Summary Understanding Nutrition

-
ISBN-10 128587434X ISBN-13 9781285874340
239 Flashcards & Notes
3 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Understanding Nutrition
  • Eleanor Noss Whitney Sharon Rady Rolfes
  • 9781285874340 or 128587434X
  • 2015

Summary - Understanding Nutrition

  • 1 Een overzicht van voeding

  • Op welke manieren kun je allemaal naar voeding kijken?
    1. Bestuderen welke keuzes mensen maken in het nuttigen van voedsel
    2. uit welke basiselementen (nutrienten) voedsel bestaat
    3. voedingswetenschap en onderzoek
    4. Dieten en gezondheid (ziektes)
    5. hoeveel van wat dagelijks in te nemen
    6. voedingsassessment
  • Waarop zijn voedselkeuzes gebaseerd?
    Voorkeuren
    • gewoontes
    • ethnische en regionale kenmerken
    • sociale gewoontes
    • beschikbaarheid van middelen (voedsel en geld)
    • positieve en negatieve associaties
    • emotie
    • waarden (religie, wereldbeeld, duurzaamheid, status)
    • lichaamsgewicht en imago
    • gezondheid
  • Noem de basisnutrienten
    • Koolhydraten
    • Vetten
    • Proteinen (eiwitten)
    • Vitaminen
    • Mineralen
    • Water     
  • Noem enkele wetenschappelijke onderzoeksmethoden
    Blind experiment
    dubbelblind experiment
  • Hoe ziet een wetenschappelijk onderzoek in elkaar?
    • Observatie en vraag
    • Hypothese en voorspelling
    • experiment
    • resultaat en interpretatie
    • hypothese klopt wel/niet
    • theorie en nieuwe onderzoeksvragen     
  • Wat zijn gezondheidsvoordelen van een goed voedingspatroon?
    Verminderde kans op:
    • hart- en vaatziekten
    • kanker
    • diabetes II
    • overgewicht   
  • 1.4 referentie-innames nutrienten

  • Wat is de dagelijks aanbevolen hoeveelheid (referentie-inname) van koolhydraten, vetten en eiwitten?
    UItgaand van 8400kJ/2000kcal
    • Vetten: 70 gram (waarvan max 20 gram verzadigd) 
    • Koolhydraten: 260 gram (suikers 90 gram)
    • Eiwitten: 50 gram
    • Zout: 6 gram   
  • Wat is BMI? En welke indeling wordt gehanteerd?
    Gewicht (kg)/Lengte (mx2)
    • tot 18.5: ondergewicht
    • 18.5-25: normaal gewicht
    • 25- 30:  overgewicht
    • 30-40:  obesitas
    • hoger dan 40: morbide obesitas
  • Wat is DRI?
    Dietary Reference Intakes
    of: Dagelijkse Referentie Inname (aanbevolen dagelijkse hoeveelheid)

    • Estimated Average Requirements (EAR)
    • Recommented Dietary Allowances (RDA) 
    • Adequate Intakes (AI)
    • Tolerable Upper Intakes (UL)   
  • 3 Spijsvertering, absorptie en transport

