Summary Vennootschappen en rechtspersonen

-
198 Flashcards & Notes
0 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - Vennootschappen en rechtspersonen

  • 1 Rechtsvormen en het handelsregister

  • De Kern van het ondernemingsrecht

    Hoofdstuk 1
    Ondernemingsvormen

    Jas van de onderneming
    De rechtsvormen zou men kunnen zien als de juridische jas waarin een onderneming wordt gehuld.

    Het ondernemingsrecht regelt vooral drie onderwerpen:
    1. hoe steekt de interne structuur van een onderneming in elkaar (de juridische organisatie, de inrichting ervan)?
    2. wie mogen en kunnen voor de onderneming transacties afsluiten (vertegenwoordiging)?
    3. hoe zijn de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de gang van zaken in de onderneming uitgewerkt?
  • 1. Bv
    Kapitaalassociatie
    Art. 2:175 BW geeft een omschrijving van de bv. Kenmerkend voor een bv is onder andere dat deze een in een of meer overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal heeft. Men kan slechts in een bv participeren via een aandeel in haar kapitaal. Om deze reden wordt de bv gerekend tot de zgn. kapitaalassociaties; of ook wel kapitaalvennnootschappen. Er dient bij oprichting in ieder geval één aandeel te worden uitgegeven. Het nominale bedrag van de aandelen en het daarop te storten bedrag kan laag zijn, bv. 1 euro. Als er meer dan één aandeel wordt uitgegeven, wat in de regel het geval is, mogen de aandelen in handen zijn van één aandeelhouder. De eenpersoons-bv is in het Nederlandse recht een legaal verschijnsel.
  • Functies van het aandeel
    1. Aandelen voor de bv zijn een middel om vermogen aan te trekken. De aandeelhouder brengt vermogen in de bv in. Hij verkrijgt als tegenprestatie van de bv een of meer aandelen. Deze inbrengverplichting houdt in dat de aandeelhouder vermogen aan de bv ter beschikking moet stellen, in beginsel ter grootte van het nominale bedrag waarvoor hij aandelen neemt. In de statuten van een bv staat steeds vermeld hoe hoog dit nominale bedrag voor een bepaalde soort aandelen is (bv. 0.01,-/750,- per aandeel zijn).
    2. Aan het aandeel is doorgaans stemrecht in de aandeelhoudersvergadering verbonden (art. 2:228 BW). Met het aandeel kan zeggenschap in de bv worden uitgeoefend. Het aandeel heeft dan dus een zeggenschapsfunctie. In beginsel levert ieder aandeel één stem op. Voor het aantal in de aandeelhoudersvergadering uit te brengen stemmen is in beginsel de omvang van het aandelenbezit doorslaggevend. De bv heeft een plutocratisch karakter. Hoe meer aandelen iemand houdt, des te machtiger is hij in de aandeelhoudersvergadering en daarmee in de vennootschap. Dit kan echter in de statuten van een bv anders worden geregeld (art. 2:228 lid 4 BW). Zo zijn zelfs aandelen zonder stemrecht toegelaten, voor zover de statuten dit regelen.
    3. Het aandeel vervult een winstverdelingsfunctie: in beginsel geeft ieder aandeel recht op een gedeelte van de winst (art. 2:216 BW). De door de bv behaalde winst wordt over de aandelen verdeeld. Men noemt de winstuitkering op een aandeel ook wel dividend. Hoe meer aandelen men bezit, des te groter is in beginsel het winstrecht van de betrokkene (afwijkingen mogelijk; zie art. 2:216 lid 6 en 7 BW).
    4. Voor een aandeelhouder vervult het nog een belangrijke functie: het is voor hem een vermogensobject, omdat het voor overdracht vatbaar is.
  • Beslotenheid van bv
    De bv is besloten. Dit houdt in dat de door haar uitgegeven aandelen op naam staan en overdracht ervan in beginsel niet vrijelijk kan plaatsvinden. Een aandeelhouder in een bv die zijn aandelen wil overdragen dient in beginsel zijn over te dragen aandelen aan de medeaandeelhouders aan te bieden (art. 2:195 lid 1 BW). De statuten mogen de aandelenoverdracht vrijmaken. In de wet zijn grenzen gegeven aan de overdraagbaarheid. Dit type voorschriften wordt blokkeringsregelingen genoemd. Blokkeringsregelingen hebben tot gevolg dat aandelen in een bv niet zonder meer vrij verhandelbaar zijn. Opmerking verdient nog dat de overdracht van aandelen in een bv slechts bij notariële akte kan plaatsvinden. Alle houders van de aandelen in een bv dienen te worden opgenomen in een register dat het bestuur van de bv moet bijhouden (art. 2:194 BW). De bv weet zo wie haar aandeelhouders zijn.

    Aansprakelijkheid
    De bv is in NL de meest populaire rechtsvorm. De oorzaak hiervan is vooral dat de aandeelhouders (en de bestuurders) in beginsel niet aansprakelijk zijn voor hetgeen in naam van de bv is verricht: een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen (art. 2:175 BW). De bv heeft dus een voor de aandeelhouders gunstig aansprakelijkheidsregime.

