Summary Thema 2.1.1- Zenuwstelsel & Zintuigen

-
195 Flashcards & Notes
4 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Thema 2.1.1- Zenuwstelsel & Zintuigen

  • 1 Week 1

  • Benoem van welke beweging sprake is bij a en c en bij d en f.
    .
  • 1.1 Anatomie (1&2)

  • Welke vormen contractie onderscheiden we?
    • reflexen: autonoom gestuurd
    • tonische contractie: zorgt niet voor bewegingen maar voor stabilisatie
    • fasische contractie: isometrisch (spierlengte gelijk, kracht groter) en isotonisch (spierlengte korter)
  • Benoem de onderdelen.
    1. spinous process
    2. transverse process
    3. articulair process
    4. vertebral foramen
    5. body
    6. pedicle
    7. lamina
    8. superior articular facet and process
  • Hoe ken men aan de hand van hinkelen en op de tenen/hakken lopen bepalen bij welke zenuwwortel de herniatie zit?
    Hinkelen: L4 (L3-L4)

    Op hakken lopen: L5 (L4-L5)
    Op tenen lopen: S1 (L5-S1)
  • Hoe wordt een myelineschede gemaakt? Hoe verschilt dit centraal en perifeer?
    Centraal worden de myelinescheden gemaakt door oligodendrocyten. Deze cellen kunnen zich om meerdere axonen vouwen en ze zo myeliniseren.
    Perifeer worden de axonen gemyeliniseerd door de cellen van Schwann.
  • Welk soort spieren worden geïnnerveerd door somatische motorische zenuwvezels?
    Enkel skeletspieren.
  • Door welk systeem worden de viscerale zenuwen geïnerveerd?
    Door het autonome stelsel (parasympathisch en sympathisch).
  • Welke twee soorten spinale zenuwen zijn er en welke vezels sturen zij aan?
    Uit het ruggenmerg komen ventrale en dorsale zenuwwortels. De ventrale wortels lopen anterieur (voorzijde) en de dorsale wortels lopen posterieur (achterzijde).
    De motorische vezels lopen in de ventrale wortels naar de spieren lopen.
    De sensorische vezels lopen via de dorsale wortels die de sensorische input direct doorgeven aan het ruggenmerg.
  • Welke zenuwvezels bevatten de dorsale/ventrale wortels en de dorsale/ventrale rami?
    De dorsale wortels bevatten sensorische vezels. De ventrale wortels bevatten motorische vezels.
    De beide rami bevatten zowel sensorische als motorische spiervezels.
  • Wat is het verschil in innervatie van de anterieure en posterieure rami?
    De anterieure rami staat in verbinding met de rest van het lichaam, terwijl de posterieure rami in verbinding staat met de zenuwen van gewrichten van de wervelkolom en de spieren en huid van de rug.
  • Tussen welke wervels wordt een lumbaalpunctie gedaan?
    Een lumbaalpunctie wordt gedaan tussen de L3/L4 of L4/L5. Hier is bij een volwassene de minste kans op een beschadiging. De reden is dat er geen ruggenmerg meer om de zenuwen zit (zie afbeelding).
  • Waarom verschilt de atlas van dematomen tussen Foerster en Keeran&Garrett?
    Foerster gaat uit van hoe dermatomen in de kliniek worden waargenomen, terwijl Keeran&Garrett uit gaan van de embryonale ontwikkeling.
  • Wat is het innervatiegebied van de n.femoralis?
    De n.femoralis zorgt voor sensibele innervatie van de huid aan de voorzijde van het bovenbeen.
  • Waar ligt de plexus lumbalis? En wat is de grootste zenuw die hieruit ontspringt??
    T12-L4, waarvan de n. femoralis (L2-4) de grootste zenuw is.
  • Welk gebied innerveert de n. obturatorius?
    De n. obturatorius innerveert de binnenzijde van het bovenbeen. Bij afklemming intstaat ischeas.
  • Welk gebied innerveert de n. tibialis?
    De tibialis innerveert het dorsale deel van het onderbeen.
  • Welke gebieden innerveren de n. fibularis (peroneus) superficialis en profundus?
    De fibularis superficialis innerveert de laterale zijde van het onderbeen, de fibularis profundus innerveert de bovenzijde van de voet.
  • Benoem de zenuwen bij de rode, blauwe en gele innervatiegebieden.
    Rood (rechts): n. medialus
    Blauw: n. ulnaris
    Geel (rechts): n. radialis
  • Welke handzenuw is hier aangedaan?
    n. ulnaris
  • Welke handzenuw is hier aangedaan?
    n. radialis
  • Bekijk het verloop van n. radialis, medialis en ulnaris.
    .
  • Wat is het verschil tussen somato-motorische en viscero-motorische aansturing? (benoem de plaats van de ganglion)
    • Somato-motorisch: het cellicaam van de motorneuron ligt in het centraal zenuwstelsel en de uitloper loopt naar de dwarsgestreepte spier. Acetylcholine is een vaak gebruikte neurotransmitter
       