  • Wat zijn de verschillende (anatomische) onderdelen van het spijsverteringsstelsel?
    Mond
    Slokdarm
    Maag
    12v-darm
    Dunne darm
    Dikke darm
  • Waar worden welke spijsverteringssappen geproduceerd?
    • Mond: speeksel met enzym amylase (zetmeel wordt glucose)
    • Maag: zoutzuur met enzym pepsine/peptase (eiwitten worden aminozuren)
    • alvleesklier: lipase (vetten worden monoglyceriden, glycerol en vetzuren) en amylase 
    • 12v-darm met darmsappen en enzymen en alvleeskliersap met enzymen (lipase, amylase, peptidase)
    • dunne darm met darmsappen en enzymen (peptidase breekt vet af, maltase, lactase, sacharase breken koolhydraten af en trypsine breekt eiwit af)
    • dikke darm  (microbacterien)
  • Waar vindt absorptie van de nutrienten hoofdzakelijk plaats?
    Dunne darm
  • Hoe vindt absorptie in de dunne darm plaats?
    Doordat bloed langs de buitenwand van het darmkanaal stroomt en moleculen (?) oppikt en vervolgens vervoert naar de lever en de rest van het lichaam
  • Hoe worden voedingsstoffen geabsorbeerd?
    Door:
    • Passie transport (Diffusie en osmose door semipermeabele wand), kost geen energie
    • Actief transport (via transportkanalen, Na-Ka pomp en bulktransport, fagocytose en exocytose)
  • Wat doet de schildklier?
    • Maakt schildklierhormonen, belangrijk voor de stofwisseling, groei en geestelijke ontwikkeling.
    • Schildklier beïnvloedt eetlust, opname van voeding, beweeglijkheid van de darm, temperatuurregulatie, hartslag, bloeddruk, concentratie, geestelijke stabiliteit, energie
    • Jodium is belangrijk bij hormoonproductie. Jodiumtekort: tragere schildklier en opzwellen. Jodium teveel: verstoorde werking schildklier (komt niet snel voor behalve bij schildklierafwijkingen, dan is schildklier gevoelig voor jodium)
  • Wat zijn enzymen?
    • Het zijn eiwitten met een specifieke werking
    • Stoffen opbouwen, afbreken, worden zelf daarbij niet verbruikt
    • hebben bepaalde temperatuur en zuurgraad nodig (om voor genoeg botsingen te zorgen en niet te denatureren)
    • katalysator scheikundige reactie
  • Welke enzymen produceert de lever?
    ASAT
    ALAT
    Billirubine (afbraakproduct rode bloedcellen)
    LDH (lactaat dehydrogenase)
  • Wat is de functie van maagzuur?
    • Breekt voedseldeeltjes af in kleinere deeltjes
    • denatureert eiwit
    • maakt pepsine (eiwitvertering)
    • vernietigt bacterien  
  • Wat doet het lymfesysteem?
    • Voert afvalstoffen af, werkt zuiverend (filter)
    • afweer tegen infecties (bevat witte bloedcellen: lymfocyten)
    • bevat vooral eiwitten
  • Welke hormonen zijn betrokken bij de spijsvertering?
    • Gastrine in de maagwandklieren, reageert op voedsel (produceert maagzuur)
    • Secretine in de twaalfvingerige darm reageert op zure maaginhoud in de dunne darm(laat pancreas bicarbonaat maken)
    • Cholecystokinine in de dunne darm  reageert op vet en eiwitten (zorgt ervoor dat alvleesklier spijsverteringsenzymen afgeeft en dat de galblaas gal afscheidt)
  • Wat is een hormoon?
    Een hormoon is een signaalstof die door cellen in het lichaam geproduceerd wordt en via het bloed bij de cellen komt waarvan het de activiteit reguleert.
  • Door welke organen worden hormonen gemaakt?
    • Epifyse (pijnappelklier): melatonine
    • Hypothalamus en hypofyse: groeihormoon, schildklierstimulerend hormoon
    • Schildklier: schildklierhormonen
    • Bijnier: corticoiden en geslachtshormonen, adrenaline
    • PAncreas (alvleesklier): insuline en glucagon
    • Eierstokken (ovaria): oestrogeen en progesteron
    • Teelballen (testes): testosteron
  • Hoe werkt een hormoon?
    Een hormoon heeft enkel effect op een cel indien die een receptor (specifieke bindingsplaats) heeft voor het betreffende hormoon. Verplaatst zich via het bloed.
  • Welke enzymen zijn werkzaam in de pancreas (alvleesklier)?
    Pancreas maakt enzymen die betrokken zijn bij vertering van vetten, eiwitten en koolhydraten.
    • pancreasamylase: koolhydraten
    • trypsine, peptidase: eiwitten
    • pancreaslipase en fosfolipase: vetten   
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Understanding Nutrition
  • Eleanor Whitney Sharon Rady Rolfes
  • 9781305537620 or 1305537629
  • 2015

