen hebben.
  • Heterogeen oligopolie
    Weinig aanbieders die de markt voor een bepaald heterogeen product in handen hebben.
  • homogeen oligopolie
    Weinig aanbieders die de markt voor een bepaald homogeen product in handen hebben.
  • Kartel
    Samenwerkingsverband tussen bedrijven om de concurrentie te beperken.
  • Harbergerdriehoek -> Welvaartsverlies
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.