Summary Wegwijs in de vennootschapsbelasting

-
ISBN-10 9012400066 ISBN-13 9789012400060
317 Flashcards & Notes
2 Students
  • These summaries

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary 1:

  • Wegwijs in de vennootschapsbelasting
  • Jan Nicolaas Bouwman Martin Jos Boer
  • 9789012400060 or 9012400066
  • 2017

Summary - Wegwijs in de vennootschapsbelasting

  • 1.1 Inleiding

  • Wat is het klassieke stelsel dat Nederland gebruikt om Vennootschapsbelasting te berekenen?
    Het uitgangspunt is dat er een scheiding bestaat tussen het lichaam dat winst behaalt enerzijds en de aandeelhouders die een winstuitdeling van het lichaam ontvangen anderzijds. 

    Het lichaam wordt voor zijn gehele winst belast, dus ook voor het deel dat wordt uitgedeeld aan de aandeelhouders. 
  • Hoe wordt de heffing over zowel VPB als IB in het klassieke stelsel genoemd?
    Heffing van zowel VPB als IB wordt economische heffing of dubbele druk genoemd.
  • Wat is de rechtsgrond voor heffing van de VPB?
    1. De zelfstandigheid van de vennootschap: Wat een natuurlijk persoon is voor de IB is een lichaam voor de VPB.
    2. Het tegengaan van winstoppotting door aandeelhouders: voorschot op de IB. 
    3. Beginsel van bevoorrechte verkrijging: vennootschapsbelasting als rentebelasting. 
  • 1.2 Andere stelsels

  • Welke andere stelsels kunnen er gebruikt worden voor de berekening van de VPB?
    1. Verrekeningsstelsel
      1. IB-verrekeningsstelsel
      2. VPB-verrekeningsstelsel
    2. Alternatieve stelsels
      1. Gedifferentieerd tarief
      2. aftrek van dividend
  • Wat houdt het IB-verrekeningsstelsel in?
    Bij het IB-verrekeningsstelsel is de aandeelhouder minder IB verschuldigd, omdat het lichaam reeds VPB heeft betaald. De vermindering van de IB wordt uitgedrukt in een percentage van het door de aandeelhouder ontvangen dividend.
  • Wat houdt het VPB-verrekeningsstelsel in?
    De VPB die door een lichaam is betaald over zijn winst wordt geheel of gedeeltelijk verrekend met de IB die door een aandeelhouder/ natuurlijk persoon is verschuldigd over het door hem uit de winst van het lichaam ontvangen dividend. 
    Volledige verrekening: voorheffing
  • 1.3 Europa

  • Op welke 2 manieren oefent Europa invloed uit op de Nederlandse VPB?
    1. Positieve intergratie: harmonisatie. Voorschriften.
    2. Negatieve intergratie: discriminatie en belemmering. Regelgeving. 
  • 2.1.1 Belastingplicht

  • Wie zijn belastingplichtig voor de Nederlandse Vennootschapsbelasting?
    De in Nederland gevestigde lichamen, de binnenlands belastingplichtige, zijn voor hun winst, waar ook ter wereld genoten, belast.
    Van niet in Nederland gevestigde lichamen wordt slechts VPB geheven indien die lichamen Nederlands inkomen genieten, buitenlands belastingplichtige. 
  • 2.1.2 Lichamen

  • Wat wordt er bedoeld met het begrip 'lichaam'?
    MvT bij art. 1 Wet VPB: lichamen dient als verzamelbegrip voor alle belastingplichtige van de vennootschapsbelasting.
  • 2.1.3 Nederland

  • Wat valt onder het begrip Nederland op grond van de Vennootschapsbelasting?
    Art. 2 lid 3 sub d onder 3 AWR: het in Europa gelegen deel van Nederland, dus niet de BES-eilanden.
  • 2.1.4 De vestigingsplaats van lichamen