    • Viscero-motorisch: hier ligt het cellichaam van de preganglionaire neuron in het centraal zenuwstelsel en innerveert het een postganglionair neuron, die vervolgens weer de gladde spiercellen innerveert. Daarnaast is er ook nog een verschil te onderscheiden in het sympathische en parasympathische zenuwstelsel.
  • Hoe verschilt de innervatie van organen tussen het sympathische- en parasympathische zenuwstelsel?
    • Sympathisch: De ganglia ligt dicht bij het centrale zenuwstelsel in de zogenaamde truncus sympaticus (sympathische grensstreng). Via deze grensstreng zijn de ganglia van verschillende sympathische vezels met elkaar verbonden. Het preganglionaire neuron gebruikt acetylcholine als neurotransmitter, maar het postganglionaire neuron gebruikt noradrenaline. De sympathische vezels verlaten het ruggenmerg tussen de wervels thoracaal 1 en lumbaal 3.
       
    • Parasympathisch: de ganglia liggen vlakbij het te innerveren orgaan en zowel pre- als postganglionaire neuronen gebruiken als neurotransmitter acetylcholine. Parasympathische vezels verlaten het ruggenmerg tussen de hersenstam en de wervels sacraal 2 tot 4.
  • Benoem de onderdelen.
    1. Axon
    2. Insnoering van Ranvier
    3. Dendriet
    4. Schwann cel
    5. Uitlopers axon
    6. Soma
    7. Celkern
    8. Myelineschede
  • Uit welke spinale zenuwen ontspringt de plexus brachialis? Wat zijn de belangrijkste uitlopers?
    C4 tot T1, met de belangrijkste uitlopers de n.medialis, n. radialis en n. ulnaris.
  • Uit welke spinale zenuwen ontspringt de plexus lumbosacralis? Wat zijn de belangrijkste uitlopers?
    T12-S4, met de belangrijkste uitlopers de n.sciatica en n.femoralis.
  • Beschrijf het Carpaal Tunnel Syndroom.
    Het Carpaal Tunnel Syndroom (CTS) is een beknelling van de nervus medianus in de pols. De ruimte in je pols waar de zenuw doorheen loopt, ligt aan de zijde van de handpalm en heet de carpale tunnel. Door deze tunnel lopen ook de pezen die ervoor zorgen dat je je vingers kunt buigen. In de carpaal tunnel kan een zwelling ontstaan waardoor de druk in de tunnel toeneemt. Doordat de zenuw de zachtste structuur in de carpale tunnel is, is deze het meest gevoelig voor verhoogde druk en kan de zenuw bekneld raken. 
    Symptomen zijn tintelingen in de vingers, pijn in de vingers, slapende/gevoelloze hand of vermindering van kracht in de hand.
  • Bekijk.
    .
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Hoe zijn axonale en demyeliniserende neuropathie van elkaar te onderscheiden?
Bij axonale polyneuropathie zijn vaak bloedafwijkingen te vinden (vitamine, suiker). Er ontstaan tintelingen  of een doof gevoel in voornamelijk de voeten en onderbenen. Later kunnen ook de handen aangedaan zijn. Veelal zijn de klachten niet invaliderend.
Bij een demyeliniserende polyneuropathie is vaak sprake van een auto-immuunziekte. De symptomen openbaren zich langzaam. Veelal heeft men klachten in beide benen en/of armen. Klachten bestaan uit tintelingen, doofheid en forse vermoeidheid. Klachten zijn uiteindelijk veelal invaliderend. Lijkt op de langzame versie van Guillian-Barré.