    Modernisering bv-recht
    Een verandering is de afschaffing van het minimumkapitaal. De voor alle bv's verplichte blokkeringsregeling is vervallen. De statuten van een bv kunnen stemrechtloze en winstrechtloze aandelen invoeren. Het nieuwe bv-recht heeft een facilitair karakter. Het is minder regulerend geworden.
  • 2. Nv
    Verschil met bv
    Het aantal NV in NL is beperkt: 4.000. De rechtsvorm nv is vooral geschikt voor grote ondernemingen. Het minimumkapitaal bedraagt 45.000 (art. 2:67 lid 2 BW). Een nv kent een in aandelen verdeeld maatschappelijk kapitaal (art. 2:64 BW). Daarmee wijkt de nv sinds 1 oktober 2012 af van de bv. Voor de bv is het maatschappelijk kapitaal facultatief. Voor de bv kan bovendien volstaan worden met de uitgifte van één enkel aandeel.

    Net als de bv is de nv een kapitaalassociatie. Het aandeel vervult bij een nv dezelfde functies als bij een bv. Zie art. 2:80 BW (aantrekken vermogen), art. 2:105 BW (winstverdeling) en art. 2:118 BW (stemrecht).

    Bij een nv behoeven aandelen niet op naam te luiden. Een nv mag ook aandelen aan toonder uitgeven die door hun aard vrij overdraagbaar zijn. De namen van houders van toonderaandelen worden niet in een aandeelhoudersregister opgenomen.
    • De aanduiding nv is overigens misleidend, omdat een nv wel degelijk aandelen op naam mag uitgeven (art. 2:82 BW). Als een nv aandelen op naam uitgeeft, moet het bestuur een register bijhouden met de namen van de aandeelhouders op naam (art. 2:85 BW).
  • 4. Verschillen tussen nv/bv enerzijds en de maatschap en de vof anderzijds
    Bij een nv en een bv zijn de aandeelhouders in beginsel niet aansprakelijk voor hetgeen in naam van de nv of de bv is verricht (zie art. 2:64 BW resp. art. 2:175 BW). Voor de vennoten van een maatschap en een vof gelden strengere aansprakelijkheidsregels.

    De nv en de bv moeten een jaarrekening opmaken, vaststellen en openbaar maken. De jaarrekening moet dus op het kantoor van het handelsregister worden gedeponeerd, art. 2:394 lid 1 BW. Deze verplichting geldt niet voor de maatschap en de vof.

    Een aandeelhouder kan de kapitaalvennootschap niet opzeggen; een vennoot van een personenvennootschap heeft wel een mogelijkheid de vennootschap te verlaten. Een aandeelhouder kan in wezen alleen van zijn aandeel af door het over te dragen aan een ander die daarin geïnteresseerd is. Er zijn echter niet altijd anderen die bereid zijn deze aandelen te kopen.

    Nog een belangrijk verschil heeft betrekking op de door de wetgever opgelegde organisatiestructuur van de nv en de bv. De wetgever schrijft voor dat een nv en een bv steeds twee organen dienen te hebben, te weten de aandeelhoudersvergadering met bepaalde in de wet en de statuten genoemde bevoegdheden en het bestuur met andere bevoegdheden.Daar kunnen op grond van de statuten andere organen aan worden toegevoegd, zoals een Raad van Commissarissen (art. 2:140/250 BW) of een vergadering van een bijzondere groep aandeelhouders (art.2:78a/189a BW). Boek 2 BW laat toe dat de aandeelhoudersvergadering en het bestuur slechts één in dezelfde persoon bevat. Bij een maatschap en een vof is het wettelijke uitgangspunt tegenovergesteld. Daar gaat de wetgever ervan uit dat de vennoten ook besturen. Hier geldt dus niet het uitgangspunt van een duale organisatiestructuur.
  • 5. Tussenvormen: commanditaire vennootschap en coöperatie
    Het Nederlandse ondernemingsrecht kent enkele rechtsvormen die zich bevinden tussen de maatschap en de vof enerzijds en de nv en de bv anderzijds. Voorbeelden hiervan zijn de commanditaire vennootschap en de coöperatie.

    Karakter van de coöperatie
    De coöperatie is ook een rechtsvorm die gesitueerd kan worden tussen de maatschap en de vof en de nv en de bv. De coöperatie is opgezet als vereniging. Eén van de belangrijkste bepalingen uit het verenigingsrecht geldt niet voor de coöperatie. Een vereniging mag geen winst aan haar leden uitkeren (art. 2:26 lid 3 BW). De coöperatie daarentegen mag wel winst uitkeren (art. 2:53a BW). Daardoor is ze geschikt als ondernemingsvorm. Een coöperatie dient zich ten doel te stellen te voorzien in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden. De coöperatie moet in de opzet van Boek 2 BW haar werkzaamheden ten dienste van haar leden verrichten. Hiertoe dient zij op grond van wettelijk voorschrift een bepaalde soort overeenkomst die verband houden met het bedrijf dat de coöperatie uitoefent, af te sluiten met de leden (art. 2:53 lid 1 BW).
  • Contracten met anderen
    De statuten van een coöperatie mogen bepalen dat overeenkomsten als die welke zij met haar leden sluit, ook met anderen mogen worden aangegaan (art. 2:53 lid 3 BW). Lid 4 bepaalt echter uitdrukkelijk dat de overeenkomsten met de leden niet van ondergeschikte betekenis mogen zijn. Een rechtbank kan op vordering van een belanghebbende of het OM een coöperatie ontbinden, indien deze zich niet aan dit voorschrift houdt (art. 2:21 lid 3 BW).