  • Wat wordt in art. 4 AWR bepaalt over de vestiging van een lichaam volgens de VPB?
    De vestigingsplaats van een lichaam moet worden beoordeeld naar de omstandigheden. Als doorslaggevende omstandigheid geldt de plaats waar een lichaam zijn feitelijke leiding heeft.
  • Wat wordt bedoelt met de feitelijke leiding van een lichaam?
    De leiding van een lichaam is gevestigd waar het bestuur van het lichaam zetelt. Als er sprake is van dagelijkse leiding en hoofdleiding, dan is de hoofdleiding beslissend.
  • Wat wordt in art. 2 lid 4 Wet VPB beslist met betrekking tot de vestigingsplaats van een lichaam?
    Voor het geval de oprichting van een lichaam naar Nederlands recht heeft plaatsgehad, bepaalt art. 2 lid 4 dat het lichaam voor de toepassing van de meeste bepalingen steeds geacht wordt in Nederland gevestigd te zijn.
  • Wat zijn de gevolgen van een dubbele vestigingsplaats?
    De vestigingsplaats fictie (Art. 2 lid 4 VPB) kan internationaal een 'dubbele woonplaats' tot gevolg hebben. Hiervoor is het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting opgesteld.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 2:

  • Wegwijs in de vennootschapsbelasting
  • bouwman
  • or
  • 10

Summary - Wegwijs in de vennootschapsbelasting

  • 1 De vennootschapsbelasitng in nederland en Europa

  • bv wordt opgericht om overtollig vermogen te beheren, inleg 2 mln: 1 mln wordt een 5  % belang handelsonderneming genomen. voor 250.000 wordt een deelneming in een start up genomen van 40 % van het aandelenkapitaal.
    750. 000 euro wordt uitgeleend aan de start up.  de start up koopt hier een ander bedrijf mee
    1. bv is belastingplichtig voor vpb
    Is deelnemingsvrijstelling van toepassing voor beide belangen:
    1. beiden houden zich niet bezig met beleggen
    2. beiden zijn een soort lichaam dat onder dln vrijstelling valt
    3. betaald dividend valt dus
    Is deelnemingsvrijstelling van toepassing voor beide belangen:
    1. beiden houden zich niet bezig met beleggen
    2. beiden zijn een soort lichaam dat onder dln vrijstelling valt
    3. betaald dividend valt dus onder dln vrijstelling
    4. winsttoename valt ook onder dln vrijstelling

    de lening:

    1. het is een zakelijke lening, dus geen herkwalificatie
    2. 10a?
    3. geld wordt geleend aan verbonden onderneming
    4. geld wordt gebruikt voor het kopen van aandelen in een ander bedrijf.(besmette handeling)
    5. 10a lijkt van toepassing.
    6. tegenbewijs?
  • 2.1 inleiding

  • f
    d
  • 2.2 overzicht

  • wat
    dat
  • wat
    dat
  • 2.3.2.3 open comm vennootschp

  • privaatrechtelijk:
    1. geen rechtspersoonlijkheid
    2. geen onderscheid open en niet open, wel onderscheid tussen openbare comm. vennoot en de stille
    3. comm vennoten kunnen alleen hun inleg verliezen

    Fiscale opmerkingen:

    1. open cv is door de gelijkenis met de nv in de vpb betrokken.
    2. gesloten comm, vennootschap dus niet

    Waarom is open comm. vennootschap belastingplichting?

    1. als samenwerking gebaseerd is op individueel functioneren: ib
    2. als samenwerking ee zekere zelfstandigheid heeft,
    3. bijv als participanten vervangbaar zijn,
    4. is de zelfstandigheid zo groot, dan kan de winst niet meer aan hen worden toegerekend
    5. dus het ontbreken van een persoonlijk element in de samenwerking
    6. maar slechts aan de vennootschap zelf
    7. als over deze winst geen belasting wordt geheven dan zouden er belastingoases ontstaan

    Definitie van een open comm. vennootschap(23c AWR):

    1. geen toestemming  vereist is
    2. van alle beherend of comm.vennoten
    3. om te te treden als comm. vennoot
    4. erven en legaten vormen hierop een uitzondering

    Onduidelijkheid wie toestemmin moet geven? Wanneer op en wanneer gesloten

    1. open als: niet alle vennoten toestemming moeten geven voor toetreding of vervanging
    2. pas open als niet toestemming hoeft te geven tot toetreding als comm vennoot

    besluit V-N : pas een open comm, vennootschap als niet als alle vennoten akk geven

    besloten vennootschap: alleen aanwezig als alle vennoten akk, geven (weliswaar passief)



