Summary Werkboek Overeenkomstenrecht

-
379 Flashcards & Notes
26 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Werkboek Overeenkomstenrecht". The author(s) of the book is/are J J Ebbinga. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Werkboek Overeenkomstenrecht

  • 1 Inleiding in het overeenkomstenrecht

  • Wat zijn de leerdoelen van deel 1?
    • Het rechtsbegrip overeenkomst te kunnen definiëren;
    • Inzicht te hebben in de vereisten voor een geldige totstandkoming en inhoud van de overeenkomst;
    • Inzicht te hebben in de gronden waarop een overeenkomst nietig/vernietigbaar kan zijn en de wijzen waarop een overeenkomst kan worden vernietigd;
    • Inzicht te hebben in de gevolgen van de overeenkomst t.a.v. derden;
    • Het overeenkomstenrecht (m.n. de koopovereenkomst) in casusposities te kunnen toepassen.
  • Wat is een rechtshandeling?
    Een rechtshandeling is een handeling met beoogd rechtsgevolg. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW).
  • Wat zijn de leerdoelen van deel 2?
    • Inzicht te hebben in het ontstaan en de kenmerken van de verbintenis;
    • Inzicht te hebben in de wijzen waarop een verbintenis kan worden nagekomen;
    • Inzicht te hebben in de gevolgen van niet-nakoming van een verbintenis (schadevergoeding en ontbinding);
    • Inzicht te hebben in de verbintenisrechtelijke gevolgen van de overgang van schulden en vorderingen en de wijzen waarop een verbintenis tenietgaat. 
  • Wat is een overeenkomst?
    Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling die tot stand is gekomen door de overeenstemmende en onderlinge afhankelijke wilsverklaring van twee of meer partijen, gericht op het teweegbrengen van een rechtsgevolg ten behoeve van een der partijen en ten laste van de andere partij (niet-wederkerige of eenzijdige overeenkomst), of ten behoeve en ten laste van beide (of alle) partijen over en weer (wederkerige overeenkomst) (art. 6:261 BW).
  • Rechtshandelingen kun je onderverdelen in eenzijdige en meerzijdige rechtshandelingen. 

    Bij een eenzijdige rechtshandeling treedt het rechtsgevolg in door de wilsverklaring van een persoon. Dit is onder te verdelen in ongerichte (bv. testament) en gerichte (bv. opzegging) eenzijdige rechtshandelingen.

    Bij een meerzijdige rechtshandeling zijn daarvoor 2 of meer personen nodig (bv. huwelijk, overeenkomst). Zijn te onderscheiden in overeenkomsten en andere meerzijdige rechtshandelingen (bv. besluiten vergadering vereniging). 
  • Wat zijn de kenmerken voor het begrip overeenkomst?
    Een overeenkomst komt tot stand door samenwerking van twee of meer personen.
    De wilsverklaring van beide partijen zijn gericht op het tot stand brengen van bepaalde rechtsgevolgen (vgl. art. 3:33 BW).
    Elk rechtsgevolg wordt teweeggebracht ten behoeve van de ene partij en ten laste van de andere partij (rechten en verplichtingen over en weer indien het om een wederkerige overeenkomst gaat (art. 6:261, lid 1, BW)
  • Benoemde overeenkomsten zijn afzonderlijk in de wet geregeld. Onbenoemde overeenkomsten niet, deze wordt alleen behelst door de algemene regels van de titels 3.2 en 6.5.
  • Wat is het verschil tussen een eenzijdige en een meerzijdige rechtshandeling?
    Bij een eenzijdige rechtshandeling komt de rechtshandeling tot stand door de wilsverklaring van een persoon. Bij een meerzijdige rechtshandeling is voor de realisatie van de rechtshandeling de wilsverklaring van twee of meer personen vereist. Door aanvaarding van een aanbod (beide eenzijdige gerichte rechtshandelingen) komt een overeenkomst (een meerzijdige rechtshandeling tot stand).
  • Gemengde overeenkomsten hebben typische kenmerken van 2 of meer benoemde overeenkomsten. 

    Voorbeeld: pensionovereenkomst, kan zowel huur-, koop- en opdrachtovereenkomst omvatten. 