Summary - Understanding Nutrition

  • 1.1 Voedingskeuzes

  • Welke factoren zijn van invloed op de voedselkeuze?
    Factoren die van invloed kunnen zijn op de voedselkeuze zijn: voorkeur (smaak, met name zoet en zout); gewoonte; cultureel en nationale gerechten; sociale momenten; beschikbaarheid, gemak en budget; positieve en negatieve associaties; emoties; waarden die mensen hechten aan bepaald voedsel vanwege het geloof, politieke gedachten of milieu-aspecten; lichaamsgewicht en uiterlijk; voedings- en gezondheidsvoordelen.
  • Welke 10 factoren bepalen je voedingskeuze?
    1. Voorkeuren (suiker, zout, vet)
    2. Gewoonte (je kiest eten dat je kent, hoeft niet te kiezen. Ook het overslaan van een ontbijt als je vroeg weg moet kan een gewoonte zijn)
    3. Etniciteit en regionale keukens (mensen houden van voedsel waarmee ze opgegroeid zijn. Aardappelen - groente - vlees in NL, rijst in Azië)
    4. Sociale interactie (samen eten is gezelliger. Je eet dan vaak meer)
    5. Beschikbaarheid, gemak en economie (je kiest wat er bij je in de buurt te koop is. Makkelijk, snel en goedkoop)
    6. Positieve en negatieve associaties (gevoelens krijgen bij bepaalde voeding omdat je hier positieve of negatieve gedachten bij hebt, eten in de oorlog, eten bij je oma)
    7. Emoties (Emotie/stress-eten kan leiden tot overgewicht)
    8. Waarden (Voedsel kiezen op basis van geloof, milieu, dieren/mensenrechten)
    9. Gewicht en imago (Mensen met een vertekend zelfbeeld hebben vaak ook een verstoord eetpatroon)
    10. Gezondheid (iets eten om het 'gezond' is zoals bijvoorbeeld Yakult)
  • Welke 4 meetmethoden ken je om onder- of overvoeding op te sporen?
    1. Historische informatie: gezondheidsstatus,socioeconomische status, drugsgebruik, dieet.
    2. Antropometrische metingen: lengte en gewicht.
    3. Fysiek onderzoek: haar, ogen,huid,postuur,tong en vingernagels.
    4. Laboratoriumtests: bloed- en/of urineonderzoek. 
  • Wat is primair tekort?
    Een voedingsstoftekort veroorzaakt door een inadequaat dieet.
  • Wat is secundair tekort?
    Een voedingsstof tekort veroorzaakt door anders dan een inadequaat dieet zoals een ziekte of medicijninteractie dat een absorptie verminderd, of juist gebruik versneld, uitscheiding versneld of een voedingsstof vernietigt.
  • 1.2 Voedingsstoffen