  • 2.3.2.4 andere vennootschappen

    1. restcategorie ander vennootschappen
    2. met een in aandelen verdeeld kapitaal
    3. die economisch en maatschappelijk grote geijkenis vertonen met nv en bv

    1. burgelijke maatschap op aandelen(bel.plichting als voor vervreemding van aandelen niet akk van alle vennoten is verreist
    2. naar vreemd recht opgerichte lichamen met een rechtsstructuur die overeenkomt met een naar nederlands recht op te richten nv, bv. of open cv
    3. zie int. boek voor critera transparante lichamen
  • 3.2.1 verwijzing wet ib 2001

  • Schakelbepaling ART 8 VPB zorgt ervoor dat:
    het totaal winst begrip van toepassing is art 3.8 Wet IB 2001

    aftrekbare rente : art 3.8 IB / art 8
    niet aftrekbaarheid divident:  het totaal winstbegrip 3.8 en het wordt daarnaast uitdrukkelijk vermeld in 10.a en 10 c
  • 3.3.4 kapitaal versus geldlening

  • Hoe moet de geldverstrekking worden geduid?
    1. Civielrechtelijke vorm is in eerste instantie leidend

    • als de geldverstrekking civ. rechtelijk als lening wordt aangeduid, gebeurt dit ook fiscaal.
    • Maar is de lening wel zakelijk

    2. De lening moet worden geherkwalificeerd in de volgende gevallen:
    • schijnlening
    • deelnemerschapslening/hybride lening
    • bodemloze put lening

    Geen herkwalificatie naar eigen vermogen

    • de onzakelijke lening

    andere leningen

    • een concernlening met onzakelijke vergoeding)
    • back to back lening


  • 3.3.4.1 rekwalificatie

  • verschil tussen bodemloze put en deelnemerschaps lening
    bodemloze :geen verankening wet en vereiste is dat het geld niet wordt terugverwacht, deelnemlenig heet het vereiste van winstafhankelijk, achtergestelde lening en niet opeisbaar voordat het faillissement .
  • waarom is een bodemloze put lening interessant
    onder deelnemersvrijstelling zijn verliezen niet aftrekbaar, leningen wel. als het als lening wordt gekwali is het aftrekbaar.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Summary 3:

  • Wegwijs in de vennootschapsbelasting
  • J N Bouwman
  • 9789012386661 or 9012386667
  • 12e dr., bijgew. tot en met 13 mei 2011.

Summary - Wegwijs in de vennootschapsbelasting

  • 1 De vennootschapsbelasting in Nederland en Europa

  • Hoewel de rol van de harmonisatie op het gebied van de directe belastingen (waartoe ook de VPB behoort) beperkt is, zijn op grond van (thans) art. 115 VWEU een drietal richtlijnen vastgesteld die van belang zijn voor ondermeer de Wet VPB 1969. Het betreft de Moeder-dochterrichtlijn, de Fusierichtlijn en de Interest- en royaltyrichtlijn.
  • Ondanks het feit dat de Europese lidstaten nog in hoge mate autonoom zijn op het gebied van de directe belastingen, dient de nationale wetgeving van de lidstaten – waaronder die op het terrein van de directe belastingen – in overeenstemming te zijn met het VWEU. Dit geldt in het bijzonder voor de bepalingen uit het verdrag die zien op het vrije verkeer van personen en kapitaal (EU-verdragsvrijheden).
  • Niet alle rechtspraak die door het Hof van Justitie is gewezen, ziet op de toepassing van de verdragsvrijheden. Het Hof heeft ook zaken beslist waarin aan de orde was of de nationale wetgever (van een lidstaat) een door de Europese Raad van Ministers vastgestelde richtlijn juist had ingevoerd in zijn eigen wetgeving.
  • De zaak Leur-Bloem
    Deze procedure handelde in essentie over de manier waarop de NL'se wetgever de bepalingen van de Fusierichtlijn had geïmplementeerd in de IB en VPB.

    Het HvJ kwam tot de conclusie dat de NL'se wetgeving op onderdelen in strijd was met de Fusierichtlijn.

