Summary Toegepaste organisatiekunde

-
ISBN-13 9789001790950
397 Flashcards & Notes
112 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Toegepaste organisatiekunde
  • Peter Thuis
  • 9789001790950
  • 5

Summary - Toegepaste organisatiekunde

  • 1 Een begrippenkader voor de organisatiekunde 21

  • Wat wordt er verstaan onder een 'organisatie'?
    Een mensenlijke samenwerking welke doelgericht en blijvend is.
  • Wat is de omschrijving van een organisatie?

    Een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend

  • Welke rechtsvormen zijn er?

    bv, nv

  • wat is een organisatie?
    een menselijke samenwerking die doelgerichtheid en blijvend is
  • zonder mensen bestaat de organisatie niet, mensen moeten samenwerken anders komt er niks. een organisatie is altijd gericht op een bepaald doel, ze werken ergens naar toe. een organisatie streeft ernaar om te blijven bestaan.

  • wat
    dat
  • 1.1 Wat is een organisatie? 22

  • Noem de 4 belangrijkste elementen van een organisatie.
    Menselijke factor, samenwerking, doelgerichtheid en continuiteit.
  • Wta is de definitie van een organisatie?

    Een doelgerichte samenwerking tussen mensen die blijvend is.

     

  • ava. algemene vergadering van aandeelhouders

    hoogste gezagsorgaan in de nv of bv

  • Wat is een organisatie?

    een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is?

  • Organisatie
    Een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is. 
  • Wta is de definitie van een organisatie?
    Een doelgerichte samenwerking tussen mensen die blijvend is.
  • Going-concern-gedachte = management beslissingen nemen met als gedachte om de onderneming voort te laten bestaan.
  • bedrijf

    een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een afzetmarkt te verkopen

  • Commanditaire vennootschap  (cv)
    met dit verschil dat er binnen de cv onderscheid gemaakt wordt tussen beherende vennoten en stille (commanditaire) vennoten. 
  • Besloten vennootschap (bv)

    vergelijkbaar met de nv met als grootste verschil dat hier de aandelen niet 'aan toonder'zijn maar op naam staan en dus niet vrij verhandelbaar zijn. De bv heeft zelfstandige rechtspersoonlijkheid. 

  • Commanditaire vennootschap  (cv)

    als vof met dit verschil dat er binnen de cv onderscheid gemaakt wordt tussen beherende vennoten en stille (commanditaire) vennoten. 

     

  • Eenmanszaak

    Type rechtsvorm voor een onderneming van één natuurlijk persoon.

  • Effectiviteit

     

    De verhouding tussen het werkelijke bereikte resultaat en het normresultaat

  • Efficiëntie

    De verhouding tussen het werkelijk bereikte resultaat en de gebrachte offers.

  • Functioneel organisatiebegrip

    Het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten. 

  • Going-concerngedachte

    Men gaat bij het nemen van managementbeslissingen uit van de continuïteit van de organisatie. 

  • Institutioneel organisatiebegrip

    Een organisatie als object.

  • Functioneel begrip
    Organisatie als werkwoord
  • Instrumenteel organisatiebegrip

    Een organisatie als middel 

Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary - Toegepaste organisatiekunde

  • 1.1 Het 7S-model

  • Wat houdt het 7S-model in? LUB

    Het 7S-model is een afhankelijk systeem: verandert het een dan verandert het andere ook.
    Het is van McKinsey.
    1. Strategie; ondernemingsplan om doelstellingen te realiseren;
    2. Structuur; organisatievorm- en schema's
    3. Systemen; menselijke en technische communicatiesystemen
    4. Stijl van leidinggeven;
    5. Staf; juiste mensen op de juiste plek nu en later
    6. Sleutelvaardigheden; onderscheidende eigenschappen onderneming
    7. Significante waarden; bedrijfscultuur
  • 7.1 voor- en nadelen planning

  • Wat zijn de voordelen van het maken van een planning? L
    • Het coördineert activiteiten;
    • Het bepaald de doelstelling, richting en wijze van werken;
    • Het verhoogd de participatie van medewerkers;
    • Het vormt een basis voor controle- en beheersingsmechanismen 
  • Wat zijn de nadelen van een planning? L
    • Het maken kost tijd en (dus) geld;
    • Het kan leiden tot verstarring 
  • 7.2 Soorten planning