    Aansprakelijkheid
    Het aansprakelijkheidsregime van de coöperatie is mild. Art. 2:55 BW bepaalt weliswaar dat de leden van de coöperatie in geval van ontbinding aansprakelijk zijn tegenover de coöperatie voor haar tekort, maar deze aansprakelijk kan in de statuten geheel of gedeeltelijk worden weggeschreven (art. 2:56 lid 1 BW). Zo'n uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid heeft alleen effect wanneer de coöperatie de woorden Uitgesloten Aansprakelijkheid resp. Beperkte Aansprakelijkheid in haar naam voert. Het aansprakelijkheidsregime van de coöperatie lijkt in de praktijk op dat van de nv en de bv.
  • 6. Combinatievormen: concern
    Soms worden verschillende rechtsvormen gecombineerd om één onderneming te drijven. Het komt voor dat een nv de meerderheid van de aandelen in een aantal bv's houdt. De nv noemt men in zo'n geval wel moedermaatschappij of moedervennootschap. De bv's worden wel dochtermaatschappijen of dochtervennootschappen genoemd (art. 2:24a BW). Het geheel van deze rechtsvormen heet concern of groep (art. 2:24b BW). Het concern of de groep vormt één onderneming.

    Bv's en openbare vennootschappen
    Het Nederlandse vennootschapsrecht staat toe dat bv's of nv's als aansprakelijke vennoten in een maatschap of vof participeren. Ook in dat geval ontstaat een combinatievorm, namelijk van de personenvennootschap met de bv's. Men probeert in zo'n geval de angel uit het strenge aansprakelijkheidsregime van de personenvennootschap te trekken door via een aparte bv in de personenvennootschap deel te nemen. De uit het regime voortvloeiende volledige aansprakelijkheid komt immers op de bv's-vennoten te rusten. Aandeelhouders en bestuurders van deze bv's-vennoten zijn niet aansprakelijk voor verbintenissen die op de bv's rusten.
  • 7. Rechtspersoon
    Rechtspersoonlijkheid
    Rechtspersoonlijkheid heeft als belangrijkste gevolg dat de rechtspersoon zelf drager van rechten en plichten kan zijn. Een rechtspersoon is rechtssubject. Hij kan eigenaar van een auto, een huis of rechthebbende op vorderingen zijn. In dit opzicht staat de rechtspersoon met een natuurlijk persoon gelijk (art. 2:5 BW).

    Belang van de rechtspersoon
    De rechtspersoon kan slechts in het maatschappelijke leven optreden, wanneer andere personen als vertegenwoordiger voor hem optreden. Inmiddels nemen we ook aan dat een rechtspersoon een onrechtmatige daad kan plegen en een strafbaar feit kan begaan. Rechtspersonen kunnen dus worden gestraft en op vele andere manieren voor hun handelen ter verantwoording worden geroepen.
  • 8. Eenmanszaak
    Een natuurlijk persoon kan een onderneming ook drijven zonder dat hij gebruik maakt van deze ondernemingsvormen. Zo'n natuurlijk persoon drijft zijn eigen onderneming en is aansprakelijk voor de schulden die namens of door hem zijn aangegaan. Er is in dat geval geen onderscheid tussen privéschulden en zakelijke schulden, zoals we dat bij een eenpersoons-bv wel kunnen maken. Een eenmanszaak dient in het handelsregister te worden ingeschreven (art. 5 onder b Hrgw 2007).

    9. Vereniging en stichting
    Verbod van winstuitkeringen
    De vereniging en de stichting zijn minder geschikt als ondernemingsvorm, omdat ze geen winstuitkeringen mogen doen aan de leden resp. aan hun oprichters en personen die van hun organen deel uitmaken (art. 2:26 lid 3 BW resp. art. 2:285 lid 3 BW). Voor een stichting geldt nog dat deze slechts mag uitkeringen doen aan anderen dan haar oprichters en degenen die deel uitmaken van haar organen, voor zover deze uitkeringen een ideële strekking hebben.

    Ledenverbod
    Het voordeel van een stichting boven een vereniging is dat de stichting geen leden en dus ook geen ledenvergadering kent. Voor de stichting geldt een ledenverbod (art. 2:285 lid 1 BW). De vereniging kent een ledenvergadering. Het probleem van een ledenvergadering bij een vereniging is vaak dat deze als gevolg van absenteïsme en geringe belangstelling van de leden slecht functioneert.