Beschrijf syringomyelie.
Syringomyelie is een aandoening waarbij een holte ontstaat ter hoogte van de nek. Het centrale kanaal wordt daardoor wijder. Veelal heeft men neurologische klachten in armen.
Een mogelijke oorzaak is chiarimalformatie, een aanegeboren misvorming van het hoofd.
Wat kan het neurologische gevolg zijn van vitamine B12 deficiëtie?
Deficiëntie van vitamine B12 (cobalamine) veroorzaakt niet alleen een megaloblastaire anemie, ook kunnen neurologische symptomen ontstaan door aantasting van de spinale achter- en zijstrengen (vandaar de naam ‘gecombineerde strengziekte’). De perifere zenuwen, de hersenen en de N. opticus kunnen meedoen. Het klinisch beeld bestaat uit gnostische sensibiliteitsstoornissen en ataxie (aantasting van de achterstrengen) en een bipiramidaal syndroom (aantasting van de zijstrengen).
Beschrijf het cubitale tunnel syndroom.
De cubitale tunnel bevindt zich aan de buitenzijde van de elleboog. De n. ulnaris loopt door deze tunnel. Bij stoten ervaart men het 'telefoonbotje' gevoel. Dit gevoel heeft men bij het cubitale tunnel syndroom ook. Soms kunnen ook gevoelsstoornissen optreden. Bij een gebogen elleboog zijn klachten heviger.
Oorzaak kan het veelvuldig buigen van de elleboog zijn (denk aan timmerwerk, contructiewerk, kantoorwerk).
Rust en fysio bieden uitkomst.
Wat is het verschil tussen geleidingsgehoorverlies en perceptief gehoorverlies?
Bij geleidingsgehoorverlies is er sprake van onvoldoende voortgeleiding vam geluidsgolven waardoor deze niet aan komen bij het middenoor
Bij perceptief gehoorverlies is er sprake van een afwijking in het middenoor zelf (vb. lawaaislechthorendheid, ouderdomsdoofheid)
Waarnaar moet men altijd vragen bij anamnese bij de klacht duizeligheid?
  • aard van de klacht
  • intensiteit: beïnvloeding dagelijks leven
  • begin en beloop
  • duur
  • begeleidende verschijnselen (angst, oorsuizen, hartkloppingen, gehoorverlies)
  • context (trauma, stress)
  • medicatie 
  • beïnvloedende factoren
  • gevolgen (vallen bij ouderen)
Bekijk de einddiagnosen bij de klacht duizeligheid.
.
Wat is de differentiaaldiagnose van een huisarts bij duizeligheid?
  • BPPD: aanvallen duren seconden, bij draaien
  • Neuritis Vestibularis: aanval duurt dagen/weken, kotsmisselijk
  • Ziekte van Menière: terugkerende aanvallen duren uren, met oorsuizen en gehoorverlies
  • Overige labyrinthpathologie als otitis media
Beschrijf hoe bij gecombineerde strengziekten een pathologische voetreflex en afwezige spierrekreflexen samen kunnen gaan.
Er is sprake van een achterstrengstoornis, polyneuropathie en piramidebaanstoornissen kunnen volgen.
Wat zijn gemeenschappelijke symptomen van fracturen van wervel L2 t/m Th12?
  • gestoorde functie van blaas, rectum en seksuele functie
  • sensibiliteitsstoornis S2 t/m S5
  • afwezige anale reflex