  • Welke 2 soorten planning zijn er? LU
    • De tijdspanne waarop een organisatie betrekking heeft; strategisch (5-10 jaar), tactisch (1-5 jaar) of operationeel (max. 1 jaar). 
    • Top-downplanning of bottom-upplanning; bij top-down wordt de planning van bovenaf opgelegd, lagere delen hebben geen inspraak. Bij bottom-upplanning hebben de onderste lagen juist veel inspraak. Werknemers voelen zich meer verbonden met de planning en planning kan beter gemaakt worden omdat zij meer specialistische kennis hebben.
  • 7.3 Criteria voor effectieve plannen

  • Aan welke criteria moeten plannen voldoen?
    • Het moet specifiek en meetbaar zijn;
    • De plannen moet zich richten op een paar kerngebieden;
    • Het moet uitdagend maar realistisch zijn;
    • De plannen moeten zich richten op een specifieke periode, gaat dit om een langere periode moeten deze plannen opgedeeld worden in deelplannen met mijlpalen;
    • Indien mogelijk kan er een prestatiebeloning aan een bepaald plan hangen.
  • 7.4 Besluitvorming

  • Wat is besluitvorming?
    Het proces waarbij men op een bepaald moment bewust kiest uit een aantal alternatieve handelswijzen om een probleem op te lossen.
  • Welke 2 soorten beslissingen zijn er? LU
    1. Geprogrammeerde beslissingen: beslissingen die routinematig genomen worden. Men is goed op de hoogte van de materie van het probleem;
    2. Niet-geprogrammeerde beslissingen: beslissingen die niet vooraf te structureren of programmeren zijn omdat ze betrekking hebben op een unieke situatie.
  • Welke besluitvormingscondities zijn er?
    1. Zekerheid: bestaat bijna niet. De besluitvormers weten alles over het probleem en welke uitkomsten mogelijk zijn;
    2. Risico: de besluitvormer moet zich baseren op incomplete maar wel betrouwbare informatie, hij weet niet wat de uitkomsten van de alternatieve keuzes precies zullen zijn; 
    3. Onzekerheid: De beslisser heeft bijna geen info over de kans op mogelijke uitkomsten op alternatieven, hij kent wel de mogelijke uitkomsten maar niet hoe groot de kans daarop is;
    4. Fuzzyness (wazigheid): de beslisser kent zelfs de mogelijke uitkomsten van de alternatieven niet. De beslisser is bij onzekerheid, maar zeker bij fuzzyness, aangewezen op zijn gevoel en ervaring. 
  • Wat is Bayesiaanse statistiek
    Dit betekend dat de beslisser kiest voor het alternatief met de grootste kans op succes.
  • Welke fases zijn er in een goed besluitvormingsproces?
    1. Identificeer en verifieer het probleem;
    2. Genereer alternatieven;
    3. Evalueer alternatieven;
    4. Selecteer het beste alternatief
    5. Implementeer het gekozen alternatief;
    6. Evalueer je beslissing;