    De wetgever heeft in art. 6:215 BW als hoofdregel voor de cumulatieleer gekozen: in beginsel moeten regels van benoemde contracten naast elkaar worden toegepast. Hierop wordt een uitzondering voor zover als:
    • de bepalingen niet verenigbaar zijn;
    • de strekking van de bepalingen -i.v.m. de aard van de overeenkomst - zich tegen toepassing verzet: dan wordt de keuze aan de rechter overgelaten.
  • Wat zijn de rechtsgevolgen van het onderscheid tussen gerichte en ongerichte eenzijdige rechtshandelingen?
    De wet verbindt aan dit onderscheid in de artikelen 3:32 lid 2 BW en 3:34 lid 2 BW consequenties met betrekking tot nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen (en daarmee ex art. 6:213 lid 1 BW van overeenkomsten). Een ander gevolg van dit onderscheid is dat in het geval van een gerichte eenzijdige rechtshandeling de wederpartij van de handelende persoon een beroep kan doen op artikel 3:35 BW. Bij een ongerichte eenzijdige rechtshandeling dient de wederpartij zich op art. 3:36 BW te beroepen.
  • Is het opstellen van een uiterste wil een aan de erfgena(a)m(en) gerichte eenzijdige rechtshandeling?
    Onjuist
  • Is het maken van een schilderij is het verrichten van een rechtshandeling?
    Onjuist
  • Is een obligatoire overeenkomst de rechtsbetrekking die voortvloeit uit de afspraak van partijen om zich tot bepaalde rechtsgevolgen te verbinden?
    De rechtsbegrippen 'overeenkomst' en 'verbintenis' worden door elkaar gehaald.
  • Is een liberatoire overeenkomst tevens een obligatoire overeenkomst?
    Een liberatoire overeenkomst is een overeenkomst waarbij partijen een of meer tussen hen bepaalde verbintenissen tenietdoen. De liberatoire overeenkomst is geen obligatoire overeenkomst, omdat er geen verbintenissen ontstaan.
  • Is opzettelijk een auto beschadigen een rechtshandeling?
    Nee, er is geen sprake van een op rechtsgevolg gerichte handeling zoals artikel 3:33 BW vereist, maar van een op een feitelijk gevolg gerichte handeling waaraan de wet rechtsgevolgen verbindt. Er is hier immers sprake van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) waaruit door de dader een verbintenis tot schadevergoeding voortvloeit.
  • Voor de totstandkoming van een overeenkomst zijn twee of meer wilsverklaringen vereist. Afdeling 6.5.2 heeft als opschrift: het totstandkomen van overeenkomsten. Waarom staat dan toch titel 3.2 centraal bij de bespreking van de wilsovereenstemming als ontstaanvereiste voor een overeenkomst?
    Het BW heeft als uitgangspunt dat leerstukken zo veel mogelijk daar worden behandeld, waar zij qua betekenis thuishoren en is daartoe van algemeen naar bijzonder opgebouwd (gelaagde structuur).
    Een overeenkomst vormt als meerzijdige rechtshandeling een species van het genus rechtshandeling. Onderwerpen die voor alle vermogensrechtelijke rechtshandelingen van belang zijn, worden geregeld in titel 3.2. Voor de totstandkoming van een rechtshandeling (en dus voor een overeenkomst) is vereist dat de verklaring - de geopenbaarde wil - overeenstemt met de werkelijke wil van de declarant, zie de artikelen 3.33, 3.34 en 3.35 BW in titel 3.2. Voor wat betreft de totstandkoming van de overeenkomst wordt in titel 6.5 Overeenkomsten in het algemeen voortgebouwd op titel 3.2. In titel 6.5 vinden wij derhalve ten aanzien van de totstandkoming van de overeenkomst slechts aanvullende, dan wel afwijkende regels.
  • Wat is het belangrijkste artikel dat door artikel 6:216 BW van overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen wordt verklaard?
    Het gaat in het bijzonder om artikel 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid), waarvan de werking via artikel 6:216 BW wordt uitgebreid tot alle meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen. Dit wordt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid genoemd.
  • Waarin verschilt een besluit van een vergadering van andere meerzijdige rechtshandelingen zoals een overeenkomst?
    Bij een besluit van een vergadering worden de overeenstemmende wilsverklaringen niet afhankelijk van elkaar afgelegd. Men spreekt wel van een Gesamtakt.
  • Door welke drie beginselen wordt het contractenrecht beheerst?
    Het consensualisme.
    Overeenkomsten komen in de regel niet formeel, maar vormvrij door de wilsovereenstemming (consensus) van partijen tot stand (art. 3:37 lid 1 BW)
    De verbindende kracht van de overeenkomst.
    Partijen moeten de verbintenissen nakomen die ze bij het sluiten van de overeenkomst op zich hebben genomen. Dit beginsel ligt opgesloten in artikel 6:248 lid 1 BW: een overeenkomst heeft niet alleen de door de partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien.
    De contractsvrijheid betreft niet alleen de inhoud van de overeenkomst maar heeft ook betrekking op de bij de overeenkomst betrokken partijen.
    Het staat een ieder in beginsel vrij om al dan niet een overeenkomst aan te gaan, om de inhoud, werking en de voorwaarden van een overeenkomst naar eigen inzicht te bepalen en deze al dan niet aan een vorm te binden. Dit beginsel is ten dele verwoord in artikel 6:248 lid 1 BW (dit artikel stelt immers de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen voorop), maar ons gehele privaatrecht is op de autonomie van het rechtssubject (natuurlijk dan wel de rechtspersoon) gegrond. De contractsvrijheid wordt door artikel 3:40 BW ingeperkt. Ook artikel 6:162 BW bakent de contractvrijheid nader af.
  • Waarom is schenking wel een overeenkomst en het maken van een testament niet?
    Een testament (een uiterste wilsbeschikking) komt tot stand door een wilsverklaring van de erflater zonder dat aanvaarding van een wederpartij/geadresseerde vereist is (art 4:42 BW). Het is een eenzijdige niet-gerichte rechtshandeling. Schenking (art. 7:175 BW) is een overeenkomst en derhalve een meerzijdige rechtshandeling. Schenking is echter een eenzijdige, dat wil zeggen niet-wederkerige, overeenkomst. Een eenzijdige overeenkomst is een overeenkomst waarbij door het totstandkomen van de overeenkomst slechts een van de partijen tot een of meer prestaties jegens de andere verplicht wordt. Uit de schenkingsovereenkomst vloeit uitsluitend voor de schenker een verbintenis voort. De begiftigde hoeft zelf niets te presteren tegenover de schenker. Aangezien schenking een overeenkomst is dient degene die een schenking krijgt aangeboden, de schenking te aanvaarden, wil de obligatoire overeenkomst tot stand komen. Bij schenking dienen derhalve twee of meer partijen toestemming te geven voor het intreden van het rechtsgevolg (een aanbod tot schenking dient te worden gevolgd door een aanvaarding door de begiftigde wederpartij (art. 6:217 BW)).
    Een eenzijdige overeenkomst dient van een wederkerige te worden onderscheiden. Een wederkerige overeenkomst (art 2:261 lid 1 BW) is een overeenkomst waaruit voor partijen jegens elkaar onderling afhankelijke verplichtingen (d.w.z. verbintenissen) voortvloeien, bijvoorbeeld bij een huurovereenkomst het leveren van het huurgenot door de verhuurder tegenover het betalen van de huurpenningen door de huurder (art. 7:201 lid 1 BW)
  • Welke soort overeenkomsten zijn aan een vorm gebonden en welke niet?
    De concensuele overeenkomst is niet aan een vorm gebonden. Bij formele overeenkomsten (bijv. art 7:2 lid 1 BW) stelt de wet een vormvereiste voor de geldigheid. Wordt niet aan het vormvereiste voldaan, dan is artikel 3:40 lid 2 BW van toepassing.
    Reele overeenkomsten zoals bruikleen (art. 7A:1777 BW) komen pas tot stand door de overhandiging van de zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft. Voor de afgifte van de zaak bestaat een onbenoemde voorovereenkomst tot bruikleen; de wettelijke bepalingen van bruikleen worden eerst bij overhandiging van de in bruikleen gegeven zaak van toepassing.
  • Indien een overeenkomst aan een bepaalde vorm is gebonden, is de voorovereenkomst hieraan dan ook gebonden?
    In principe is de voorovereenkomst dan ook aan een bepaalde vorm gebonden, tenzij uit de strekking van het voorschrift anders voortvloeit (art 6:226 BW).
  • Noem twee vormen van hulpovereenkomsten en geef daarvan een definitie
    De voortbouwende overeenkomst is afhankelijk van bestaande rechtsverhouding.
    Een tweede vorm van hulpovereenkomst is de voorovereenkomst waarin partijen zich verbinden tot het in de toekomst tot stand brengen van een andere overeenkomst, waarvan de inhoud althans in hoofdzaken voldoende bepaald of bepaalbaar is.
  • De 23-jarige W treedt voor de periode van één jaar in dienst bij verhuisbedrijf V. Deze overeenkomst is te karakteriseren als?
    Een consensuele duurovereenkomst
    Voor de totstandkoming van een overeenkomst gelden in beginsel geen vormvereisten (art. 3:37 BW lid 1 BW). In casu is sprake van een arbeidsovereenkomst (art. 7:610 BW). Ook de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst is niet gebonden aan een formeel (d.w.z. aan een bepaalde vorm) vereiste. het is wettelijk niet vereist dat arbeidsovereenkomsten schriftelijk tot stand worden gebracht, ook mondeling tot stand gekomen arbeidsovereenkomsten zijn geldig. De arbeidsovereenkomst is derhalve een consensuele overeenkomst. Het enige vereiste voor totstandkoming van een arbeidsovereenkomst is wilsovereenstemming (consensus) tussen werkgever en werknemer. De arbeidsovereenkomst is wel een 'bijzondere overeenkomst', de arbeidsovereenkomst is immers geregeld in boek 7 titel 10 van het BW. Boek 7 BW is getiteld 'bijzondere overeenkomsten'. De arbeidsovereenkomst is geen reele overeenkomst. Bij reele overeenkomsten komt de overeenkomst als zodanig pas tot stand bij overhandiging van de zaak/goed waarop de overeenkomst betrekking heeft.