    HvJ 17 juli 1997, C-28/95, BNB 1998/32
  • Het Bosal-arrest
    In deze procedure stond de regel ter discussie die een moedervennootschap aftrek van kosten gemaakt in verband met een buitenlandse dochter verbood, terwijl de moeder kosten gemaakt in verband met een Nederlandse dochter wel in aftrek mocht brengen.

    HvJ oordeelde dat dit in strijd was met de vrijheid van vestiging.

    HvJ 18 september 2003, C-168-01, NTFR 2003/1594, BNB 2003/344
  • De zaak X-holding
    In deze zaak was aan de orde of de Nederlandse wetgever een fiscale eenheid tussen een Nederlandse moedervennootschap en haar verlieslijdende in België gevestigde dochtervennootschap moest toestaan.

    HvJ oordeelde dat NL dit mag verbieden. Art. 15 bleek daarmee op dit onderdeel niet in strijd met het Europees recht.

    HvJ 25 februari 2010, C-337/08, NTFR 2010/541

  • Het geheel van regels dat tezamen de VPB in Nederland vormt, wordt voornamelijk gevonden in de volgende bronnen:

    Wet VPB 1969;

    Wet IB 2001 (voor binnenlandse belastingplichtigen: met name de bepalingen geldend voor winst uit onderneming (zie: art. 8, lid 1, Wet VPB 1969); voor buitenlandse belastingplichtigen bovendien de regels rond de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang);

    Uitv.besl. VPB 1971;

    Vrijstellingsbesluit VPB;

    Besluit fiscale eenheid 2003;

    Besluit beleggingsinstellingen;

    Besluit winstbepaling en reserves verzekeraars;

    Uitv.besch. VPB 1971;

    Standaardvoorwaarden en toelichting bij art. 14, 14a, 14b, 14c, 28a Wet VPB 1969
    ;

    AWR;

    Europees recht.
  • 2.1 Deel A / Algemene aspecten van de subjectieve belastingplicht

  • In NL gevestigde lichamen zijn belast voor hun wereldwinst (binnenlands BP).
  • Buitenlands BP zijn alleen belast voor hun in NL behaalde winst.
  • Nationaliteitsbeginsel (art. 2, lid 4)
    Naar NL's recht opgerichte lichamen worden geacht in NL gevestigd te zijn voor een groot aantal artikelen in de VPB.
  • Het Situs- of bronbeginsel vormt de grondslag om niet in NL gevestigde, naar vreemd recht opgerichte, lichamen voor voordelen uit NL'se bronnen te belasten.
  • Het begrip 'lichaam' is door de wetgever niet gedefinieerd. Het begrip lichaam voor de wet VPB is anders dan het begrip lichaam in art. 2, lid 1, AWR.
  • Voor de heffing van VPB over winsten behaald door een buitenlandse rechtspersoon moet er sprake zijn van een niet-transpart lichaam. In besluit van SS zijn er 4 criteria om te bepalen of een lichaam transparant is of niet.

    1. Kan het samenwerkingsverband de juridische eigendom hebben van de vermogensbestanddelen waarmee het zijn activiteiten uitoefent?
    2. Zijn alle participanten beperkt aansprakelijk voor de schulden en de andere verplichtingen van het samenwerkingsverband?
    3. Heeft het samenwerkingsverband een in aandelen verdeeld kapitaal in civielrechtelijke zin, dan wel kan het kapitaal in maatschappelijke zin gelijkgesteld worden met een in aandelen verdeeld kapitaal?
    4. Kan er, buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of vervanging van participanten plaatsvinden zonder dat toestemming nodig is van alle participanten?
    Drie van de 4 vragen ja? dan is sprake van een niet-transparante vennootschap (kapitaalvennootschap) en vindt er dus heffing van NL'se VPB plaats.
  • Ook is sprake van een niet-transparante vennootschap:
    • Als de participanten slechts aansprakelijk zijn tot hun inleg dan wel volstortingsverplichting
    • Als de onderneming van het samenwerkingsverband eigendom is van het samenwerkingsverband
    • Als de onderneming ook overigens niet voor rekening en risico van de participanten wordt gedreven.
  • Is het geen kapitaalvennootschap dan is het volgens het besluit een personenvennootschap.
  • Volgens de definitie van 'Nederland' in de AWR zijn de BES-eilanden voor de heffing van de VPB geen onderdeel van NL.
  • BES-eilanden
    Bonaire, Sint Eustatius en Saba (deze landen hebben hun eigen fiscaal systeem)
  • Art. 4, lid 1 AWR: vestigingsplaats moet naar de omstandigheden worden beoordeeld.