    En begin weer opnieuw!
  • Wat zijn probleemsymptomen?
    De verschijnselen die het bestaan van een probleem aan het licht brengen.
  • Welke vier manieren zijn er om de besluitvorming te modelleren? LUB
    1. Het rationele besluitvormingsmodel: ook wel klassieke model. Gaat er van uit dat de manager logische, rationele beslissingen maakt, goede rekentechnische vaardigheden heeft en alle info heeft die nodig is;
    2. Het beperkt-rationele besluitvormingsmodel: ook wel organisationele, neoklassieke of gedragskundige model. Gaat er vanuit dat de beslisser geen logische, rationele beslissingen neemt. De manager heeft incomplete info en opereert dus vanuit risico, onzekerheid of zelfs fuzzyness. De beslisser neemt genoegen met het eerste alternatief dat zich voordoet;
    3. Het vuilnisvatmodel voor besluitvorming: Is ontwikkeld door Cohen, March en Olsen. Zij constateerde dat management met zoveel problemen in aanraking komt dat telkens andere groepen werknemers, met telkens andere inzichten, de problemen proberen op te lossen. Het vuilnisvat is gevuld met problemen, beslissers en alternatieve oplossingen;
    4. Het politieke besluitvormingsmodel: Lijkt op zoals het werkt in de politiek.
  • Welke factoren kunnen het besluitvormingsmodel beïnvloeden en de menselijk rationaliteit gedeeltelijk buiten spel zetten?
    • Emotie en stress;
    • Framing: positieve info wordt boven negatieve info geprefereerd;
    • Escalatie van verbondenheid: iemand blijft zelfde alternatief volgen omdat ie dat 'altijd doet', terwijl er genoeg tekenen zijn dat de andere alternatieven beter zijn;
    • Intuïtie: Het gevoel wat de beslisser heeft zonder te redeneren of bewust te analyseren;
    • Zelfverzekerdheid.
  • Welke technieken kan men toepassen om de besluitvorming in groepen te vergemakkelijken of te verbeteren?
    1. De nominale groepstechniek: gestructureerde vergadertechniek, iedereen kan zeggen wat hij wil. Het gaat allemaal snel, veel tijdwinst en discussie en communicatie worden beperkt. Geen groepsdruk, ruzies en conflicten worden voorkomen. Er wordt anoniem gestemd en zo komt men tot een uitkomst;
    2. Delphi-techniek: besluitvormingstechniek voor als mensen eigenlijk nooit allemaal bij elkaar kunnen komen. Ieder lid van de groep vult een enquête invullen, ieder groepslid krijgt alle formulieren te zien en mag dan die van hem zelf weer invullen en zo door tot iedereen hetzelfde wil;
    3. Brainstormen: iedereen mag alles zeggen wat hij wil. Hierdoor worden alternatieven gegenereerd. In een later stadium worden slechte ideeën geschrapt. 
  • Welke regels zijn er bij brainstormen?
    • Kritiek is verboden;
    • Wilde ideeën worden gewaardeerd;
    • Er zijn veel ideeën en oplossingen nodig;
    • Combinatie van ideeën en verbeteringen van eerder gegeven ideeën worden aangemoedigd.
  • Van welke besluitvormingsregels kunnen er gebruikt gemaakt worden tijdens een beslissing?
    1. Vetorecht: Ieder groepslid heeft het recht een bepaalde beslissing tegen te houden door zijn vetorecht te gebruiken;
    2. Unanimiteitsregel: De beslissing is alleen geldig als iedereen het er mee eens is;
    3. Consensusregel: De meerderheid moet het met de beslissing eens zijn en de minderheid moet neutraal tegen de beslissing aankijken en er dus mee kunnen leven;
    4. Meerderheidsregel: Zelfde als consensusregel maar dan hoeft minderheid hoeft er niet mee te kunnen leven;
    5. Eenmansregel: één persoon neemt in zijn eentje een beslissing, de rest moet zich hierbij neerleggen.
  • Wat zijn de voordelen van groepsbeslissingen ten opzichte van individuele beslissingen? L
    • Meer kennis;
    • Meer ervaring;
    • Meer perspectieven en alternatieven;
    • Meer stimulans voor het bedenken van intelligente oplossingen;
    • Meer argumenten en daarmee meer begrip voor de totstandkoming van de uiteindelijke beslissing;
    • Een grotere verbondenheid met de genomen beslissing;
    • Meer democratie en dus meer legitimiteit van de beslissing;
    • Een grotere leerervaring.
  • Wat zijn de nadelen van groepsbeslissingen ten opzichte van individuele beslissingen? L
    • Kost meer tijd;
    • De discussie voor de beslissing kan gedomineerd worden door 1 of meerdere personen;
    • Participanten kunnen zich gedwongen voelen om iets te vinden wat ze eigenlijk alleen doen voor een ander (zelfcensuur);
    • Om tijd te besparen kan een goed tevredenstellende oplossingen zoeken i.p.v. zoeken naar de beste oplossing;
    • Niemand voelt zich echt verantwoordelijk voor de keuze die gemaakt is;
    • Onbelangrijke zaken als de discussie willen winnen, je gezicht redden of wraak nemen kunnen de overhand nemen in de discussie.
  • Wat is groupthink?
    Als een hechte groep de wens van unanimiteit of consensus voor een goede beoordeling trekt. Ze willen het liever allemaal eens zijn dat dat er een wat zwaardere discussie plaatsvind en gezocht nog naar de beste oplossing.
  • Wat zijn de 7 symptomen van groupthink?
    1. Illusie van onkwetsbaarheid: groepsleden raken ervan overtuigd dat ze de hele wereld aankunnen;
    2. Illusie van moraliteit: groepsleden nemen aan dat alles wat ze doen goed is;
    3. Illusie van unanimiteit: groepsleden denken ten onrechte dat ze het eens zijn;
    4. Collectieve rationalisatie: groepsleden zeggen dat alle zaken die iets inbrengen tegen de keuze die zij willen maken niet te zake doende of onjuist is;
    5. Het bewust achterhouden van informatie;
    6. Zelfcensuur; ideeën die tegen de groep ingaan niet durven of willen zeggen; 
    7. Directe pressie: groepsleden die iets inbrengen tegen de ideeën van de groep, worden door de andere leden gedwongen zich te conformeren. 
  • Hoe kan men proberen groupthink te voorkomen? L
    • Een open sfeer creëren;
    • De groep vaker opdelen in kleinere groepen
    • Iemand de rol van advocaat van de duivel te laten spelen;
    • De voorzitter of groepsbaas mag niet komen bij discussies.
  • Wat betekend lateraal denken?
    Dit staat voor creatieve gedachtevorming om zo tot een goede en creatieve beslissing te komen.
  • Wat zijn de 5 stappen in het laterale denken?
    1. Het vermijden van clichés;
    2. Betwijfelen van veronderstellingen en uitgangspunten (eigenlijk alles);
    3. Genereer alternatieven;
    4. Schoksgewijs overstappen op nieuwe ideeën en dan bezien waar men uitkomt;
    5. Zoeken van nieuwe uitgangspunten van waaruit het denkproces kan starten.
  • Wat betekenen de kleuren van de 'Six thinking hats' en wie heeft dit bedacht?
    Dit is een uitvinding van De Bono en de kleuren zijn als volgt:
    • Rood: emoties
    • Wit: informatie
    • Zwart: bezwaren
    • Groen: creativiteit
    • Blauw het op poten zetten van het denken zelf
    • Geel: een optimistische benadering van problemen 
  • Wat zijn voordelen van de hoedenmethode?
    • Je kan dingen zonder risico in de groep inbrengen want je speelt toch je rol;
    • Er zijn meerdere invalshoeken;
    • Je blijft niet in een rol hangen;
    • Het focust en reguleert het denken over problemen en bevordert de creativiteit;
    • Het verbeterd de communicatie en de besluitvorming (dat claimt deze meneer).
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • Toegepaste organisatiekunde
  • Peter T H J Thuis
  • 9789001834203 or 9001834205
  • 2014