  • Schakelbepalingen.
    Artikelen 3:59, 3:78, 3:98, 6:216 en 6:261 lid 2 BW.
  • Benoemde overeenkomst.
    Bepaalde overeenkomsten worden in de wet uitdrukkelijk geregeld wanneer zij zo vaak voorkomen, dat een afzonderlijke regeling in de wet gewenst is of ter bescherming van een van beide partijen.
  • Onbenoemde overeenkomt.
    Een overeenkomst die niet uitdrukkelijk in de wet is geregeld. Wordt enkel beheerst door de algemene regels van titels 3.2 en 6.5.
  • Gemengde overeenkomst.
    Vertonen typische kenmerken van twee of meer benoemde overeenkomsten. Het standaardvoorbeeld is de pensioenovereenkomst.
  • Hoofdovereenkomst.
    Heeft een zelfstandig reden van bestaan, zoals bijvoorbeeld alle benoemde overeenkomsten.
  • Hulpovereenkomst.
    Een overeenkomst die wordt aangegaan in afhankelijkheid van een buiten haar liggende rechtsverhouding. Het doel van een hulpovereenkomst kan zijn het voorbereiden, versterken, bevestigen, regelen of afwikkelen van een buiten haar liggende dienstbetrekking.
  • Voorovereenkomst.
    Is een hulpovereenkomst waarin een partij zich verbindt (of beide partijen zich verbinden) tot het tot stand brengen van een andere overeenkomst in de toekomst en waarvan de inhoud althans in hoofdzaken voldoende bepaald of bepaalbaar is. Een eventueel vormvereiste voor de hoofdovereenkomst dient in principe ook voor de voorovereenkomst te gelden (art. 6:226 BW).
  • Voortbouwende overeenkomst.
    een hulpovereenkomst die afhankelijk is van een bestaande rechtsverhouding.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Vleesmester Versman-Alog
Of niet-nakoming van een contractuele verplichting onrechtmatig is jegens een derde, hangt ervan af of de zorgvuldigheidsnorm is geschonden. De concrete inhoud van de zorgvuldigheidsnorm hang af van de omstandigheden van het geval.