    Doorslaggevende omstandigheid: daar waar de feitelijke leiding gezeteld is:
    - Waar neemt het bestuur feitelijke de beslissingen.
    - Tenzij alle voorbereidingen en uitvoering elders plaatsvindt.
  • De leiding kan vaak worden onderscheiden in een hoofdleiding en een dagelijkse leiding. De hoofdleiding is doorslaggevend voor de vestigingsplaats.
  • Art. 2, lid 4, Wet VPB 1969: een naar NL's recht opgerichte vennootschap wordt voor de meeste artikelen in de VPB geacht in NL gevestigd te zijn. Voor de deelnemingsvrijstelling en deelnemingsverrekening, de juridische fusie en splitsing en de fiscale eenheid geldt art. 2-4 niet.
  • De anti-ontgaansbepaling van art. 2-4 kan leiden tot een dubbele vestigingsplaats. Oplossing hiervoor zijn de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing.
  • Art. 2, lid 3, Wet VPB 1969 bepaald dat op BES-eilanden gevestigde lichamen in NL gevestigd zijn als zij voor de toepassing van de op de BES-eilanden geheven opbrengstbelasting niet als op de BES-eilanden gevestigd worden aangemerkt.

    In art. 1, lid 6, Wet DB geldt een vergelijkbare regeling voor de dividendbelasting.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Op welke verrekening heeft de dochter na ontvoeging recht, art. 15af lid 1?
Vanaf het ontvoegingstijdstip heeft de weer zelfstandig in de heffing van de VPB betrokken dochtermaatschappij aanspraak op de verrekening van:
  • Voorvoegingsverliezen; en
  • Verliezen van de fiscale eenheid voor zover zij aan de dochter zijn toe te rekenen.
Wat is het voegingstijdstip van de fiscale eenheid?
Het voegingstijdstip is het tijdstip met ingang waarvan een belastingplichtige onderdeel wordt van een fiscale eenheid, art. 15aa Wet VPB.
Voor het begin van een fiscale eenheid moet een verzoek worden ingediend, art. 15 lid 9 Wet VPB.
Belastingplichtige kunnen een voegingstijdstip kiezen dat maximaal 3 maanden voor het moment van indiening van het verzoek om fiscale eenheid ligt.
Wat zijn de regels m.b.t. Blokkering van terugwenteling?
In art. 20a lid 9 Wet VPB is opgenomen dat terugwenteling van een verlies niet mogelijk is indien het uiteindelijke belang in het lichaam dat het verlies poogt terug te wentelen in belangrijke mate is gewijzigd. 
Art. 20a lid 9 Wet VPB is bij een belangenwijziging van meer dan 30% niet onverkort van toepassing. Indien aan de in sub a en b opgenomen voorwaarde is voldaan, kan toch terugwenteling plaats vinden:
  • Sub a: werkzaamheden van het lichaam tussen het voorafgaande winstjaar en het jaar waarin het verlies is geleden niet zijn gestaakt of nagenoeg geheel zijn gestaakt.
  • Sub b: terugwenteling van een verlies is alleen mogelijk indien dit verlies stamt uit een jaar waarin de bezittingen van het lichaam gedurende ten minste 9 maanden niet voor meer dan 50% uit beleggingen bestaan, terwijl verrekening van een dergelijk verlies in het jaar voor het jaar evenmin gedurende ten minste negen maanden net voor meer dan 50% uit beleggingen bestaan.
Wanneer blijft blokkering van de vooruitwenteling van verliezen op grond van art. 20a lid 1 Wet VPB buiten toepassing op grond van art. 20a lid 4 t/m 7 Wet VPB?
  • Het verlies is geleden in een jaar waarin de bezittingen van de belastingplichtige gedurende ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden; mits
  • Direct voorafgaande aan de belangenwijziging de gezamenlijke omvang van de werkzaamheden van het verlieslichaam niet tot minder dan 30% is afgenomen in vergelijking met de omvang van de werkzaamheden bij het begin van het oudste jaar waarvan nog een verlies moet worden verrekend; en
  • Bij deze belangenwijziging ook niet het voornemen bestaat om de gezamenlijke omvang van de werkzaamheden binnen 3 jaren alsnog te laten afnemen tot minder dan 30% van de werkzaamheden bij het begin van he oudste jaar waarvan nog een verlies moet worden verrekend.
