Summary Thema 10

-
383 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Thema 10

  • 1 Thema 10

  • Wat moet er minimaal aanwezig zijn in een definitieve hypothese (en fysiotherapeutische diagnose?
    Leeftijd en contact reden, gezondheidsproblemen qua aard, tijdslijn, prognose
  • Verschijnselen die de patiënt aangeeft (pijn, moeheid) maar die niet door de fysiotherapeut kunnen worden waargenomen noemen we:
    Symptomen
  • Klinische verschijnselen die objectief waarneembaar zijn voor de fysiotherapeut (roodheid, zwelling) noemen we:
    Signs
  • SMART staat voor?
    Specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden
  • Wat is het doel van een behandelplan?
    Schriftelijk vastgelegd overzicht van te bereiken doelen, voorgenomen verrichtingen en werkwijze
  • In een behandelplan worden in eerste instantie 7 dingen vastgelegd dit zijn?
    1 Hoofd/einddoel
    2 subdoelen
    3 wanneer moet het doel behaald zijn
    4 interventies
    5 verwacht aantal sessies
    6 evaluatiemomenten
    7 vastgelegde afspraken tussen fysio en patiënt
  • De behandeldoelen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen, dit zijn?
    1 De doelen moeten SMART zijn
    2 ondertekend zijn door de patiënt
    3 het hoofddoel is nooit op stoornisniveau maar op participatieniveau
    4 de doelen kunnen aan de hand van ICF worden geformuleerd (participatieniveau, activiteitenniveau, functieniveau)
  • Noem de 4 kenmerken van fysiotherapeutisch methodisch handelen
    1 Doelgericht
    2 Bewust
    3 Systematisch
    4 Procesmatig
  • De 4 strategieën voor probleemoplossing zijn?
    1 Hypothetico-deductieve benadering
    2 Patroonherkenning
    3 Algoritme/beslisboom
    4 Verzamelmethode
  • Als je een diagnose stelt door meteen vanaf het begin opstellen van hypothesen noemen we dit de .... benadering
    Hypothetico-deductieve
  • Als je een diagnose stelt aan de hand van de ervaring die je hebt met andere patiënten noemen we dit ......
    Patroonherkenning
  • Als je een diagnose stelt door aan de hand van een vastgesteld plan pathologieën uit te sluiten noemen we dit ...... of .......
    Algoritme of beslisboom
  • Als je een diagnose stelt door alles te testen en onderzoeken noemen we dit ....
    Verzamelmethode
  • De doelstelling van het ...... is om te besluiten of de patiënt geïndiceerd is voor verdere behandeling.
    Screeningsproces
  • Waar staan de letters N-PIP voor?
    Non Patiënt Indentified Problems
  • Waar staan de letters PIP voor
    Patiënt identified problems
  • Noem de 9 kenmerken van de fysiotherapeutische diagnose
    1 Leeftijd
    2 Geslacht
    3 Medische diagnose
    4 Stoornissen
    5 Beperkingen in activiteiten en participatie   
    6 Beloop
    7 Prognose
    8 Herstel belemmerende factoren   
    9 Indicatie voor fysiotherapie
  • Tijdcontingent trainen legt de focus op doelen in de tijd onafhankelijk van pijn, dit noemen we
    Graded activity
  • Graded activity is een gedragsmatige interventie en gaat niet uit van het fysiologische herstel, daarom duurt de gemiddelde behandeling .... weken
    12 weken
  • Het leerproces waarbij een respons in gevolgd wordt door een bekrachtiging of bestraffing noemen we?
    Operante conditionering
  • Bij welk soort patiënten wordt graded activity voornamelijk toegepast?
    Chronische pijnpatiënten
  • Kinesiofobie is?
    Bewegingsangst
  • Een graded activity programma bestaat uit 3 fases:
    1 Startfase
    2 Behandelfase
    3 Generalisatiefase
  • Op hoeveel procent van de baseline begin je met trainen bij graded activity
    80%
  • De startfase bij graded activity is vooral gericht op
    Educatie van de patiënt
  • In welke fase van graded activity ga je zo ADL/functie gericht mogelijk trainen met de patiënt?
    Generalisatiefase
  • Het beweging continuum van COTT bestaat uit 8 niveau's van klein naar groot zijn dit:
    1 Moleculair
    2 Cellulair
    3 Weefsel
    4 Orgaan/tractus
    5 Organisme
    6 Individu
    7 Mens in zijn omgeving
    8 Mens in de samenleving
  • Wat zijn de belangrijkste vragen om te beantwoorden volgens COTT
    1 Wat wil de patiënt kunnen?
    2 Wat kan de patiënt nu?
    3 Kan dit bij elkaar komen?
  • Welke vragen moet je beantwoorden om het model van COTT te kunnen toepassen?
    1 Welke interne factoren hebben invloed?
    2 Welke externe factoren hebben invloed?
    3 Wat is het instapniveau om het movement contunuum
  • Noem 8 pathologieën van de schouder
    1 Frozen shoulder
    2 Impignement
    3 Rotator cuff pathologie