    Ontbinding
    Indien de vereniging of stichting een winstuitkering doet in strijd met art. 2:26 lid 3 en art. 2:285 lid 3 BW is op verzoek van het OM of een belanghebbende de rechtbank bevoegd de vereniging of stichting te ontbinden (art. 2:21 lid 3 BW). De verrichte uitkering is dan onverschuldigd gedaan en kan worden teruggevorderd.
  • 10. Handelsregister
    Het handelsregister is een soort burgerlijke stand voor ondernemingen en rechtspersonen. Gegevens over ondernemingen en rechtspersonen dienen in het handelsregister te worden opgenomen. Het begrip onderneming speelt een centrale rol in de Handelsregisterwet 2007. Art. 8 onder b Hrgw 2007 bepaalt dat bij AMvB nader kan worden bepaald wanneer sprake is van een onderneming. In het Handelsregisterbesluit 2008 is hieraan uitvoering gegeven. Art. 2 Hrgb 2008 geeft een definitie van onderneming voor toepassing van de Handelsregisterwet 2007: 'Van een onderneming is sprake indien een voldoende zelfstandig optredende organisatorische eenheid van een of meer personen bestaat waarin door inbreng van arbeid of middelen, ten behoeven van derden diensten of goederen worden geleverd of werken tot stand worden gebracht met het oogmerk daarmee materieel voordeel te behalen'. In de kern moet het gaan om een bedrijf waarmee winst wordt beoogd. Deze definitie is gebaseerd op rechtspraak.

    Het handelsregister geldt ook voor rechtspersonen. Art. 6 Hrgw 2007 bepaalt dat o.a. nv's, bv's, coöperaties, stichtingen en verenigingen in het handelsregister worden ingeschreven. Deze verplichting geldt ook als de desbetreffende rechtspersoon geen onderneming drijft. Indien overigens aan een rechtspersoon een onderneming toebehoort die al in het handelsregister is ingeschreven, geldt de inschrijving van de onderneming als inschrijving van de rechtspersoon (art. 7 Hrgw 2007). Er behoeft dan dus geen tweede inschrijving van een rechtspersoon plaats te vinden.
  • Tot opgave van inschrijving in het handelsregister is verplicht degene aan wie de onderneming toebehoort. Betreft de inschrijving een rechtspersoon, dan is ieder der bestuurders gehouden tot het doen van opgaaf (art. 18 Hrgw 2007)

    Art. 21 en 22 Hrgw 2007 bepalen dat het handelsregister voor een ieder ter inzage is. De gegevens die in het handelsregister zijn opgenomen zijn in beginsel openbaar.
    Men zegt wel dat een ieder op het handelsregister moet kunnen bouwen als op een rots. Deze gedachte heeft ook de wetgever aangesproken. Art. 25 Hrgw 2007 bevat immers in dit verband twee belangrijke regels.
    1. degene aan wie een onderneming of een rechtspersoon toebehoort, kan zich niet beroepen op de onjuistheid of onvolledigheid van een in het handelsregister ingeschreven feit jegens iemand die van deze onvolledigheid of onjuistheid onkundig is. Deze mag afgaan op hetgeen in het handelsregister is te vinden;
    2. als een bepaald feit wel in het handelsregister ingeschreven had moeten worden, maar dit niet is gebeurd, kan degene aan wie een onderneming toebehoort of de rechtspersoon zich op dit ten onrechte niet-ingeschreven feit niet beroepen jegens iemand die dit feit niet kende. Vb.: A is vertegenwoordiger van B.V. X. Dit is in het handelsregister ingeschreven. A wordt ontslagen. Dit ontslag is niet in het handelsregister ingeschreven. Een derde mag A voor vertegenwoordigingsbevoegd houden, zolang hij met het ontslag niet bekend is. 
    • De HR heeft in een aantal arresten de systematiek van art. 25 Hrgw 2007 verduidelijkt. Zo kwam in Damen/Geho de vraag aan de orde of iemand zich (achteraf) mag beroepen op een feit dat in het handelsregister is ingeschreven, ook al had hij op het moment van het verrichten van een transactie het handelsregister niet geraadpleegd. B.V. Geho had een grote partij glaswerk meegegeven aan twee lieden die dit kwamen ophalen namens café 't Brouwertje. Geho sprak Damen aan tot betaling van het glaswerk. Damen stond in het handelsregister namelijk ingeschreven als eigenaar van het café (duidt op een eenmanszaak). Damen bleek het café al enige tijd daarvoor te hebben verkocht. Damen stelde dat hij niets aan Geho was verschuldigd. Geho had het handelsregister immers pas achteraf geraadpleegd en was de transactie dus niet aangegaan op basis van een onjuiste veronderstelling die aan de foutieve inschrijving was toe te schrijven. De HR overwoog dat het belang van het handelsverkeer ertoe noopte dat de inschrijvingsplichten (Damen) en derden (Geho) de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet kunnen tegenwerpen - dus de ingeschreven gegevens tegen zich moeten laten gelden - ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd. De HR vond het onevenredig belemmerend als iedereen op voorhand het handelsregister zou moeten inzien alleen om een eventueel beroep op onjuiste inschrijvingen veilig te stellen. Ook zou het bewijs van de raadpleging van het handelsregister moeilijkheden op kunnen leveren. Uit deze uitspraak vloeit ook voort dat een derde iemand die voor de onderneming als vertegenwoordiger optreedt voor bevoegd mag houden als zijn bevoegdheid uit het handelsregister blijkt, ook al is hij in werkelijkheid niet bevoegd en heeft de derde het handelsregister niet geraadpleegd.
  • 12. Verschillende typen nv's en bv's
    Allereerst kennen wij het gewone regime van de nv en de bv. Onder dit regime berust het recht om bestuurders te benoemen en te ontslaan bij de algemene vergadering (art. 2:132/242 BW resp. art. 2:134/244 BW). De raad van commissarissen is bij zo'n gewone nv of bv geen verplicht orgaan.