Euro Invest is eigenaar van een winkelruimte. Het verhuurt die ruimte aan Alog en komt daarbij overeen dat Alog verplicht is in de ruimte een supermarkt te exploiteren. Alog sluit twee onderhuurovereenkomsten. Een met (met betrekking tot het leeuwendeel van de ruimte) met Aldi en de ander met Dumeco. Op haar beurt sluit Dumeco weer een overeenkomt van onderhuur met Vleesmeesters Versman. Alog en Aldi behoren tot hetzelfde concern. De bedoeling is dat Aldi een supermarkt gaat exploiteren en dat Vleesmeesters Versman daarin een slagerij heeft volgens het 'winkel-in-winkelconcept'.
Zonder enig overleg met Vleesmeesters Versman besluit dan te verhuizen naar een nieuwe locatie, waar er geen plaats zal zijn voor Vleesmeesters Versman. Omdat de contractuele verplichting om in de winkelruimte een supermarkt te exploiteren niet werd nagekomen, heeft de rechter in kort geding een door Euro Invest ingestelde ontruimingsverordening toegewezen.
Vleesmeesters Versman heeft vervolgens van Alog vergoeding van de door de gang van zaken ontstane schade gevorderd. In hoger beroep oordeelt het hof dat de zorgvuldigheid niet meebrengt dat Alog rekening diende te houden met de belangen van Vleesmeesters Versman. Uit het arrest van het hof blijkt niet dat het hof rekening heeft gehouden met de rechtsregel uit het Atiba-arrest. In cassatie is aan de orde welke maatstaf moet worden aangelegd voor bepaling van de vraag of de niet-nakoming door Alog jegens Euro Invest een onrechtmatige daad jegens Vleesmeesters Versman was.

Of 'hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt', meebrengt dat een partij bij een overeenkomst haar gedrag mede door belangen van derden moet laten bepalen, hangt af van de omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn:

- De hoedanigheid van alle betrokken partijen;
- De aard en strekking van de overeenkomst;
- De wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken;
- De vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was;
- De vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien;
- De vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van derde rekening te houden;
- De aard en de omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt;
- De vraag of van de derde kon worden gevergd dat hij zich tegen het nadeel had ingedekt;

De redelijkheid van een eventueel aan de derde gebonden schadeloosstelling.
Curacao/Boye
Een kettingbeding heeft geen goederenrechtelijk gevolg. De koper die profiteert doordat hij de verplichting uit dit beding niet opgelegd krijgt, pleegt daarmee nog geen onrechtmatige daad jegens de rechthebbende derde dan dit beding.

AR-CU NV had een stuk grond op Curaçao verworven en had daarbij jegens de erven van een zeker Boyé contractueel onder meer de volgende verplichtingen op zich nemen:
i. Indien uit de grond bepaalde grondstoffen gewonnen zouden worden, zou AR-CU daarvoor een vergoeding geven aan de erfgenaam van Boyé. (Dit is een 'derden-beding' zie 6:253.)
ii. Bij (door)verkoop van de grond zou AR-CU deze verplichting opleggen aan haar koper, en tevens bedingen dat deze koper het beding weer aan latere kopers zou opleggen. (Het derdenbeding heeft daardoor de vorm van een zogenaamd 'kettingbeding' gekregen.)
AR-CU verkocht vervolgens de grond aan het Eilandgebied Curaçao zonder aan hem dit beding op te leggen. Daarmee pleegde AR-CU wanprestatie jegens de erven Boyé; Curaçao trok daarvan profijt. Curaçao vorderde een verklaring voor recht dat dit profiteren niet onrechtmatige was jegens de erven Boyé. Het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof van justitie van de Nederlandse Antillen wezen deze vordering achtereenvolgens af: ze vonden het profiteren wèl onrechtmatig.

