Summary The student's guide to cognitive neuroscience

-
ISBN-10 1841695351 ISBN-13 9781841695358
177 Flashcards & Notes
13 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "The student's guide to cognitive neuroscience". The author(s) of the book is/are Jamie Ward. The ISBN of the book is 9781841695358 or 1841695351. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - The student's guide to cognitive neuroscience

  • 1.1.1 Philosophical approaches to mind and brain

  • Wat houdt the mind-body problem in?
    Hoe kan een fysieke substantie gevoelens, gedachten en emoties teweegbrengen?
  • Wat houdt dualisme in en wie is de bedenker van deze theorie?
    René Decartes geloofde dat de mind niet-fysiek was en onsterfelijk en het lichaam fysiek en sterfelijk. Hij suggereerde dat ze interacteren via de hypofyse. Stimulatie in de gevoelsorganen zou vibraties veroorzaken in het lichaam/brein die opgepikt zouder worden in de hypofyse en dit kan een niet-fysieke vorm van bewustzijn creeeren.
  • Wat was de theorie van Spinoza over mind en brein? Hoe noem je deze theorie?
    Spinoza (1632-1677) zei dat mind en brein twee verschillende niveaus waren van uitleg voor hetzelfde ding, niet twee verschillende dingen. Deze theorie noem je dual-aspect theorie en het blijft populair bij sommige huidige onderzoekers in het veld.
  • Wat wordt er met het reductionisme bedoeld? Wat is hierbij de conclusie?
    Er wordt gesteld dat ookal cognitieve, mind-based concept tegenwoordig nuttig zijn voor wetenschappelijke exploratie, ze zullen uiteindelijk vervangen worden door puur biologische constructies. Zo kunnen emoties, herinneringen en aandacht later dus vertaald worden naar patronen van neuronale firings, neurotransmitter-release).
    Conclusie: psychologie zal uiteindelijk gereduceerd worden tot biologie naarmate we steeds meer leren over de hersenen
  • 1.1.2 Scientific approaches to mind and brain

  • Wat kon Aristoteles vertellen over het brein?
    De lichaam/brein ratio was in de  meer intellectuele soorten het grootst. Maar hij claimde wel dat cognitie een product was van het hart en niet van het brein. Hij geloofde dat het brein optrad als een koelingssysteem: hoe hoger het intellect, des te groter het koelingssysteem dat benodigd is.
  • Wat dachten Galen, Vesalius in het Romeinse tijdperk over de locatie van de mentale ervaringen?
    Dat deze zich afspeelden in de ventrikels, er was niet veel aandacht voor de cortex
  • Wat houdt de phrenology van Gall en Spurzheim (1776-1832) in? Waarom was deze theorie zo belangrijk?
    Er is sprake van 2 hoofdaannames:
    • Verschillende regio's van het brein zorgen voor verschillende functies en zijn geassocieerd met verschillende gedragingen
    • De grootte van deze regio's produceert verstoringen van de schedel en correleert met individuele verschillen in cognitie en persoonlijkheid
    --> Eerste notie van functionele specialisatie binnen het brein.
  • Wat valt er te zeggen over Broca en Wernicke?
    Als er een laesie is in het Broca-gebied, dat is in de buurt van het auditieve centrum--> spraakprobleem. Wernicke laesie--> probleem met het begrijpen van taal.
  • Hoe kan cognitieve neuropsychologie beschreven worden?
    De benadering van patienten gebruiken met verkregen hersenschade om theorieen van normale cognitie te informeren.
  • Waar liggen de moderne funderingen van cognitieve psychologie?
    In de computer metafoor van het brein en de informatieverwerkings aanpak. Broadbent (1958) zei dat veel van cognitie bestaat van een volgorde van verwerkingsstadia (boxdiagrammen). De implicatie hierbij was dat men het cognitieve systeem kon snappen op dezelfde manier als  de serie stappen die worden uitgevoerd door een computerprogramma en zonder referentie naar het brein.
  • Veel cognitieve modellen bevatten een element van interactie en parallel processing. Wat is interactivity?
    Waar verwijst parallel processing naar?
    Interactivity verwijst naar het feit dat fases in processen niet geheel gescheiden zijn en dat latere stadia kunnen beginnen voordat eerdere stadia compleet zijn. Bovendien zouden latere stadie de uitkomst van de eerdere beinvloeden (top-down-processing).
    Parallel processing verwijst naar het fiet dat veel verschillende soorten informatie tegelijkertijd geproduceerd kunnen worden.
  • 1.1.3 The birth of cognitive neuroscience