Summary - Toegepaste organisatiekunde

  • 1 Een begrippenkader voor de organisatiekunde

  • 4 Belangrijke kenmerken van een organisatie?
    • 1 De menselijke factor
    • 2 Een samenwerkingsvorm
    • 3 Doelgerichtheid
    • 4 Continuïteit 
  • De mens kwam er snel achter dat via samenwerking er meer behaald kan worden. Hoe word dit ook wel genoemd
    Synnergy-effect
  • Een organisatie is altijd gericht op een doel. Zonder doel raak je de eenheid binnen een organisatie kwijt. Wat zijn voorbeelden van doelen
    Bijvoorbeeld:
    1. Winst
    2. Continuïteit
    3. Mensenrechten
  • Wat is de going-concerngedachte
    Uitgaan bij managementbeslissingen van een continuïteit van de organisatie.
  • Welke eigenschappen hebben welvaartsverhogende ondernemingen?
    • Machtsverdeing in lagen
    • Geschoold personeel
    • Formele communicatie, regelgeving en methoden
    • Werkverdeling naar functie (bijvoorbeeld productie-, inkoop-, verkoop- en boekhoudkundig personeel)
    • Omschreven doelstellingen
  • Welke 3 betekenissen kan je aan het woord organisatie binden?
    Het functionele organisatiebegrip: Organiseren: Het effectief op elkaar afstemmen van activiteiten

    Het institutionele organisatiebegrip: Organisatie als object met een naam en een vestiging. (bv Philips --> Eindhoven)