Een kettingbeding heeft geen 'droit de suite' (goederenrechtelijk gevolg). De verplichtingen eruit gaan bij overdracht dus niet automatisch over de koper van de zaak waarop het kettingbeding heeft. Omdat AR-CU het beding niet heeft doorgegeven is er geen contractuele verbintenis tussen Curaçao en de erven Boyé ontstaan. Curaçao is dus ook niet tekortgeschoten.
Het hof oordeelde ten onrechte dat Curaçao onrechtmatig had gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van AR-CU. Als profiteren van het niet-doorgeven van een kettingbeding altijd onrechtmatig zou zijn, zou aan een kettingbeding toch een soort droit de suite worden toegekend. Of sprake is van een onrechtmatige daad, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de vraag Curaçao al ten tijde van de koop het beding kende, of wat dat betreft een onderzoeksplicht op Curaçao rustte en of en in hoeverre Curaçao de wanprestatie AR-CU heeft beïnvloed. Ook zijn van belang het nadeel voor de erven Boyé en de voorzienbaarheid van dat nadeel en de vraag of Curaçao AR-CU wellicht had overgehaald te wanpresteren jegens de erven.

Pos-Van den Bosch
Het uitlokken of profiteren van wanprestatie kan onder zeer bijzondere omstandigheden onrechtmatig zijn. De rechter kan iedere passende vorm van schadevergoeding toewijzen.

Van den Bosch pacht een boerderij van de oude mevrouw Neeltje Brouwer. Hij heeft een koopoptie op de boerderij (een recht om te kopen): bij het overlijden van mevrouw Brouwer krijgt hij als eerste de mogelijkheid de gepachte boerderij te kopen. Dat optierecht is een relatief persoonlijk recht en werkt dus alleen tegenover mevrouw Brouwer of haar opvolgers onder algemene titel. Vergelijk: Blaauboer - Berlips. Kort voor haar dood schenkt Neeltje de boerderij aan haar neef Pos. Daarmee pleegt ze een wanprestatie jegens Van den Bosch, omdat zij (of haar erfopvolgers) de boerderij na de overdracht aan Pos niet meer aan Van de Bosch zal kunnen overdragen als hij zijn optierecht uitoefent. Pos was de vertrouwensman van zijn tante Neeltje. Hij wist, toen hij de schenking aanvaardde, wat daarvan de consequenties voor Van den Bosch waren en dat Neeltje wanpresteerde.
Van den Bosch spreekt Pos aan en stelt dat Pos, door in de gegeven omstandigheden te profiteren van wanprestatie van mevrouw Brouwer, jegens hem een onrechtmatige daad pleegde door te handelen in strijd met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt. Hij eist niet dat Pos wordt veroordeel tot schadevergoeding of herstel in de oude toestand, maar tot verkoop van de boerderij aan hem. Op die manier is het materiele resultaat, dat hij het optierecht toch kan uitoefenen jegens tante Neeltjes opvolger onder bijzondere titel.
Door het hof wordt geoordeeld dat het profiteren van wanprestatie onder bijzondere omstandigheden een onrechtmatige daad kan zijn en dat een veroordeling om te verkopen mogelijk is. Tegen deze twee oordelen gaat Pos in cassatie.

Nu Pos de optie kende, zich bewust moest zijn van het aanmerkelijke nadeel dat Van den Bosch door aanvaarding van de schenking leed en een bijzondere vertrouwenspositie ten opzichte van tante Neeltje innam, hij heeft jegens Van den Bosch onrechtmatig gehandeld door de schenking te aanvaarden.
De rechter kan de pleger van een onrechtmatige daad veroordelen tot het verrichten van een passende prestatie ('schadevergoeding in natura'), als de benadeelde dat vordert.

Jans-Fiat Credit
Het is mogelijk dat een huurkoopovereenkomst zozeer samenhangt met een financieringsovereenkomst, dat ontbinding of vernietiging van de huurkoopovereenkomst ook het einde van de financieringsovereenkomst meebrengt.

Jans heeft een auto gekocht bij autodealer Hameeteman. Er is daarvan een akte opgemaakt waarin ook de financiering, op basis van huurkoop, door Fiat Credit Nederland (FCN) is geregeld. Uit hoofde van die overeenkomst betaalt FCN de koopprijs aan Hameeteman.
Later stelt Jans vast dat er met de auto van alles mis is. Hij vernietigt de koopovereenkomst met een beroep op dwaling. Voor het geval dat niet slaagt ontbindt hij de koopovereenkomst wegens de tekortkoming. FCN stelt zich op het standpunt dat de (rente- en aflossings)verplichtingen van Jans uit hoofde van de financieringsovereenkomst door Jans moeten worden nagekomen en dat de gestelde ondeugdelijkheid van de auto alleen tussen Jans en Hameeteman speelt. De rechtbank geeft in hoger beroep FCN daarin gelijk. Jans gaat daartegen in cassatie: hij meent dat hij bevrijd is jegens FCN en dat DCN hem de betaalde termijnen moet terug betalen.

Een huurovereenkomst (tussen een huurverkoper en een huurkoper) kan onder omstandigheden zozeer samenhangen met de financieringsovereenkomst (tussen huurkoper en financier dat vernietiging of ontbinding van de huurkoopovereenkomst meebrengt dat de financieringsovereenkomst niet in stand blijft.Als er een zodanige samenhang bestaat en als de huurkoper het gekochte heeft teruggeven aan de huurverkoper, dient de huurkoper het van de financier ontvangen geld terug te geven.