    Wanneer een nv of een bv echter aan bepaalde grootte-criteria voldoet (een geplaatst kapitaal plus reserves van ten minste 16 miljoen; meer dan 100 werknemers; een verplicht ingestelde ondernemingsraad; zie art. 2:153/263 BW), geldt bij vervulling van een aantal nadere voorwaarden een bijzonder regime voor de organisatie van de nv en de bv. Men noemt dit regime het structuurregime. De raad van commissarissen is dan een verplicht orgaan.
    Belangrijke bevoegdheden die onder het gewone regime aan de aandeelhoudersvergadering toebehoren, zijn dan aan de raad van commissarissen toebedeeld (bv. de bevoegdheid tot het benoemen van de bestuurders: art. 2:162/272 BW). Opgemerkt moet worden dat bepaalde nv's en bv's van het structuurregime zijn vrijgesteld, ook al voldoen zij aan de groottecriteria van dit regime. Deze vrijstelling geldt onder andere voor nv's en bv's die 'afhankelijke maatschappij' zijn van een structuurvennootschap (art. 2:152/262 jo. 2:153/263 lid 2 onder a BW). Andere vennootschappen zijn slechts gedeeltelijk aan het structuurregime onderworpen (art. 2:155/265 BW en art. 2:155a/265a BW). Onder dat verzwakte structuurregime blijft de bevoegdheid tot benoeming van bestuurders in handen van de aandeelhoudersvergadering.
  • 13. Belangenpluralisme
    Het Nederlandse nv- en bv-recht kent een bijzondere karaktertrek. De Nederlandse wetgeving en rechtspraak gaan ervan uit dat een nv of bv bij haar handelen het belang van alle bij de vennootschap betrokkenen in aanmerking dient te nemen (art. 2:129/239 lid 5 BW, art. 2:140/250 lid 2 BW en ABN AMRO Holding). Tot die betrokkenen worden aandeelhouders, werknemers en schuldeisers van de vennootschap gerekend. Een Nederlandse vennootschap mag bij haar handelen dus niet uitsluitend het belang van de aandeelhouders behartigen, zij dient telkens een pluraliteit van belangen in aanmerking te nemen. Dit betekent dat het bestuur van een vennootschap bij het verlenen van medewerking aan een overname van de vennootschap door een andere vennootschap, niet alleen aandacht mag besteden aan het belang van de aandeelhouders, maar ook aan het belang van de werknemers en van andere bij de vennootschap betrokkenen. Als de aandeelhoudersvergadering besluit tot het doen van een grote winstuitkering, dient zij hierbij rekening te houden met het belang van schuldeisers bij betaling van hun vorderingen. Dit kenmerk maakt het nemen van besluiten soms tot een gecompliceerde aangelegenheid. Eerder is opgemerkt dat het ondernemingsrecht een facilitair karakter dient te hebben. In het idee van het belangenpluralisme komt de meer regulatieve kant van het ondernemingsrecht naar voren. 

    Gevolgen belangenpluralisme
    Er kunnen conflicten over het te volgen beleid ontstaan tussen bestuurders en aandeelhouders; deze kunnen hierop onder andere vanwege hun verschillende belangenposities een uiteenlopende kijk hebben. Ook kunnen er spanningen ontstaan tussen de aandeelhouders onderling. Ook het rekening moeten houden met belangen van werknemers en schuldeisers kan conflicten opleveren met het aandeelhoudersbelang.
  • Hoofdstuk 3
    3 Enige balans- en kapitaalbegrippen

    De balans geeft een beeld van de vermogenspositie van een onderneming, art. 2:361 lid 1 BW en art. 2:364 BW. De balans geeft voornamelijk inzicht in de vermogenspositie van een bv of nv op de dag van het boekjaar. Op de balans staan de bezittingen van de onderneming (debetzijde) en de wijze waarop de onderneming deze bezittingen heeft gefinancierd (creditzijde). Vanwege deze notatiemethode moet de balans altijd in evenwicht zijn. De balans wordt in evenwicht gebracht door de behaalde winst of het geleden verlies. Winst en verlies vormen dus de sluitpost van de balans. Aan de debetzijde wordt een onderscheid gemaakt tussen vaste activa (activa die langer dan één productieproces meegaan zoals het gebouw of machines) en vlottende activa (activa die slecht één productieproces meegaan zoals voorraden of liquide middelen), art. 2:365-2:372 BW.