    Het instrumentele organisatiebedrijf: Organisatie als middel waarmee we bepaalde doelstellingen kunnen verwezenlijken. (Alle producten van Philips).
  • Hoe heet een bedrijf zonder een winstinstelling
    Non-Profitorganisatie
  • Wat is een organisatie
    Een menselijke samenwerking die doelgericht en blijvend is.
  • Wat is een bedrijf
    Een organisatie die goederen en/of diensten voortbrengt met het doel deze op een afzetmarkt te verkopen.
  • Wat is een onderneming?
    Een onderneming is een bedrijf dat gericht is op het maken van winst.
  • Wat is een instituut
    Een organisatie met een maatschappelijke factor (bv onderwijsinstituut).
  • Welke vragen stel je wanneer je een nieuw product op de markt wilt brengen?
    1. Wat wil ik eigenlijk weten? (Interesse voor product)
    2. Waarom wil ik dit weten? (Of het product zal aanslaan)
    3. Hoe kom ik daar achter? (Marktonderzoek onder consumenten)
    4. Hoe ga ik dat meten? (Door middel van bijvoorbeeld: enquêtes, interviews, persoonlijk, schriftelijk)
    5. Wat heb ik dan eigenlijk? (informatie over de consument (potentiële klant)

    GARBAGE IN = GARBAGE OUT
  • Wat zijn normen
    Concrete richtlijnen voor handelen (bv "je dood niet" en "je steelt niet")
  • Wat zijn waarden
    Idealen en motieven die in een samenleving of groep als nastrevenswaardig worden beschouwd.
  • Wat is een benchmark
    Jezelf vergelijken met andere bedrijven
  • Waar kijk je naar als je de productiviteit wilt testen?
    Input / Output
  • Waar kijk je naar als je de efficiëntie wilt testen?
    norminput / werkelijke input
  • Waar kijk je naar als je de effectiviteit wilt testen?
    Werkelijke output / normoutput
  • Eenmanszaak (EZ)
    • Privé aansprakelijk
    • Hoeft geen jaarstukken te publiceren
    • Voordeel: Volledige zelfstandigheid van eigenaar
    • Nadeel: Volledig risico eventueel schulden voor eigenaar
  • Maatschap (MTS)
    • Samenwerking tussen zelfstandige, natuurlijke persoon of rechtpersoon.
    • Komt voor bij advocaten, tandartsen, fysiotherapeuten etc
    • Iedereen is even aansprakelijk voor de eventuele schulden
  • Vennootschap onder firma (VOF)
    • Samenwerking tussen twee of meerdere personen onder 1 naam (taxibedrijven of garages)
    • Firmanten zijn ieder prive aansprakelijk
    • Publicatieplicht van jaarstukken
    • Voordeel: Spreiding ondernemingsrisico en minder kwetsbaar dan eenmanszaak
    • Nadelen: Kans op onenigheid en aansprakelijk voor de daden van de andere firmant
  • Commanditaire vennootschap 
    • Beherende en stille vennoten
    • Stille vennoot alleen aansprakelijk voor het door hem geinvesteerde geld
    • Beherende vennoot wel prive aansprakelijk
    • Voor- en nadelen: hetzelfde als bij een VOF
  • Naamloze vennootschap (NV)
    • Rechtspersoon
    • Kapitaal verdeeld in aandelen
    • Aandelen niet op naam
    • Algemene vergadering van aandeelhouders (ava) 
    • Overnamegevaar
    • ava benoemd raad van bestuur en deze is verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken
    • Verplichte publicaties jaarstukken
  • Besloten vennootschap (BV)
    • Verglijkbaar met NV maar aandelen op naam
    • Rechstpersoon
    • Geen overnamegevaar
    • ava benoemd raad van bestuur die verantwoordelijk is voor de dagelijkse gang van zaken
    • Verplichte publicatie jaarstukken
  • Coöperatieve vereniging 
    • Vereniging die het behartigen van de belangen van leden als doel heeft
    • Rechstpersoon
    • ava benoemd raad van bestuur
    • Publicatieplicht jaarstukken
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Beheersing in de vorm van planning- en controlecyclus
Deze cyclus kun je uitvoeren voor elke afdeling van het bedrijf. Bij de financiele afdeling ziet de cyclus er als volgt uit.
  1. Begroting: Verwachte middelen worden afgezet tegen de verwachte opbrengsten
  2. Goedkeuring begroting: Leiding geeft aan of de begroting akkoord is.
  3. Realisatie: In het jaar van uitvoering worden er tussendoor metingen gehouden om te kijken of de cijfers die vooraf begroot waren kloppen
  4. Nacalculatie en jaarverslag Na het jaar wordt er gekeken waar afwijkingen zitten en wordt er in een jaarverslag aangegeven wat er is gebeurd
  5. De volgende ronde in de cyclus: Het proces bbegint opnieuw 
3 vormen van beheersing van Merchant (RAP)
  • Resultatenbeheersing: Dit is een terugkoppelend beheersingsproces. De resultaten worden gecontroleerd en bij afwijking wordt er ingegrepen