Citronas
In dit geval aanvaardde de Hoge Raad geen derdenwerking van het exoneratiebeding.
De Hoge Raad begint met de vermelding van de hoofdregel, dat contractuele verbindingen alleen van kracht zijn tussen partijen. Daaraan voegt de Hoge Raad toe dat op de uitgangspunt soms een uitzondering kan worden aanvaard, maar dan toch alleen als daarvoor voldoende rechtvaardiging kan worden gevonden in de aard van het desbetreffende geval. Daarbij moet onder meer worden gedacht aan:
- Het op gedragingen van de derde terug te voeren vertrouwen van degene die zich op het beding beroept, dat hij dit beding zal kunnen inroepen terzake van hem door zijn wederpartij toevertrouwde goederen. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar het arrest Gegaste uien.
- De aard van de overeenkomst en het desbetreffende beding in verband met de bijzondere relatie waarin de derde staat tot degene die zich op het beding beroept. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar het arrest Securicor.
Daarbij moet echter mede rekening worden gehouden met het stelsel van de wet, in het bijzonder indien de wet aan bepaalde daarin geregelde overeenkomsten, binnen zekere grenzen, werking jegens derden toekent en het desbetreffende geval in dit stelsel moet worden ingepast.

Pas men de criteria van het arrest Securicor toe op de casuspositie van het arrest Citronas, dan kan het volgende worden opgemerkt:
- Alle partijen handelden bedrijfsmatig.
- Wie regelmatig goederen laat vervoeren over zeek (zoals Citronas), weet dat daarbij stuwadoors worden ingeschakeld.
- Citronas kon om dezelfde reden bedacht zijn op het bestaan van algemene stuwadoorsvoorwaarden.
- Het beding was niet ongebruikelijk.
Deze opsomming tendeert naar een aanvaarding van de derdenwerking van het exoneratiebeding. Een duidelijk verschil is echter gelegen in het feit dat tussen Citronas en Deka-Hanno geen regelmatig, dagelijks contact was. Bovendien zijn in de wettelijke regeling van de overeenkomst betreffende vervoer over zee, nu juist wel enige bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot de derdenwerking van contractuele bedingen. In dat stelsel moest, volgens de Hoge Raad, het geval van Citronas worden ingepast. Deze wettelijke bepalingen houden echter juist in dat de daarin geregelde derdenwerking niet geldt voor stuwadoors. Daarmee was het lot van Deka-Hanno bezegeld.

Securicor
Een derde moet een contractueel beding tegen zich laten werken indien dit redelijkerwijs volgt uit de aard van de overeenkomst en het beding, en de bijzondere relatie die hij heeft met degene die zich po het beding beroept.

Securior vervoert regelmatig geld van Makro. Securicor doet dat in opdracht van Vlaer en Kol, de bankier van Makro. Securicor heeft in het contract haar aansprakelijkheid jegens Vlaer en Kol beperkt: dit is een zogenaamd exoneratiebeding. Mede als gevolg van grove nalatigheid van werknemers van Securicor, wordt een geldwagen, met daarin geld van Makro, overvallen. De gesubrogeerde verzekeraar van Makro, Nationale Nederlanden, spreekt Securicor aan (onder meer) op grond van onrechtmatige daad. Securicor beroept zich op het exoneratiebeding.
Het hof wijst de vordering van Nationale Nederlanden toe, onder meer overwegende dat (het toen nog geldige) 1376 OBW meebrengt dat overeenkomsten geen nadeel aan derden kunnen toebrengen. Makro staat als derde buiten de overeenkomst en is dus niet gebonden aan het exoneratiebeding, aldus het hof. Voorts is het hof van oordeel dat zich geen omstandigheden voordoen die een afwijking van dit beginsel zouden rechtvaardigen.

De opvatting van het hof is onjuist. Onderdeel van de overeenkomst is, dat Securicor iedere werkdag geld bij Makro ophaalt. Zo ook op de bewuste dag van de overval. Onder deze omstandigheden dient Makro redelijkerwijs ook als derde de aansprakelijkheidsbeperking tegen zich laten gelden. Dit zou slechts anders zijn geweest indien de aansprakelijkheidsbeperking van dien aard was dat Makro er geen rekening mee had behoeven te houden, of indien er omstandigheden waren waardoor Makro erop mocht vertrouwen dat het beding niet jegens haar zou gelden. Deze omstandigheden hebben zich echter in dit geval niet voorgedaan.