    Aan de andere kant van de balans bevindt zich de passiva- of creditzijde, art. 2:373-376 BW. Aan de creditzijde wordt bij een bv of nv vaak het grootste deel gevormd door het eigen vermogen in de vorm van het aandelenkapitaal. Hierbij bestaan verschillende kapitaalbegrippen. Ten eerste is er het maatschappelijk kapitaal. Dit is het maximale bedrag waarvoor de bv krachtens de statuten aandelen mag uitgeven, art. 2:67 lid 1 en art. 2:178 lid 1 BW. Het geplaatste kapitaal is dat gedeelte van de aandelen dat ook daadwerkelijk is geplaatst. Het gestorte kapitaal is het gedeelte van het geplaatste kapitaal dat reeds is gestort. Het niet-gestorte kapitaal kan ten slotte worden verdeeld in het opgevraagde kapitaal (dat al is opgevraagd door de bv of nv) en het niet-opgevraagde kapitaal. Op de balans wordt het gestorte kapitaal opgenomen.
  • Andere posten aan de creditzijde van de balans die ook tot het eigen vermogen behoren kunnen ingevolge art. 2:373 BW zijn: agio, wettelijke reserves, statutaire reserves, winst of verlies.

    Naast eigen vermogen kan er ook nog vreemd vermogen op de creditzijde van de balans van de onderneming staan vermeld. Dit vreemde vermogen omvat de schulden bij derden, art. 2:375 BW. De schulden kunnen hoger zijn dan het balanstotaal. In dat geval is het eigen vermogen negatief zodat een faillissement nabij is. Een ander onderdeel dat ook aan de passivazijde is opgenomen zijn de voorzieningen, art. 2:374 BW.
  • 4 Extra verplichtingen van een aandeelhouder
    Het uitgangspunt is dat een aandeelhouder tot niet meer gehouden is dan volstorting van zijn aandelen. Hierbij geldt dat hij slechts aansprakelijk is tot het bedrag dat op zijn aandeel behoort te worden gestort, art. 2:64/175 BW. Ook is een aandeelhouder niet aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap is verricht. Art. 2:81 en 2:192 BW herhalen dit uitgangspunt voor de nv en de bv in verschillende bewoordingen, dat aan een aandeelhouder tegen zijn wil geen extra verplichtingen, boven de storting tot het nominale bedrag van het aandeel, kunnen worden opgelegd. Wel kunnen met instemming van de aandeelhouder extra verplichtingen aan hem worden opgelegd. Het uitgangspunt van art. 2:64/175 BW is dus niet absoluut.

    Ingevolge art. 2:192 lid 1 onder a BW kunnen de statuten bepalen dat aan een aandeelhouder van een bv nog verplichtingen opgelegd kunnen worden van verbintenisrechtelijke aard, maar deze verplichtingen kunnen niet tegen de wil van de aandeelhouder worden opgelegd. Voor de nv geldt hetzelfde krachtens art. 2:64 lid 1 jo. 2:81 BW.
  • 5 Kapitaal- en vermogensbescherming in de nv en de bv
    Voor de bv gelden sinds 2012 bijna geen kapitaal- of vermogensbeschermingsregels meer. Toch gelden veel van deze regels nog wel middels de statuten, omdat de statuten van bv's vaak nog niet zijn aangepast aan de nieuwe soepelere regels. De eigenaren van een bv zijn ook vrij om de oude regels via de statuten in stand te houden en mogen uiteraard zelf weten of ze dit strengere regime willen toepassen.

    Voor de nv gelden er nog wel regels voor kapitaal- en vermogensbescherming. Deze regels zijn gebaseerd op een EEG-richtlijn, wat betekent dat het kapitaalbeschermingsrecht in Europa is geharmoniseerd. Het doel van de EEG, inmiddels de EU, was om de economische activiteit binnen de gehele EU te bevorderen. Zo is de interne markt ontstaan. Er bestaan geen belemmeringen meer voor het vrije verkeer van personen. Om de vrijheden te waarborgen kan de EU richtlijnen vaststellen. De eerste richtlijn is opgevolgd door een tweede die alleen geldt voor nv's.

    De regels betreffende kapitaal- en vermogensbescherming zijn bedacht om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders voldoende kapitaal en vermogen bijeenbrengen en dat zij dit kapitaal en vermogen ook bijeenhouden. Omdat aandeelhouders zorgen dat de nv vermogensrealiteit heeft, worden schuldeisers beschermd. Van kapitaalbescherming is sprake voor zover de regels gaan over het bijeenbrengen en bijeenhouden van het kapitaal van de onderneming. Van vermogensbescherming is sprake als het gaat om kapitaalbescherming plus de regels die zien op het bijeenbrengen en bijeenhouden van de overige posten die vallen onder het eigen vermogen zoals bepaalde reserves. Het onderscheid is tegenwoordig niet echt meer relevant.
  • Bijeenbrengen vermogen
    De regels die ziet op het bijeenbrengen van het eigen vermogen is die van het minimumkapitaal. Bij de nv moet het maatschappelijke kapitaal, het geplaatste kapitaal en het gestorte deel daarvan ten minste 45.000 euro bedragen, art. 2:67 lid 2 en 3 BW. Bij de akte van oprichting moet hiervoor ook een bankverklaring zijn overlegd (art. 2:93a BW) waaruit blijkt dat voldaan is aan deze stortingsplicht. Zonder bankverklaring kan de nv worden ontbonden krachtens art. 2:21 lid 1 onder a BW. Andere regels die ook zien op het bijeenbrengen van het eigen vermogen, betreffen vooral technische regels, zie hiervoor art. 2:94 a-c BW.