  • Hoeveel Kcal per gram hebben koolhydraten, eiwitten, vetten en alcohol?
    Alcohol -7, vetten-9, koolhydraten en eiwitten - 4.
  • Benoem de nutriënten waaruit onze voeding bestaat
    Onze voeding bestaat uit 6 klassen nutriënten: water, koolhydraten, vetten, eiwitten, vitamines en mineralen.
  • Wat zijn de 6 belangrijkste voedingsstoffen?
    1. Koolhydraten (organisch, macronutriënt, geeft energie)
    2. Vetten (organisch, macronutriënt, geeft energie) 
    3. Eiwitten / Proteïnen (organisch, macronutriënt, geeft energie)
    4. Vitaminen (organisch, micronutriënt, geeft geen energie)
    5. Mineralen (an-organisch, micronutriënt, geeft geen energie)
    6. Water
  • Wat is het verschil tussen organische en anorganische nutriënten?
    Mineralen en water zijn anorganische nutriënten, wat betekend dat ze geen koolstof bevatten. De andere 4 nutriënten (koolhydraten, vetten, eiwitten en vitamines) zijn veel complexer, en bevatten naast waterstof en zuurstof ook koolstof.
  • Hoeveel Kcal per gram hebben koolhydraten en eiwitten?
    4
  • Wat wordt verstaan onder essentiële voedingsstoffen?
    Het lichaam kan deze voedingsstoffen niet of te weinig zelf aanmaken, maar is alleen van voedsel beschikbaar.
  • Wat zijn macro- en micronutriënten?
    Koolhydraat, vet en eiwit worden ook wel macronutriënten genoemd omdat het lichaam ze in grote hoeveelheden nodig heeft (meerdere gram per dag). Deze worden ook energie-gevende nutriënten genoemd. 
    Vitamines en mineralen zijn micronutriënten, waar maar een paar mili- of microgram per dag van nodig is.
  • Hoeveel Kcal per gram heeft vet?
    9
  • Hoe reken je om van kJ naar Kcal en omgekeerd?
    kcal x 4.2 = kJ
  • Geef aan hoeveel kcal energy een gram vet, een gram koolhydraat, een gram eiwit en een gram alcohol oplevert bij verbranding in het lichaam
    vet: 9 kcal/g
    koolhydraat: 4 kcal/g
    eiwit: 4 kcal/g 
    alcohol: 7 kcal/g
  • Hoeveel Kcal per gram heeft alcohol?
    7
  • Welke zijn de macro- en micronutriënten en wat zijn hun functies?
    Koolhydraten vetten en eiwitten - Macronutriënten en zijn energieleverend.
    Vitaminnen en mineralen- micronutriënten- faciliteren in het vrijkomen van de energie van de macronutriënten en participeren in allerlei activiteiten in het lichaam.
  • Welke type voeding zorgt voor gewichtsafname? voeding met een hoge energiedichtheid of lage energie dichtheid?
    Lage energie dichtheid. Deze producten bevatten een meer gram per calorie. bijv. 400gram ontbijt van 500calorie (koffie, toast, jam, eieren, worstje) t.o.v. 200gram ontbijt van 500g calorie (koffie met donut)
  • Hoe bereken je de energiedichtheid van een product?
    De hoeveelheid energie die een product oplevert, ligt aan hoeveel koolhydraat, vet en eiwit het product bevat. Omdat vet meer energy per gram oplevert, heeft het een grotere energiedichtheid dan koolhydraat of eiwit. 
    Om uit te rekenen hoeveel energy er beschikbaar is in een product, vermenigvuldig het aantal gram koolhydraat, eiwit en vet met 4, 4 en 9. Tel bij elkaar op.
    Energiedichtheid van bijv. een ontbijt uitrekenen: energie (kcal)/gewicht (g) = energiedichtheid (kcal/g).
  • Leg uit wat essentiële nutriënten zijn
    Essentiële nutriënten zijn nutriënten die een mens uit voeding moet verkrijgen omdat het lichaam ze niet zelf in voldoende hoeveelheden kan aanmaken. Er zijn ongeveer 40 nutriënten bekend die essentieel zijn voor mensen.
  • Hoe kun je energiegehaltes omrekenen van kcal naar kJ en omgekeerd?
    Van kcal naar kJ: vermenigvuldigen met 4,2
    Van kJ naar kcal: vermenigvuldigen met 0,24
  • Benoem de de algemene functies van macro‐ en micronutriënten.
    De macronutriënten (koolhydraat, eiwit en vet) geven energie. Wanneer de bindingen breken in het lichaam, komt er energie vrij. Daarnaast voorzien de macronutriënten het lichaam van de ruwe materialen die nodig zijn voor het bouwen en vormen van bindweefsel en het reguleren van de vele activiteiten.
    De micronutriënten: vitamines helpen de koolhydraten, vetten en eiwitten bij het afgeven van energie en zijn actief in verschillende delen van het lichaam. Vitamines zijn organische, essentiële nutriënten waarvan kleine hoeveelheden nodig zijn voor de gezondheid van het lichaam. Mineralen zijn anorganisch. Sommige vormen roosters binnen structuren zoals botten en tanden. Andere zijn te vinden de vloeistoffen van het lichaam, en reguleren de vochthuishouding.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • Understanding Nutrition
  • Whitney
  • or
  • 11