-De resultaten moeten meetbaar zijn
-De gewenste resultaten moeten bekend zijn
-Er moet duidelijk invloed uit te oefenen zijn op het resultaat
  • Activiteitenbeheersing: Hierbij wordt er vastgesteld of de acties die de individuen uitvoeren voor- of nadeling zijn voor de organisatie

-Opleggen van gedragsbeperkingen: duidelijk maken welk gedrag vereist is.
-Activiteiten vooraf beoordelen: Controle tijdens het proces zodat er nog ingegrepen kan worden
-Overcapaciteit: Hierbij bezet je positie dubbel zodat er voorkomen wordt dat er belangrijke dingen fouten gaan omdat alles dubbel gecontroleerd wordt.
  • Personeelsbeheersing: De organisatieleiding wil dat werknemers de juiste beroepshouding aannemen en het juiste gedrag vertonen.

-Werving en selectie
Leg het begrip achterwaartskoppelende beheersingsacties uit
-Vorm van corrigerende / curatieve beheersing
-Feedback
Bij het kippenvoer er achteraf achter komen dat er te weinig kalk in het voer zit en feedback geven bij de voermakers
Leg het begrip voorwaartskoppelende beheersingsacties uit
-Vorm van preventieve beheersing
-Feedforward
Bij het kippenvoer vooraf extra kalk  toevoegen omdat de eierschaal anders te snel breekt je krijgt
Noem 5 verschillende methoden om te beheersen (BOMFM)
  1. Bureaucratische beheersingsmethode: Hierbij gebruikt de manager regels om de organisatie te beheersen
  2. Organische beheersingsregels: Binnen groepen laat de manager de mensen zlen bepalen wie wat doet
  3. Marktbeheersing: Hier gaat het om het beheersen wat de klant vindt van de prijzen op de markt. Je moet zorgen dat de prijs zodanig is dat de klant het bij jou koopt en niet bij de concurrent
  4. Financiele beheersing: Hierbij is er een budget gesteld en wordt er nauwkeurig gekeken of het budget efficient gebruikt wordt door bijvoorbeeld nacalculaties
  5. Machinale beheersing: Het gebruik van apparaten en instrumenten om ongewenaste sitauties te voorkomen
Leg het begrip preventieve beheersing uit
Hierbij probeert men de afwijkingen te voorkomen zodat het niet meer gecorrigeerd hoeft te worden.
Leg het begrip corrigerende beheersing uit
Hierbij corrigeer je afwijkingen van een eerder gestelde norm. Een voorbeeld hiervan is het afstraffen van fouten of het belonen van goede daden
Noem 4 redenen waarom je zou beheersen
  1. Om aan te passen aan gewijzigde omstandigheden. Door te meten en weten in bijvoorbeeld planning houd je nauwlettend in de gaten of zich er veranderingen voordoen.
  2. Verminderen van fouten. Door een strenge beheersing van vorderingen kun je gemakkelijk zien wat er nog moet gebeuren
  3. Kunnen omgaan met complexiteit. Hoe groter de onderneming wordt, hoe complexer hij wordt. Je moet alle zaken goed beheersen om hiermee om te gaan.
  4. Minimaliseren van kosten: je moet goed op de hoogte zijn van alle kosten
Leg het begrip beheersen uit
Grip krijgen en behouden op geplande processen zodat geformuleerde doelen behaald worden
Noem 6 vormen van weerstand op individueel niveau
  1. Gewoont: Als iemand hieraan gewend is, is het moeilijk dit te veranderen
  2. Veiligheid: Een verandering in een bekend situatie kan bedreiging zijn voor veiligheid.
  3. Economische factoren: Een verandering kan ook economische gevolgen hebben, Bijv. op de salarissen dit kan weerstand oproepen.
  4. Angst voor het onbekende: Graag bij het bekende willen blijven, anders eerder weerstand
  5. Gebrek aan bewustheid: Een onbewuste weerstand kan gebeuren als je mensen hebt die niet in de gaten  hebben dat er een verandering heeft plaats gevonden. Zo Kunnen ze onbewust de verandering tegenwerken.
  6. Sociale factoren: Als een groep zicht verzet tegen een bepaalde verandering, is het voor het individu in de groep dat wel wil mee veranderen moeilijk (soort groepsdruk)