    Bijeenhouden vermogen
    Om ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte vermogen niet direct weer wordt uitgekeerd, zijn er ook regels die zien op het bijeenhouden van het bijeengebrachte vermogen. Dit is van belang voor schuldeisers aangezien zij op deze manier verhaalsmogelijkheden hebben.
  • Gouden regel bij nv
    De gouden regel speelt een belangrijke rol, art. 2:105 lid 2 BW en art. 2:98 lid 2 BW. Deze regel houdt in dat een nv slechts uitkeringen mag doen aan de aandeelhouders, indien die uitkeringen gedaan kunnen worden ten late van de vrije reserve in de balans. Een uitkering kan dus in geen geval gedaan worden als zij ten koste gaat van het gebonden vermogen. Het gebonden vermogen is het geplaatste kapitaal tezamen met de wettelijke en statutaire reserves. Ook deze regels beschermen schuldeisers. Er is sprake van een kapitaalklem, omdat bepaald kapitaal niet mag worden uitgekeerd.

    Winstuitkering bij nv
    Een andere regel betreffende de vermogensbescherming is te vinden in art. 2:105 lid 2 BW. Het gaat in deze bepaling over de uitkering van winst door een nv aan de aandeelhouders. De uitkering wordt dividend genoemd. Dividend mag slechts worden uitgekeerd voor zover het bedrag van het eigen vermogen groter is dan het bedrag van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal plus de reserves die moeten worden aangehouden (de wettelijke en statutaire reserves). De uitkering kan dus slechts gedaan worden ten laste van de vrije reserves in de balans. Hiervoor kan de winst- en verliesrekening worden geraadpleegd, art. 2:361 lid 2 BW. Dividend kan ook worden uitgekeerd uit winst welke in een eerder jaar is behaald of door het agio te raadplegen. De agio is immers een vrije reserve.
  • Inkoop van eigen aandelen
    Nog een vermogensbeschermingsregel is te vinden in art. 2:98 lid 2 BW. Een nv kan slechts onder bepaalde voorwaarden aandelen in haar eigen kapitaal kopen van de aandeelhouders. De gouden regel moet hierbij in acht worden genomen. De inkoop van eigen aandelen is dus slechts toegestaan voor zover het bedrag van het eigen vermogen verminderd met de verkrijgingsprijs van de aandelen niet kleiner is dat het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, vermeerderd met de reserves die ingevolge de wet of de statuten worden aangehouden.

    De inkoop moet dus gefinancierd kunnen worden middels de vrije reserves in de balans, omdat de inkoop van eigen aandelen ook een verkapte manier kan zijn om vermogen van de onderneming uit te keren aan aandeelhouders. Met de koop van eigen aandelen vloeit immers geld naar de aandeelhouders, alleen niet in de vorm van dividend. Schuldeisers kunnen zich niet verhalen op het vermogen als de aandeelhouders dit middels deze weg verkrijgen.

    Wanneer een nv of bv de eigen aandelen inkoopt dan blijven de aandelen wel bestaan, al is er wel sprake van een rare situatie. De onderneming heeft dan een aandeel in zichzelf. Ook leidt de inkoop niet tot vermindering van het kapitaal. Er worden vaak nadere regels in de statuten opgenomen voor inkoop van eigenaandelen. Bij een nv moet de algemene vergadering het bestuur hebben gemachtigd voor de inkoop. Verder zijn de artt. 2:98 en 2:207 BW en art. 2:98a en 2:207a BW van belang.
  • Kapitaalvermindering
    Kapitaalvermindering, art. 2:99 BW, kan plaatsvinden door aandelen in te trekken of door het nominale bedrag van de aandelen te verlagen. Eventueel vindt hierbij uitkering aan de aandeelhouders plaats als tegenprestatie. De gouden regel is hierop ook van toepassing.

    Regels van kapitaal- en vermogensbescherming voor de bv

    De oude regeling betreffende de kapitaal- en vermogensbeschemring voor bv's was ingewikkeld en de bescherming van schuldeisers was twijfelachtig. Ook golden de regels voor alle bv's ongeacht de activiteiten of de aard van de bv. Dit oude stelsel vormde ook een belemmering voor startende ondernemers. Vanaf 1 oktober 2012 is het minimumkapitaal voor de bv komen te vervallen. Tevens hoeft de bv geen maatschappelijk kapitaal in de statuten op te nemen. De bankverklaring is niet meer nodig nu er geen verplicht minimumkapitaal mee aanwezig hoeft te zijn. De gouden regel was eerst ook van toepassing op bv's, maar is nu vervangen door een nieuwe wettelijke regeling die bestaat uit een balanstest en een uitkeringstest, art. 2:216 BW. Aan beide onderdelen moet zijn voldaan. Ingevolge dit artikel kan winst alleen worden uitgekeerd als het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. Dit is de balanstest. Als er echter geen statutaire of wettelijke reserves hoeven te worden aangehouden vervalt deze test. Het tweede deel van het criterium is de uitkeringstest, genoemd in lid 2. Dit houdt in dat het bestuur goedkeuring moet hebben verleend voor de uitkering. Het bestuur zal geen goedkeuring verlenen als het weet of redelijkerwijs kan voorzien dat de vennootschap na de uitkering haar schulden niet meer kan betalen. De onderneming moet dus liquide en solvabel genoeg zijn. Voor uitkeringen die gedaan zijn in strijd met art. 2:216 BW zijn de bestuurders ingevolge lid 3 hoofdelijk aansprakelijk.
  • Voor de inkoop van eigen aandelen geldt voor de bv art. 2:207 lid 2 BW. De bv mag geen eigen aandelen inkopen als het eigen vermogen min de verkrijgingsprijs van de eigen aandelen kleiner is dan de wettelijke of statutaire reserves. Ook mogen geen eigen aandelen worden ingekocht als het bestuur behoort te voorzien dat de vennootschap na de verkrijging van de eigen aandelen de schulden van schuldeisers niet meer kan terugbetalen. Ook hier kunnen de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden.