Kan Securicor, aangesproken uit onrechtmatige daad door Makro, haar exoneratiebeding tegenover de bank ook tegen Makro inroepen?
De Hoge Raad aanvaardde derdenwerking van de exoneratieclausule en achtte daarbij de volgende omstandigheden van belang:
- Securicor maakte zijn bedrijf van het vervoeren van geld van derden.
- Tussen Vlaer en kol en de Makro was uitdrukkelijk overeengekomen dat het transport door Securicor zou worden uitgevoerd.
- Er was dagelijks contact tussen de Makro en (medewerkers van) Securicor. Hieruit leidde de Hoge Raad af dat de Makro het exoneratiebeding in redelijkheid tegen zich moest laten gelden tenzij zich een bijzondere omstandigheid zou voordoen. Zo'n bijzondere omstandigheid zou er zijn:
○ Indien de aansprakelijkheidsbeperking van dien aar was dat de Makro met het bestaan van een dergelijk beding geen rekening hoefde te houden. Hierbij speelt een rol dat de Makro eveneens bedrijfsmatig handelde en uit dien hoofde bedacht kon zijn op het gebruik van aansprakelijkheidsbedingen door geldtransportbedrijven. Op ongebruikelijk (extra bezwarende) bedingen hoefde de Makro evenwel niet bedacht te zijn. Het beding was echter niet ongebruikelijk.
○ Indien de Makro op grond van gedragingen van Securicor of andere, aan Securicor bekende omstandigheden erop mocht vertrouwen dat de aansprakelijkheidsclausule niet tegen hem zou gelden.
Van dergelijke bijzondere omstandigheden was volgend de Hoge Raad geen sprake. Er speelde dus vele factoren een rol bij deze uitspraak. Het is verstandig deze nog een op een rijtje te zetten:
- Het ging om het vervoeren van geld voor derden (een zeer specifieke bezigheid; het is een overeenkomst met een heel eigen aard).
- Securicor deed dat bedrijfsmatig.
- Tussen Vlaer en kol en de Makro was van tevoren afgesproken dat er een derde zou worden ingeschakeld bij het vervoeren van geld.
- Ook Vlaer en Kol en de Makro handelde bedrijfsmatig.
- Er was regelmatig contact tussen Securicor en de Makro.
- De exoneratieclausule was niet ongebruikelijk van inhoud.
- Er was geen sprake van gedragingen van Securicor of van andere omstandigheden die bij de Makro de schijn hadden kunnen opwekken dat de exoneratieclausule niet tegen de Makro zou gelden.

Gegaste Uien
Een partij kan een contractueel beding onder omstandigheden ook inroepen tegen een derde, indien door het handelen van die derde de desbetreffende partij erop mocht vertrouwen dat het beding zich over alle hem toevertrouwde goederen uitstrekte.

De Klerk sluit een overeenkomst met de gemeente Rotterdam. De gemeentelijke reinigingsdienst - De Roteb - zal voor hem een partij uien gassen (ontsmetten). Naar pas achteraf aan de gemeente blijkt, zitten daar ook uien van Noordermeer NV tussen. Noordermeer had De Klerk van te voren toestemming gegeven ook zijn uien te laten gassen.
De gemeente heeft geen ervaring met de ontsmettingsprocedure, en heeft daarom haar aansprakelijkheid contractueel uitgesloten (dit is een exoneratiebeding). Het gassen gaat niet goed en de uien moeten worden vernietigd.Noordermeer spreekt de gemeente aan uit onrechtmatige daad. De gemeente verweert zich met een beroep op de exoneratieclausule. Noordermeer acht zich als derde daaraan niet gebonden.

Noordermeer heeft aan De Klerk toestemming gegeven de uien te laten gassen en daarbij aan De Klerk de vrije hand gelaten bij het regelen van de opdracht aan de gemeente. De gemeente mocht ervan uitgaan dat de door haar bedongen exoneratieclausule gold voor alle uien die onder De Klerk waren opgeslagen. Onder die omstandigheden geldt de exoneratieclausule ook tegen Noordermeer. Het beginsel dat overeenkomsten alleen tussen partijen van kracht zijn staat in dit geval hieraan niet in de weg.

De Klerk gaf Roteb opdracht tot het gassen van uien (er liggen echter ook de uien van Noordermeer, hetgeen Roteb niet wist). Roteb t.o.v. De Klerk een exoneratie. De HR aanvaarde derdenwerking van de exoneratieclausule en achtte daarbij de volgende omstandigheden van belang:
- De uien van Noordermeer lagen in de cellen van De Klerk
- Noordermeer had De Klerk geheel de vrije hand gelaten bij het gassen van de uien
- Daardoor had Noordermeer een situatie in het leven geroepen waarin Roteb erop mocht vertrouwen dat de exoneratie voor alle bij de Klerk opgeslagen uien zou gelden.

Inmiddels heeft de wetgever derdenwerkerking zoals in het arrest gegaste uien in artikel 7:608 BW verwerkt.

TCM-Gesink
Een derdenbeding kan stilzwijgend worden overeengekomen. Het is voor de totstandkoming van een derdenbeding derhalve niet vereist dat blijkt dat de totstandkoming door de oorspronkelijke partijen bewust is beoogd.

Curacao-Boye
Een kettingbeding heeft geen goederenrechtelijk gevolg. De koper die profiteert doordat hij de verplichting uit dit beding niet opgelegd krijgt, pleegt daarmee nog geen onrechtmatige daad jegens de rechthebbende derde dan dit beding.