Welke uitzondering op art. 20a lid 1 Wet VPB staat in art. 20a lid 3 Wet VPB?
Lid 1 is niet van toepassing zolang het lichaam niet op de hoogte is of had kunnen zijn van het feit dat het belang bij het lichaam in belangrijke mate is gewijzigd. Raakt het lichaam achteraf wel bekend met het feit dat zich een belangenwijziging heeft voorgedaan die voldoet aan het criterium van in belangrijke mate, dan treedt lid 1 vanaf dat moment alsnog in werking.
Welke uitzonderingen op art. 20a lid 1 Wet VPB staan in art. 20a lid 2 Wet VPB?
In art. 20a lid 2 Wet VPB is vastgesteld dat een wijziging van het uiteindelijk belang in 2 gevallen buiten beschouwing blijft:
  • Wijziging in het uiteindelijk belang die voortvloeit ui een overgang krachten erfrecht of huwelijksvermogensrecht (sub a);
  • Wijziging die voortvloeit uit een uitbreiding van het uiteindelijk belang van een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die in het oudste verliesjaar al een belang van 1/3 of meer had in een verlieslichaam (sub b).
Wie moet het bewijs leveren voor een belangenwijziging?
De inspecteur.
Hoe wordt verliesverrekening toegepast in het jaar van belangenwijziging?
In het jaar van belangenwijziging wordt de winst na aftrek van giften voor de periode voor en na de belangenwijziging afzonderlijk berekend:
  1. Indien deze berekening leidt tot een negatief resultaat voor de periode voor de belangenwijziging wordt dit resultaat toegerekend aan het laatst voorafgaande jaar behalve als in dat jaa geen sprake is van belastingplicht. Dan wordt het negatieve resultaat voor de belangenwijziging genegeerd. 
  2. Indien deze berekening leidt tot een negatief resultaat voor de periode na belangenwijziging wordt dit resultaat toegerekend aan het jaar volgend op dat van de belangenwijziging tenzij de belastingplicht is geëindigd bij het einde van het jaar van de belangenwijziging. Dan wordt het negatieve resultaat na de belangenwijziging genegeerd. 
Wat gebeurt er met de verliezen indien er een beperking is op grond van art. 20a Wet VPB?
Indien in een jaar komt vast te staan dat zich een belangenwijziging van 30% of meer heeft voorgedaan ten opzichte van het begin van het oudste jaar waarvan nog een verlies moet worden verrekend, wordt de vooruitwenteling van verliezen geblokkeerd met ingang van het moment van belangenwijziging. Onder dit verbood vallen de verliezen die zijn geleden in de jaren voor het moet van de belangenwijziging en het verlies dat in het jaar van de belangenwijziging zelf is geleden voor het moment van belangenwijziging.
Wat gebeurt er met de verliezen als er sprake is van terugoverdracht?
Door de terugoverdracht wordt de handel in de verliesvennootschap in feite ongedaan gemaakt, waardoor er geen aanleiding meer is om de verliesverrekening te beperken. De staatssecretaris is het hier niet mee eens. 
De staatsecretaris vond dat terugoverdracht aan de oorspronkelijke aandeelhouder niet leidt tot het herleven van de verliesverrekening. Zou dit wel zo zijn dan zou er sprake zijn van een lucratieve handel. Omdat er veel kritiek kwam op dit oordeel van de staatsecretaris is hij bereid de verliesverrekening bij een vennootschap weer te laten herleven mits:
  • De verrekening uitsluitend ten goede komt aan de oorspronkelijke aandeelhouders onder wie de herleefde verliezen zijn geleden;
  • In de prijs van de aandelen bij de terugoverdracht geen vergoeding is begrepen voor het weer herleven van de verliesverrekeningsmogelijkheden; en
  • gedurende de periode waarin de aandelen bij derden hebben berust geen latente winsten zijn ontstaan of ingebracht waarmee de verliezen kunnen worden verrekend.