    Regels omtrent kapitaalvermindering zijn opgenomen in art. 2:208 BW. Aandelen kunnen worden ingetrokken of het nominale bedrag van de aandelen kan worden verminderd.
  • 6 Vereniging, coöperatie en stichting
    De leden van een vereniging kunnen worden gedwongen om contributie te betalen ingevolge art. 2:34a BW, maar zij nemen geen aandeel in de vereniging. De verbintenissen die aan de leden kunnen worden opgelegd moeten zijn neergelegd in de statuten. Bij het verenigingsrecht moet worden gelet op art. 2:46 BW. Dit artikel geeft aan dat de vereniging bevoegd is om verplichtingen aan te gaan ten laste van haar leden, voor zover dit in de statuten uitdrukkelijk is bepaald.

    De coöperatie verkrijgt haar vermogen uit het profijtelijk drijven van haar onderneming. De winst die de coöperatie behaalt, kan worden uitgekeerd of worden gereserveerd. Als de statuten niets bepalen over het orgaan dat over het uitkeren van de winst beslist, dan is dit een bevoegdheid die aan de ledenvergadering toekomt, art. 2:40 jo. art. 2:53a BW.

    Een stichting hoeft bij de oprichting niet direct een vermogen te hebben. Het is voldoende wanneer er een toekomstig of tegenwoordig vermogen wordt aangewezen dat uiteindelijk zal worden gebruikt om het doel van de stichting te verwezenlijken, art. 2:285 BW. Wanneer een stichting totaal geen uitzicht heeft op eenvermogen zal de stichting worden ontbonden door de rechter, art. 2:301 BW.
  • M.J. Kroeze, Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands burgerlijk recht

    140 Privaatrechtelijke rechtspersonen van Europese origine
    Naast de rechtspersonen van Boek 2 BW kent de Nederlandse rechtsorde ook privaatrechtelijke rechtspersonen van Europese origine. Het gaat om: de Europese vennootschap (ook wel Societas Europaea en hierna: SE), de Europese coöperatieve vennootschap (ook wel Societas Cooperativa Europaea en hierna: SCE) en het Europees economisch samenwerkingsverband (EESV). Als deze rechtspersonen hun zetel in Nederland hebben, zijn zij privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht.

    De privaatrechtelijke rechtspersonen van Europese afkomst zijn bij verordening in ons recht geïntroduceerd krachtens art. 352 VWEU. De Europese rechtspersonen bieden ruimere mogelijkheden voor grensoverschrijdende fusie en zetelverplaatsing dan nationale rechtspersonen.
  • 142 Vereniging
    Een vereniging is een samenwerkingsverband van leden met een bepaald doel (art. 2:26 lid 1 BW). Boek 2 BW bepaalt dat een vereniging een rechtspersoon is. De vereniging mag geen winst onder haar leden verdelen. Een vereniging moet bij notariële akte zijn opgericht en de statuten moeten overeenkomstig ar. 2:28 BW in een notariële akte zijn opgenomen. Informele samenwerkingsverbanden zijn naar hun aard geen vereniging.

    143 Afbakening vereniging en personenvennootschap
    Een moeilijkheid is de afbakening van vereniging en personenvennootschap wanneer wordt aanvaard dat de vereniging gericht mag zijn op het dienen van materiële belangen van haar leden. Meijers is van mening dat de grens bepaald kan worden aan de hand van het criterium van de vrijheid van toe- en uittreding van haar leden: zowel bij personenvennootschappen als bij verenigingen kunnen leden toe- en uittreden, bij personenvennootschappen brengt dat echter een structurele wijziging teweeg, en bij een vereniging niet. Deze visie wordt niet door iedereen gedeeld.
  • 144 Wijze van afbakening
    De auteur pleit voor de volgende afbakeningsmethode: 'een formele vereniging die de kenmerken van een personenvennootschap heeft, is rechtens een vereniging en niet een personenvennootschap. Een organisatie die niet een formele vereniging is, en niet een coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij, NV, BV, SE, SCE of EESV is, is een personenvennootschap, indien zij voldoet aan de kenmerken van de personenvennootschap. Dit geldt ook, indien de organisatie zich aan het maatschappelijke verkeer aandient als informele vereniging.'

    146 Vereniging van eigenaars
    De vereniging van eigenaren is een apart type vereniging en is geregeld in art. 5:124 e.v. BW. De regeling is niet opgenomen in Boek 2 BW, omdat zij nauw samenhangt met de splitsing van gebouwen in appartementen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.