Summary tractus digestivus en tractus respiratorius

-
251 Flashcards & Notes
0 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - tractus digestivus en tractus respiratorius

  • 1 dag 1 pathofysiologie asthma (epitheel e.d.)

  • Wat is het verschil tussen de interne en de externe respiratie?
    De externe respiratie is de respiratie waarbij er gasuitwisseling plaatsvind met de buitenlucht en de interne respiratie is dat deel waarin het bloed het zuurstof en het CO2 vervoert en het uitwisseld met de organen. 
  • Waaruit bestaan de bovenste en de onderste luchtwegen?
    Bovenste luchtwegen: Alles wat zich in het hoofd bevind aan luchtwegen; neus, larynx, farynx (gebied tussen mond en slokdarm wat zorgt voor slikreflex), larynx (strottenhoofd)
    onderste luchtwegen: trachea, bronchien, bronchiolen, alveoli. De trachea en de bronchien zijn de grotere luchtwegen. en de rest zijn de kleinere luchtwegen. 
  • Hoe ziet een doorsnede van de luchtwegen eruit?
    De bovenste luchtwegen hebben vrijwel geen glad spierweefsel. De lagere luchtwegen wel op de alveoli na. Die hebben alleen epitheel. 
  • Wat is de lamina propria?
    Dit is een laag bindweefsel onder het epitheel van een slijmvlies. 
  • Wat is het verschil in luchtwegconstrictie bij de trachea en de bronchi en de kleinere luchtwegen?
    De trachea en de bronchi bestaan uit een kraakbeenhoefijzer met daartussen 1 stukje glad spierweefsel. Bij contractie is het effect daarom niet zo heel groot. De kleinere luchtwegen hebben echter veel meer glad spierweefsel wat het effect bij contractie dan ook veel groter maakt. 
  • Waaruit bestaat een epitheellaag in de long?
    Deze bestaat uit 4 typen cellen: gobletcellen (slijmproducerende cellen), trilhaarcellen, niet-trilhaarcellen en basaalcellen (deze cellen kunnen nog differentieren in andere typen cellen vb gobletcellen oiv IL-13)
  • Hoe ziet een luchtwegdoorsnede van de kleinere luchtwegen eruit?
    Deze heeft een kleine spierlaag. De alveoli eromheen zorgen ervoor dat deze open blijft. Het heeft ook geen trilhaarepitheel meer want dit gaat maar tot aan de lagere bronchien. Bij COPD is de functie van de alveoli om de kleinere luchtwegen open te laten verstoord. 
  • Hoe vindt de mucusuitscheiding plaats?
    NaCl wordt opgenomen in de cel, waarna Na weer vrij snel wordt terug getransporteerd, maar Cl wordt in het lumen uitgescheiden. Door osmos volgt water vervolgens waardoor slijm ontstaat. Het chloridekanaal waarmee Chloride wordt uitgescheiden in het lumen is bij cystische fibrose patienten verstoord. 
  • Bovenop de gobletcellen ligt een vloeistoflaagje en daar weer bovenop ligt een slijmlaag. 
  • Wat is het verschil tussen type 1 en type 2 cellen in de alveoli?
    Type 1: Zijn betrokken bij de gaswisseling en zijn extreem dun. Bij beschadiging kunnen ze zichzelf niet repliceren waardoor er dus verlies ontstaat. Gelukkig kunnen type 2 cellen zich differentieren in type 1 cellen als dat nodig is. 
    Type 2 cellen maken surfactant aan en nemen minder ruimte in beslag dan de type 1 cellen want ze zijn wat ronder en minder langgerekt dan type 1
  • Wat zijn symptomen van astma?
    Hierbij zijn er aanvallen van kortademigheid en tijdens zo;n aanval is er sprake van hoesten en opgeven van sputum 
    - De oorzaak is meestal een allergie. 
  • Wat zijn de oorzaken van COPD?
    Hieronder vallen zowel chronische bronchitis als emfyzeem. 
    symptomen kunnen zijn: hoesten en opgeven van sputum (chronische bronchitis)
    chronische, progressief toenemende kortademigheid, aanvankelijk bij inspanning maar later ook in rust (emfyzeem). 
    90% van de COPD-patienten rookt maar slechts 10% van de rokers ontwikkelt COPD. 
  • Wat zorgt in (allergische) astma nu voor een bronchiale obstructie?
    Een allergeen plus IgE zorgt voor een allergische reactie. Dit zorgt voor een bronchiale hyperrespons wat zorgt voor een bronhiale obstructue. 
    Bij niet allergische stimuli ontstaat er al meteen een bronchiale hyperrespons wat meteen een bronchiale obstructie kan veroorzaken. 
  • Wat voor exogene factoren zijn er zoal die bronchoobstructie kunnen veroorzaken bij bronchiale hyperreactiviteit?