  • Wat is het grote onderscheid tussen recording methods en stimulation methods in cognitieve neurowetenschap?
    Elektrische stimulatie van het brein wordt tegenwoordig amper uitgevoerd. Dit gaat nu middels magnetische en niet electrische velden en wordt transcaraniale magnetische stimulatie genoemd (TMS) deze wordt meer toegepast over de schedel dan het brein. Daarnaast heb je electrophysiological methods (EEG/ERP en single-cellrecordings) en magnethophysiological methods (MEG) deze nemen de elektrische/magnetische eigenschappen van neuronen zelf op.
    Verder heb je functionele imaging methods (PET en fMRI) welke physiologische veranderingn opnemen die geassicieerd zijn met bloedvoorziening naar het brein welke langzamer over tijd veranders--> haemodynamische methodes.
  • In welke dimensies kunnen de methodes binnen de cognitieve neurowetenschap geplaatst worden?
    • De temporale resolutie: De nauwkeurigheid met welke iemand kan meten wanneer een gebeurtenis optreedt. De effecten van hersenschade zijn permanent en dus heeft dit geen temporale resolutie as such. Methoden als EEG, MEG, TMS en single-cell recording hebben ms resolutie. PET en fMRI hebben temporale resoluties van minuten en seconden die de langzame haemodynamische respeons reflectern.
    • De spatiale resolutie: Verwijst naar de nauwkeurigheid met welke men kan meten waar een event optreedt. Laesie en functional imaging methoden hebben vergelijkbare resolutie op het mm niveau, single-cell recordings hebben daarintegen spatiale resolutie op het niveau van het neuron.
    • De invasiviteit van een methode verwijst naar of de uitrusting intern of extern gelocaliseerd is. PET is invasief omdat het een injectie nodig heeft van een radioactieve isotoop. Single-cell recordings worden uitgevoerd op het brein zelf en dat normaal alleen in niet-menselijke dieren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hieronder ziet u een afbeelding waarin schematisch wordt weergegeven hoe de cortex zich zou ontwikkelen.
In A is een deel van het ontwikkelend brein zichtbaar gemaakt. Dit deel bestaat uit een ventrikel met daaromheen een subventriculaire zone. Er wordt verondersteld dat deze subventriculaire zone een primitieve afspiegeling geeft van de organisatie van de cortex. Op deze manier kan een deel van deze zone cellen produceren die zullen migreren naar de visuele context en een ander deel van deze zone kan cellen ontwikkelen die de frontaalkwab als bestemming hebben. De cellen worden daarin bijgestaan door radiale gliacellen. Deze cellen zijn al te zien bij A als de kleine lijntjes. In B is dit duidelijker te zien. De gliacellen hebben een vezel van de subventriculaire zone naar de cortex. Een migrerend neuron kan vanuit de subventriculaire zone deze vezel volgen naar de goeie locatie. In C is hierop verder ingezoomd. Dit proces zorgt ervoor dat de cortex laag voor laag en van binnen naar buiten wordt ontwikkeld. In B is ook een neuron te zien dat niet migreert volgens een glia-cel. Sommige neuronen volgen een bepaald chemisch signaal. Het is nog onduidelijk waarom dit als zodanig gebeurt.
Beargumenteer welke van de emotietheorieën die hieronder genoemd worden tenminste gedeeltelijk gebaseerd zijn op beeldvormend hersenonderzoek naar emotionele processen.Kies één of meer antwoordenFeldman BarrettJames & LangeCannon & BardPapezEkmanRolls
Alleen Feldman-Barrett’s en Roll’s emotietheorieen zijn gebaseerd op beeldvormend neurowetenschappelijk onderzoek. Ten tijde van het ontstaan van de andere theorieën waren de beeldvormende technieken (PET, MRI, MEG) nog niet ontwikkeld.
Articulatory loop
A short-term memory store for verbal material that is refreshed by subvocal articulation
Een kortetermijngeheugen voor verbaal materiaal dat wordt ververst door subvocale articulatie
Arcuate fasciculus
A white matter bundle that connects the temporo-parietal region to the frontal lobes
Een witte stofbundel die het temporo-pariëtale gebied verbindt met de frontale kwabben
McGurk illusion
An auditory perception derived from a fusion of mismatching heard speech and seen speech
Een auditieve perceptie afgeleid van een fusie van mismatching gehoorde spraak en geziene spraak
Co-articulation
The production of one phoneme is influenced by the preceding and proceeding phonemes
De productie van één foneem wordt beïnvloed door de voorafgaande en volgende fonemen
Voicing
Vibration of the vocal cords that characterizes the production of some consonants
Trilling van de stembanden die kenmerkend zijn voor de productie van sommige medeklinkers
Formants
Horizontal stripes on the spectrogram produced with a relative free flow of air (e.g. by vowels)
Horizontale strepen op het spectrogram geproduceerd met een relatieve vrije luchtstroom (bijvoorbeeld door klinkers)
Allophones
Different spoken/acoustic renditions of the same phoneme
Verschillende gesproken / akoestische uitvoeringen van hetzelfde foneem
Spectrogram
This plots the frequency of sound (on the y-axis) over time (on the x-axis) with the intensity of the sound represented by how dark it is
Hiermee wordt de frequentie van het geluid (op de y-as) in de loop van de tijd (op de x-as) uitgezet, waarbij de intensiteit van het geluid wordt weergegeven door hoe donker het is