Summary - Understanding Nutrition

  • 1 Metabolisme

  • Levercellen  zijn  hebben  de meeste metabole activiteit.
    Energie omzetting gebeurt in  mitochondrien. Zij  bevatten  alle enzymen die eeen  rol  spelen  bij :pyruvaat-->AcetylCoA, vetzuur-oxidatie, TCA(krebs), Ademhalingsketen.
    Energie wordt opgeslagen in fosfaatbindingen van ATP. Negatieve lading op  de fosfaatbindingen  maakt ze kwetsbaar voor hydrolyse.Zo wordt er een  van  de fosfaat groepen  afgesplitst en  komt er energie vrij.
    Vrijgekomen  energie bij  catabole reacties wordt zo gebruikt voor de anabole reacties. Via ATP.
    Enzymen  en co-enzymen  helpen bij opbouw en  afbraak reacies.
    Basisunits van  metabolisme: glucose, glycerol, vetzuren,  aminozuren
    40% van energie uit  het eten wordt in  bruikbare energie omgezet. 60% in  warmte
    TCA/Krebs
    4C oxaloacetaat  pikt 2C acetyl coA op, sliptst 1C als CO2 en  splitst nog 1C als CO2 en  daarna komt het weer terug om  nieuwe acetylcoA op te pikken. Pyruvaat is de grondstof voor oxaloacetaat. Voor de complete vet oxidatie, heb  je koolhydraten  nodig. Bij  de afbraak  van  acetylCoA komen  er electronen  en H+ vrij.
    Ademhalingsketen
    Electronen  worden  doorgegeven totdat ze O2 aan het einde van de keten bereiken. O2 accepteerd de electronen en  bindt met H;er wordt water gevormd. Als de electronen  worden  doorgegeven, komt er genoeg energie vrij  om de H+ rond te pompen over het membraan  naar de buitensete compartiment. ATP wordt gesyntetiseerd als de H+ terug naar de binnennste compartiment stromen.
  • oxaloacetaat
    gevormd door pyruvaat+CO2
    bindt met acatylCoA --> nodig om  TCA te draaien
  • Ademhalingsketen
    laatste stap  in energie metabolisme. Transporteert electronen  van H naar O en  vangt energie in ATP bindingen.
  • catabolisme
    afbrekende reacties. Grotere  moleculen  worden afgebroken  tot kleine units. Er komt energie bij vrij. Hydrolyse reacties.

    Glycogeen--->glucose
    Triglycerides--->vetzuren +glycerol
    Eiwitten--->Aminozuren
  • metabolisme
    som van  alle chemische reacties in  levende cellen.Hoe energie wordt verkregen  en  besteed.
  • TCA/Krebs
    serie van  metabole reacties. Moleculen  van acetylCoA worden  afgebroken  tot CO2 en H-atomen.
    In  de inner compartiment van  mitochondrien.
  • acetylCoA
    2C compound, acetaat. Molecuul  van CoA bindt eraan.
  • pyruvate
    3C -compound , speelt een  sleutelrol in E.metabolisme
  • anabolisme
    opbouwende reacties. Van kleine onderdelen  worden  grotere moleculen  gemaakt. Er is energie voor nodig. Condensatie reactie is een  voorbeeld/
    Glucose moleculen  worden  samengevoegd om glycogeen  ketens te vormen. Vetzuren en  glycerol  worden  samengevoegt tot triglyciriden. Aminozuren  worden aan elkaar  gekoppeld zodat proteinen ontstaan.
  • Brunner, klieren van: glandulae duodenalis (slijmklieren onder het slijmvlies van de twaalfvingerige darm)
    In  submucosa stimuleert plexus van Missner het legen  ervan
  • 1.1 Koolhydraten