    1) allergeeninhalatie
    2) virusinfecties
    3) fysische prikkels
    4) geforceerde ademhalingsbeweging
    5) chemische prikkels
    6) farmacologische inhalatie
  • Wat voor fysische prikkels zijn er zoal?
    mist, koude lucht.
  • Wat voor geforceerde ademhalingsbewegingen zijn er zoal?
    inspanning, hyperventilatie, lachen.
  • Wat voor chemische prikkels zijn er zoal?
    SO2, NOx, ozon, citroenzuur, ether, ammonia, rook, stof
  • Wat voor farmacologische inhalatoren zijn er zoal?
    histamine, metacholine, carbachol, prostaglandine, serotonine, leukotrienen.
  • Wat is de definitie van allergenen?
    De meest lichaamsvreemde eiwitten en glycoproteinen zijn niet voorspelbaar op grond van structuur. Bijv. inhalatieallergenen (huisstofmijt, gras- en boompollen, schimmels, dierepitheel), voedingsallergenen (melk, kippe-eiwit, pinda's, vis, schaaldieren), Toxines (bijen- en wespengif), chemicalien, geneesmiddelen (penicilline)
  • Hoe vindt IgE productie en de binding aan mestcellen plaats?
    1) antigen activatie van Th2 cellen en stimulatie van IgE. Hierdoor gaan de B-cellen IgE produceren. 
    2) Dit IgE bindt vervolgens aan de mestcellen. 
  • Hoe vindt de IgE productie en mescelactivatie plaats (2)?
    IL-13 en IL-4 (afkomstig van T-cel) activeert een B-cel. Hierdoor gaan ze IgE produceren. IgE bindt behalve aan het allergeen ook tegelijkertijd aan de mestcellen en zorgt zo voor de vrijmaking van histamine, leukotrienen, prostaglandines, cytokines enz. Dit zorgt weer voor fysiologische effecten. 
  • Wat zijn de fysiologische effecten ten gevolge van mestcelactivatie?
    vroege respons: bronchospasmen, oedeem, luchtstroom obstructie. 
    late respons: luchtweg inflammatie, luchtwegobstructie, luchtweg hyperreactiviteit. 
  • Wat is de rol van Th2 cellen bij allergische astma?
    Eerst is er een dendriet die aan een antigeen bindt. Deze laat het zien aan een CD4 T-cel. Deze differentieert dan vervolgens in of een Th1 of een Th2. Een Th1 kan het werk van een Th2 inhiberen. Een Th2 zorgt ervoor dat B-cellen geactiveerd raken (dmv IL-13 en IL-4) en IgE gaan produceren. Dit IgE kan zowel mestcellen als eosinofielen activeren.  Maar Th2-cellen kunnen ook  d.m.v. de productie van IL-5 en IL-4 voor een activatie van eosinofielen zorgen. 
    Th2-cellen kunnen ook een cytokineonafhankelijke activatie van B-cellen bewerkstelligen.
  • Hoe vindt de mestcelactivatie intracellulair plaats?
    Calcium speelt hierbij een belangrijke rol.
    1) via tyrosine kinases (in dit geval fyn en Syk). Deze zorgen voor een activatie van PLC en dus een splitsing van PIP2 in DAG en IP3. IP3 maakt calcium vrij. 
    2) Fyn en Syk kunnen ook PI3K activeren en zo uiteindelijk PKC. PKC is verantwoordelijk voor myosine light chain fosforylatie en granule beweging. Het zorgt ook voor SNARE complex formatie en membraanfusie. 
    3) Het MAPKinase pathway kan worden aangezet door de tyrosine kinases. Dit pathway zorgt voor meer cytokine expressie. 

    4) calcium zelf kan ook de genexpressie bevorderen.
    5) Calcium kan ook zorgen voor arachidonzuurproductie en zo voor de de productie van prostaglandines en leukotrienen. 
  • Wat scheidt de mestcel nu uiteindelijk uit?
    - lipide mediators: prostaglandines, leukotrienen
    - cytokines: TNF vb
    - granules: met histamine bijv.
  • Wat is de FEV-1?
    Dit is de Forced expiratory volume. Het volume dat je 1 seconde kunt uitblazen maximaal. 
  • Bij de vroege reactie binden de allergenen dus direct op mestcellen en bij de late reactie gaat het via de Th2-cellen. 
  • De reden dat bij astma de bronchus helemaal dicht gaat zitten komt door bronchoconstrictie, oedeem, mucussecretie, airway remodeling (
  • Wat is airway remodeling?
    Het is moeilijk om te omschrijven. Het is een verzamelterm voor de veranderingen die structurele cellen in astmaweefsel ondergaan vergeleken met de normale luchtwegen. 