AR-CU NV had een stuk grond op Curaçao verworven en had daarbij jegens de erven van een zeker Boyé contractueel onder meer de volgende verplichtingen op zich nemen:
i. Indien uit de grond bepaalde grondstoffen gewonnen zouden worden, zou AR-CU daarvoor een vergoeding geven aan de erfgenaam van Boyé. (Dit is een 'derden-beding' zie 6:253.)
ii. Bij (door)verkoop van de grond zou AR-CU deze verplichting opleggen aan haar koper, en tevens bedingen dat deze koper het beding weer aan latere kopers zou opleggen. (Het derdenbeding heeft daardoor de vorm van een zogenaamd 'kettingbeding' gekregen.)
AR-CU verkocht vervolgens de grond aan het Eilandgebied Curaçao zonder aan hem dit beding op te leggen. Daarmee pleegde AR-CU wanprestatie jegens de erven Boyé; Curaçao trok daarvan profijt. Curaçao vorderde een verklaring voor recht dat dit profiteren niet onrechtmatige was jegens de erven Boyé. Het Gerecht in Eerste Aanleg en het Hof van justitie van de Nederlandse Antillen wezen deze vordering achtereenvolgens af: ze vonden het profiteren wèl onrechtmatig.

Een kettingbeding heeft geen 'droit de suite' (goederenrechtelijk gevolg). De verplichtingen eruit gaan bij overdracht dus niet automatisch over de koper van de zaak waarop het kettingbeding heeft. Omdat AR-CU het beding niet heeft doorgegeven is er geen contractuele verbintenis tussen Curaçao en de erven Boyé ontstaan. Curaçao is dus ook niet tekortgeschoten.
Het hof oordeelde ten onrechte dat Curaçao onrechtmatig had gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van AR-CU. Als profiteren van het niet-doorgeven van een kettingbeding altijd onrechtmatig zou zijn, zou aan een kettingbeding toch een soort droit de suite worden toegekend. Of sprake is van een onrechtmatige daad, hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals de vraag Curaçao al ten tijde van de koop het beding kende, of wat dat betreft een onderzoeksplicht op Curaçao rustte en of en in hoeverre Curaçao de wanprestatie AR-CU heeft beïnvloed. Ook zijn van belang het nadeel voor de erven Boyé en de voorzienbaarheid van dat nadeel en de vraag of Curaçao AR-CU wellicht had overgehaald te wanpresteren jegens de erven.

Blaauboer-Berlips
Wie een goed onder bijzondere titel verkrijgt, is niet gebonden aan de persoonlijke verplichtingen ten aanzien van dat goed van een andere rechthebbende.

Berlips verkoopt grond aan Blaauboer. Bij de verkoop belooft hij Blaauboer, dat hij een weg zal aanleggen op een naastgelegen strook grond die zijn eigendom blijft. Later wordt die strook grond overgedragen, zonder dat de weg is aangelegd. Blaauboer eist schadevergoeding vanwege de wanprestatie van Berlips. Berlips meent dat de verplichting tot aanleg van de weg is overgegaan op de nieuwe eigenaar van de strook grond. Het hof is dat met Berlips eens. Volgens het hof is er namelijk geen wezenlijk verschil tussen de situatie waarin iemand door erfopvolging eigenaar van een zaak wordt - daarbij verkrijgt de verkrijger alle rechten en plichten van de overledene - en de situatie waarin iemand door overdracht eigenaar wordt.

De persoonlijke verplichting ten aanzien van een goed gaan niet over op degene die het goed onder bijzondere titel verkrijgt. De Hoge Raad geeft de volgende argumenten:
i. Een overeenkomst is alleen van kracht tussen partijen
ii. Als Blaauboers recht kon worden uitgeoefend tegen iedere rechthebbende op de grond waarop de weg moest worden aangelegd, dan zou dat recht 'droit de suite'(=goederenrechtelijk gevolg' of - in oud-BW terminologie - 'zaaksgevolg' hebben en dus een goederenrechtelijk karakter hebben. Dat strijdt met het strikte onderscheid tussen goederen- en verbintenissenrecht.
iii. Sr bestaat de wettelijke mogelijkheid een last met betrekking tot een onroerende zaak droit de suite te geven door de vestiging van een erfdienstbaarheid (nu 5:70). De wetgever heeft die mogelijkheid bewust beperkt door te eisen dat de last bestaat uit een 'dulden of niet doen' (nu 5:71). Als Berlips' verplichting zou zijn overgegaan op de nieuwe grondeigenaar, dan zou feitelijk sprake zijn van erfdienstbaarheid waarbij de last bestaat uit een 'doen' (het aanleggen van de weg). Dat is in strijd met de bedoeling van de wet.
iv. De rechtstoestand van registergoederen in ingeschreven in openbare registers en daarmee kenbaar. Berlips' verplichting was niet ingeschreven en ook niet inschrijfbaar. Het is in strijd met de openbaarheidgedachte achter het registerstelsel dat niet-ingeschreven (en dus niet-openbare) verplichtingen overgaan op een verkrijger onder bijzondere titel van dat goed.
v. Uit de regeling van de schuldoverneming (nu 6:155 e.v.) volgt, dat iemand een verplichting alleen kan overnemen als de schuldeiser daarmee instemt.