  • epimeren
    positie van een -OH groep verschillen
  • Van  een  molecuul  glucose worden  2 moleculen pyruvaat gemaakt via glycolyse. Coenzymen(niacine)  nemen de electronen mee naar e.transport keten.Er komt wat energie vrij.
    Maken  van  glucose kost energie en  een  aantal  enzymen.
    Van puruvaat kan  glucose worden  gemaakt.
    Anaerobe omzetting pyruvaat: sprinten. Energie moet snel  vrijgemaakt worden. Lactaat wordt gevormd. In  de afwezigheid van  zuurstof of bij  afwezigheid van goedwerkende mitochondrien, accepteert puruvaat H+.
    Lactaat uit de spieren kan  naar de lever gaan. Lever enzymen + wat energie kunnen ervan  glucose vormen. Deze glucose gaat terug naar de spieren.
    Aerobe omzetting pyruvaat:1/2 h fietsen
    COOH groep  wordt afgehaald. Van 3C wordt 2C component gevormd. Daar bindt CoA aan = acetylCoA.Coenzymen  nemen  e- &H+ naar de ademhalingsketen. 2 CO2 gevormd(van  elke C pyruvaat) Ze worden  uitgeademd. Daarom  kan  er van  acetylCoA geen  glucose worden  teruggevormd.
    AcetylCoA : vet of ATP productie. Iedere molecuul dat acetylCoA kan maken, maakt ook  vet; glucose, glycerol,vetzuren aminozuren. Het kan  vetzuren bouwen,maar vormt geen  glucose.
    Als cel  energie nodig heeft,  dan  gaat acetylCoA TCA/Krebs/ademhalingsketen binnen.
    Glucose<---->Pyruvaat---->AcetylCoA
    Glucose--->Pyruvaat--->Lactaat---->Lever---->+ATP+enzymen--->Glucose
  • enantiomeren
    spiegelbeeld D-->L vorm;-OH aan laatste 
                 chirale C-atoom respectievelijk rechts en links
  • wat zijn  eindproducten  in  de vertering van  dextrinen?
    maltose, iso-maltose, glucose
  • Cori-cycle
    Lactaat uit de spieren kan  naar de lever gaan. Lever enzymen + wat energie kunnen ervan  glucose vormen. Deze glucose gaat terug naar de spieren.
  • glycolyse
    glucose afbraak. Puruvaat wordt gevormd. Dit process is anaeroob.
    Doel : energie leveren  voor korte stukjes & glucose voorbereiden voor verdere metabolisme.
  • Welke stelling m.b.t. vertering van disacchariden en kleine oligosaccariden is juist?

    Selected Answer:  

    a.      ??amylase speelt hierbij een rol van betekenis

    Correct Answer:  
    Maltase speelt hierbij een rol van betekenis
    Answer Feedback:

    a.Dit is het niet uiste antwoord. De vertering van de disacchariden en kleine oligosacchariden vindt plaats op de brush border


  • Absorptie van glucose & galactose
    • De darmcel in: actief transport -
    SGLT1
    • Het bloed in: diffusie + GLUT2


    Absorptie van fructose
    • De darmcel in: facilitated
    transport - GLUT5
    • Het bloed in: GLUT2
  • gluconeogenese
    glucose kan  gemaakt worden  van  glycerol en  meeste aminozuren. Meestal  gebeurt dit in  de lever. Tijdens starvation, ook  in de nieren.
  • glucose transporters (GLUTs)
    - membraan-eiwitten
         - conformationele verandering na binding van monosaccharide
         - zorgen voor gefaciliteerd (passief) transport (conc.-afhankelijk)
         - verschillende isovormen; hebben elk een eigen affiniteit
    - GLUT1:  op rode bloedcellen en de meeste celmembranen
                              zorgt voor constant glucose transport (basale glucose opname)
         - GLUT2:  vooral op darm, nier, lever en pancreas cellen
                              lage affiniteit voor glucose (actief bij hoge bloedglucose, gevoed!)
         - GLUT3:  vooral op neuronen en placenta cellen
                              hoge affiniteit voor glucose
         - GLUT4:  vooral op spier en vetweefsel cellen
                              gereguleerd door insuline
         - GLUT5:  fructose transporter (vooral in dunne darm)
  • Regulatie bloedglucose / glucose homeostase

    Insuline:
      geproduceerd door de pancreas
    uitgescheiden als de bloedglucose stijgt
    down gluconeogenese in lever 
      up opslag glucose (glycogeen) in lever  
      up opname glucose door o.a spieren
      down afbraak van vet in vetweefsel