  • Hoe vindt de allergeen geinduceerde luchtweg obstructie plaats en de hyperreactiviteit?
    vroege reactie: Een allergeen bindt aan de mestcel en via histamine enz vrijlating ontstaat constrictie, oedeem, mucus secretie. 
    late reactie: een allergeen activeert een dendriet. Deze presenteert het allergeen aan een Th2 cel. Deze zorgt via IL-4 en IL-14 voor IgE productie en via IL-5 voor eosinofielactivatie. Eosinofielen zorgen via platelet activating factor (PAF) en via leukotrienen voor constrictie, oedeem en mucus secretie. 
  • Hoe kunnen mestcellen zelf ook eosinofielen activeren?
    Dit kan door de productie van PAF, TNF-alfa, IL-4, IL-5 en leukotrienen.
  • Wat is eotaxine?
    Cytokines van zowel de vroege als de late reactie kunnen alle 4 de soorten epitheelcellen activeren. Deze kunnen allemaal eotaxine produceren. Dit is een stof die kan zorgen voor de recrutering van eosinofielen via de CCR3 receptor. 
  • Wat kunnen eosinofielen nu doen?
    Ze kunnen via de stoffen: major basic protein (MBP), zuurstof, ECP en EPO zorgen voor luchtweghyperreactiviteit, oftewel epitheelbeschadiging. Als extra effect hebben nu agonisten van de gladde spiercellen in de longen een direct effect hierop omdat ze nu niet meer worden tegengehouden door het epitheel. 
  • Wat is hypersensitiviteit?
    Dit houdt in dat iemand bij een lage dosering van een bepaalde stof (vb methacholine) net zo sterk reageert als een controle persoon bij een veel hogere dosering. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat is de toepassing van antimycotica?
bij schimmel en gistinfecties. (zwemmerseczeem), 
vb: imidazolen: miconazol, ketoconazol, clotrimazol.
breedspectrum antimycotica, lokaal, remming ergosterol synthese (membraancomponent van schimmels)
Wat is de toepassing van antibiotica?
bij bacteriele infecties. Alleen bij primaire infecties lokaal (impetigo, steenpuisten, stafylokokken, streptokokken)
voor lokale toepassing bij voorkeur geen systemische antibiotica vanwege de ontwikkeling van overgevoeligheid en resistentie (penicilline, streptomyocine.
Wat is isotretinoine?
Het zorgt voor keratolyse een afname van de talgafscheiding, antiinflammatoir, antibacterieel, toxisch, teratogeen. En kan dus niet tijdens de zwangerschap worden gegeven.
Welke orale therapie is er voor acne vulgaris?
doxycycline/ tetracycline kan oraal worden toegediend.  van de retinoiden kan alleen isotretinoine oraal worden toegediend!
Hoe werken de retinoiden (tretinoine, adapaleen)?
Ze zorgen ervoor dat vitamine A (retinol) niet kan worden omgezet naar een stof die essentieel is in de nucleaire transcriptie om keratinocyten en epitheliale cellen te laten differentieren.
Wat  zijn tretinoine/ adapaleen?
Deze werken ook keratolytisch (proliferatie van loss hoorncellen, antiinflammatoir.  Ze zorgen ook voor een transcriptie van de eiwitsynthese. 
Het is teratogeen en moet dus niet in de zwangerschap worden gegeven.
kWat is benzoylperoxide?
Dit werkt keratolytisch, bacteriostatisch (propioni), ontstekingsremmend en is niet verenigbaar met tretinoine!
Wat is de lokale therapie voor acne vulgaris?
- benzoylperoxyde (evt. salicylzuur). 
- combinatie benzoylperoxide en tretinoine/ adapaleen 
afwisselend overdag en 's nachts en eventueel lokaal.
- antibacterieel middel (erythromycine of miconazol)
Wat is acne vulgaris?
er is sprake van een hyperkeratinisatie door een afsluiting van haarfollikels. 
- Er is sprake van een verhoogde talgproductie, een ophoping van talg waardoor puistjes ontstaan met zwarte puntjes (open, oxidatie talg) of zonder zwarte puntjes (wit, gesloten), of met pus (infectie).
- infectie met de propionibacterie.
Het gaat door de androgeenproductie omhoog of door een overgevoeligheid van de huid voor de normale androgeenconcentratie.
Wat is de therapie voor Psoriasis (oraal)
- methoxsaleen: zorgt voor een remming van de celdeling in de epidermis en een immuunsuppressie door apoptose van T-cellen.
- cyclosporine: remming van de proliferatie van T-cellen door een remming van de IL-2 synthese. hoge tox
- methotrexaat: foliumzuurantagonist: remming van de DNA-synthese. hoge levertox.
- acitretine: teratogeen, vitamine A-zuurderivaat, keratolytisch.
- fumaarzuur: cytostatische eigenschappen, nefrotoxiciteit
- infliximab: anti-TNF-alfa.