    4 Atrose
    5 SLAP
    6 Bankart leasie
    7 Luxatie
    8 GIRD
  • Hoeveel procent van de schouderklachten zijn subacromiale klachten?
    80%
  • De prognose voor schouderklachten is in de meeste gevallen ... gunstig
    niet
  • Hoeveel procent van de schouderklachten is na 6 weken hersteld bij natuurlijk beloop?
    30%
  • Hoeveel procent van de schouderklachten is na 6 maanden hersteld bij natuurlijk beloop?
    50%
  • Hoeveel procent van de schouderklachten is na 12 maanden hersteld bij natuurlijk beloop?
    60%
  • Benoem de negatieve prognostische factoren voor schouderklachten
    1 langdurige bestaande klachten bij het eerste consult
    2 ernstige pijn
    3 geleidelijk ontstaan van de klachten
    4 nekpijn
    5 Verminderde ROM CTO
    6 Herhaalde bewegingen en ongunstige (repeterende) werk gerelateerde en psychosociale factoren
    7 Glenohumerale instabiliteit en scapulothoracale disfuncties
  • Subacromiale klachten kun je indelen naar oorzaak en naar locatie, hoe is deze indeling?
    Primair en secundair = naar oorzaak
    Intern en extern = naar locatie
  • Noem 3 kenmerken van een primair impignement
    1 Vooral oudere patiënten >40
    2 Structurele veranderingen in de afgrenzing van de subacromiale ruimte (bv osteofyten)
    3 Veranderingen van de vulling van de subacromiale ruimte
  • Kun je als fysiotherapeut een primair impingement behandelen?
    Nee, dit is een structurele verandering, dus HA
  • Wanneer kun je er bij een behandeling van schouderklachten van uitgaan dat het een primair impingement kan zijn
    Wanneer tijdens de behandeling geen verbetering optreedt
  • Noem 3 kenmerken van een secundair impingement
    1 Oorzaak ligt niet direct in de subacromiale ruimte
    2 Oorzaak is van groot belang, kom hierachter met onderzoek en testen (vaak scapula dyskinesie) 
    3 Misschien wel veroorzaker van een primair subacromiaal syndroom. Kan leiden tot een vernauwing en daarmee schade aan de rotator cuff (> zwelling > minder ruimte) of bot (> osteofyten).
  • De subacromiale ruimte wordt begrensd door:
    1 lig. coraco acromiale
    2 acromion
    3 humeruskop
    4 AC-gewricht
  • Een intern impingement treedt vaak op bij een combinatie van welke 2 bewegingen in de schouder
    Abductie en exorotatie
  • Welke fysiologische structuren kunnen betrokken zijn bij een  intern impingement?
    1 het articulaire oppervlak van de rotator cuff
    2 tuberculum majus (insertie RC)
    3 labrum
  • Bij een extern impingement ligt de oorzaak buiten ..... maar binnen .....
    Buiten het glenohumerale gewricht, maar binnen de subacromiale ruimte
  • Een andere naam voor frozen shoulder is?
    Capsulitis adhesiva
  • Er zijn bij een frozen shoulder 4 fases te onderscheiden:
    Stage 1
    Freezing
    Frozen
    Thawing
  • Welke fase van een frozen shoulder wordt hier bedoeld: "geringe bewegingsbeperking vooral exorotatie. Verwart met impingement"
    Stage 1
  • Welke fase van een frozen shoulder wordt hier bedoeld: "sinovitis met ingroei van bloedvaten en vrije zenuwuiteinden"
    Freezing
  • Welke fase van een frozen shoulder wordt hier bedoeld: "Progressieve capsulaire/ligamentaire fibrose"
    Frozen
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn de remmingen van de kruisbanden?
Lig. Cruciatum anterius (VKB): Remt endorotatie, extensie én flexie en voorkomt een schuiflade van de tibia naar ventraal. (voorste schuiflade test). Lig. Cruciatum posterius (AKB): Remt endorotatie, extensie én flexie en voorkomt een schuiflade van de tibia naar dorsaal. (achterste schuiflade test).
Reumatische aandoeningen zijn onder te verdelen in 3 types, dit zijn?
Ontstekingsreuma
Artrose
Weke delen reuma
Een andere naam voor weke delen reuma is?
Fibromyalgie
Welke ligamenten heb je in de heup en wat remmen ze?
Lig. iliofemorale pars superior, retroflexie/adductie/exorotatie
      pars inferior, retroflexie
Lig. pubofemorale, retroflexie/abductie/exorotatie
Lig. ischiofemorale, retroflexie/abductie/endorotatie
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 6?
A. vertebralis
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 5?
A. bassilaris
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 4?
A. cerebri posterior (occipitaal)
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 3?
A. cerebri medialis (deel temporaal en pariëtaal)
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 2?
A. carotis internus
Hoe heet het bloedvat van de Cirkel van Willis met cijfer 1?
Cerebri anterior (frontaal kwab)