    Glucagon:
      geproduceerd door de pancreas
    uitgescheiden als de bloedglucose daalt
      up afbraak van glycogeen in lever
      up  gluconeogenese in lever
  • Wat doet GLP-1 voor insuline/glucagon regulatie?
    stimuleert insuline; remt glucagon
  • Gastric inhibitory polypeptide (GIP)?
    stimuleert afgifte insuline
  • wat is glycogenese?
    synthese  van  glycogeen uit glucose.
    Glycogen  syntase + glycogenin primer = onvertakt glycogeen, Branching enzyme zorgt voor vertakking.
    Stimulatie: insuline
    Afbraak: ardenaline +glucagon
  • Waarom is de oxidatieve fase van de hexosemonofosfaat shunt van belang? En  waarom  is non-oxidatieve  fase van  belang?
    Non-Ox
    Voor de productie van bouwstenen voor o.a. ATP, RNA en DNA
    Ox:
    Voor de synthese van vetzuren en steroïden
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat zijn enzymen? Wat doen ze?
Enzymen zijn eiwitten. Ze werken specifiek, ze kunnen stoffen opbouwen of afbreken. Ze versnellen een reactie maar worden hierbij zelf niet verbruikt. Ze werken bij een optimum temperatuur en zuurgraad.
Wat is het verband tussen proteinerijk voedsel (zoals rood vlees) en kanker?
Proteinen dragen niet bij aan het risico maar wel de verzadigde vetten in rood vlees.
Wat is de stikstofbalans?
  • Stikstofbalans is de  verhouding van de door de mens gedurende een bepaald tijdvak opgenomen en uitgescheiden hoeveelheid stikstof. Ze worden met een bepaalde snelheid afgebroken en aangemaakt.
  • Lucht bestaat voor 80% uit stikstof, maar moet eruit worden gehaald mbv de stikstof kringloop (het eten van planten en dieren).
  • Een negatieve stikstofbalans kan bijvoorbeeld ontstaan door het nuttigen van onvolledige aminozurenpakket.
  • Stikstof is een belangrijk bestanddeel van eiwitten
  • Uitscheiding vooral door urine
Wat is myoglobine?
Een zuurstofbindend eiwit dat in grote hoeveelheden voorkomt in de spieren. T
Neemt zuurstof over van het hemoglobine in het bloed en transporteert het vervolgens  vanaf de celmembraan naar de mitochondrieen in de cel.
Bevat, net  als hemoglobine, ook ijzer, maar wel minder (1 atoom ipv 4) 
Zuurstof bindt zich makkelijker aan myoglobine dan aan hemoglobine.
Wat is sarcopenie?
Een ongunstige lichaamssamenstelling gekenmerkt door het verlies van spiermassa en spierkracht bij gelijkblijvende of toenemende vetmassa
Welke enzymen zijn werkzaam in de pancreas (alvleesklier)?
Pancreas maakt enzymen die betrokken zijn bij vertering van vetten, eiwitten en koolhydraten.
  • pancreasamylase: koolhydraten
  • trypsine, peptidase: eiwitten
  • pancreaslipase en fosfolipase: vetten   
Hoe werkt een hormoon?
Een hormoon heeft enkel effect op een cel indien die een receptor (specifieke bindingsplaats) heeft voor het betreffende hormoon. Verplaatst zich via het bloed.
Door welke organen worden hormonen gemaakt?
  • Epifyse (pijnappelklier): melatonine
  • Hypothalamus en hypofyse: groeihormoon, schildklierstimulerend hormoon
  • Schildklier: schildklierhormonen
  • Bijnier: corticoiden en geslachtshormonen, adrenaline
  • PAncreas (alvleesklier): insuline en glucagon
  • Eierstokken (ovaria): oestrogeen en progesteron
  • Teelballen (testes): testosteron
Wat is een hormoon?
Een hormoon is een signaalstof die door cellen in het lichaam geproduceerd wordt en via het bloed bij de cellen komt waarvan het de activiteit reguleert.
Welke hormonen zijn betrokken bij de spijsvertering?
  • Gastrine in de maagwandklieren, reageert op voedsel (produceert maagzuur)
  • Secretine in de twaalfvingerige darm reageert op zure maaginhoud in de dunne darm(laat pancreas bicarbonaat maken)
  • Cholecystokinine in de dunne darm  reageert op vet en eiwitten (zorgt ervoor dat alvleesklier spijsverteringsenzymen afgeeft en dat de galblaas gal afscheidt)