Summary Wetenschapsfilosofie PB1302

-
424 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Wetenschapsfilosofie PB1302

  • 1.1 Introduction

  • Wat is rationalisme?
    Kennis over de werkelijkheid is afkomstig van het juiste gebruik van onze redeneercapaciteiten (intellect, redeneren, of ratio) Rationalisten menen dat onze capaciteit om te denken ideeën genereert die niet bereikt kunnen worden door alleen maar onze sensorische capaciteiten te gebruiken (plato)
  • Wat is empirisme?
    Niet redeneren maar sensorische ervaringen zijn hier de bron van kennis. Zij zijn een betrouwbare indicator van hoe de werkelijkheid is (aristoteles, leerling Plato)
  • 1.2 Plato's rationalism

  • Hoe bereiken we volgens Plato echte kennis?
    Echte kennis bereiken we door de grot van onze zintuiglijke wereld te verlaten en langs de weg van het verstand op zoek te gaan naar de wereld van Parmenides waarin we met zekerheid kunnen beredeneren wat waar is.
  • Wat is metafysica?
    De filosofie is onder te verdelen in een aantal subdivisies, die elk met hun eigen vraagstuk bezig zijn. Metafysica is zo’n subdivisie van de filosofie. Het bijbehorende vraagstuk zou je kunnen samenvatten als ‘wat is de werkelijke aard der dingen?’ 
  • Wat is ontologie?
    Ontologie staat grotendeels gelijk aan de metafysica. Bij Aristoteles maakte ze daar bijvoorbeeld expliciet deel van uit. Ontologie is de tak van filosofie die vraagt naar de essentie van de dingen. ‘Wat zijn de bepalende eigenschappen van dingen?’ en ‘Hoe ontstaan die eigenschappen?’ zijn typische voorbeelden van ontologische vragen.
  • Wat is empistemologie?
    Epistemologie is de afdeling van de filosofie die zich bezighoudt met de aard van onze kennis. Haar vraagstuk is dus feitelijk gelijk aan dat van deze cursus: ‘Wat is kennis en hoe komen wij daartoe?’. De epistemologische positie die je kiest, is sterk afhankelijk van je ontologische opvattingen. 
  • Over welke vraag discuseerden Parmenides en Heraclitus?
    Heraclitus en Parmenides verschilden van mening over de ware aard van de werkelijkheid. Was deze statisch, of juist veranderlijk? 
  • Wat was het standpunt van Parmenides?
    Parmenides stelt hiertegenover dat de werkelijkheid juist statisch is: alles is, niets wordt. De veranderlijkheid van de wereld waarover Heraclitus spreekt is slechts een suggestie die wordt gewekt in de zintuigen. Daarachter ligt namelijk een onveranderlijke, statische werkelijkheid die verborgen blijft voor onze ogen.
  • Wat was het standpunt van Heraclitus?
    Volgens Heraclitus was de werkelijkheid voortdurend aan verandering onderhevig: niets is, alles wordt. Hij stelde bijvoorbeeld dat je nooit tweemaal in dezelfde rivier kunt stappen, omdat zowel de rivier als jijzelf voortdurend veranderen. Door die continue verandering is het moeilijk om de werkelijkheid te zien. Hij stelt dan ook dat de meeste mensen als slaapwandelaars door een eeuwig veranderende wereld lopen zonder de verborgen werkelijkheid te zien.
  • Welke conclusie verbond Socrates aan de discussie tussen Heraclitus en Parmenides?
    Socrates, die we vooral kennen door de geschriften van zijn leerling Plato, sloot zich hierbij aan: omdat een object voor de een er anders uitziet dan voor de ander, kunnen we via de empirie nooit zekerheid bereiken over de aard van de werkelijkheid. De ultieme conclusie die Socrates daaruit trok, was dat hij maar een ding zeker wist, namelijk dat hij niets wist. Dit idee, dat zekere kennis onbereikbaar is, noemen we scepticisme.
  • Welke conclusie verbond Protagoras aan de discussie tussen Heraclitus en Parmenides?
    Protagoras verbond hieraan de conclusie dat de veranderlijke wereld waar Heraclitus het over had een persoonlijke wereld is. Iedereen kijkt vanuit een ander perspectief en op een ander moment naar de dingen en zal dus een andere werkelijkheid zien. Kennis over de wereld is dus relatief: kennis is afhankelijk van degene die naar de wereld kijkt. 
  • Omschrijf Plato zijn allegorie van de grot
    Gevangenen in een grot kijken naar een muur, achter hen brandt vuur. Tussen de gevangenen en het vuur loopt een lang verhoogd pad waar mensen lopen die beelden en figuren omhoog houden zodat de schaduw te zien is op de muur. De gevangenen zijn nog nooit buiten geweest en denken dat het 'echte objecten' zijn. Ze zullen dan ook verbaasd zijn wanneer ze de objecten echt zien en beseffen dat de schaduw slechts een inferieure kopie is van de werkelijkheid. Ze zullen de objecten pas zien als ze zon er daadwerkelijk op schijnt.
  • Welke conclusie verbond Plato aan zijn allegorie?
    Voor Plato symboliseerde dit de werking van ons zintuiglijk systeem. We zitten gevangen in onze imperfecte zintuigen en zullen dus nooit de werkelijkheid kunnen aanschouwen, slechts een vage afdruk daarvan. Bovendien zijn de dingen die we in de wereld aanschouwen niet de werkelijkheid, enkel imperfecte kopieën daarvan. Onze waarneming is dus verre van perfect en zal nooit kunnen leiden tot ware kennis. Om die te bereiken moeten we ons bevrijden van onze zintuigen, de grot van onze zintuiglijke wereld verlaten en het licht van de waarheid opzoeken. Dit licht is alleen te bereiken langs de weg van het verstand, van de ratio. Het is, volgens Plato, de taak van de filosoof om ons te helpen dit pad van de rationaliteit te bewandelen.
  • Omschrijf hoe de wereld van Heraclitus in de allegorie terug te vinden is.
    De schaduwen op de muur vormen de ervaringswereld van Heraclitus, die bij ons een eindeloze stroom van vage, veranderlijke indrukken achterlaat. 
  • Omschrijf hoe de wereld van Parmenides in de allegorie terug te vinden is.
    De wereld buiten de grot symboliseert de statische achterliggende werkelijkheid van Parmenides.
  • Wat is de wereld van vormen?
    Deze wereld van het verstand, van ware kennis die niet voor onze zintuigen bereikbaar is, noemde Plato de Wereld van de Vormen – in het Nederlands ook wel de Wereld van de Ideeën genoemd. In deze wereld bevinden zich de ware Vormen of Ideeën in perfecte staat. De wereld die wij zien, bevat slechts imperfecte kopieën van die perfecte objecten. Deze Ideeënwereld bevindt zich, volgens Plato, in ons en is aangeboren. We worden dus geboren met ware kennis over de wereld, we zijn die alleen vergeten. Alles wat we moeten doen is deze kennis weer herinneren. We leren volgens Plato dus eigenlijk ook nooit iets nieuws, we herinneren ons alleen maar de perfecte Ideeënwereld die in ons zit.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat gebeurt er als we bepaalde dingen niet meer zouden mogen?
Als we bepaalde dingen niet meer zouden mogen geloven, dan lopen we vast in dogma's die op termijn niet meer zouden werken in onze veranderlijke wereld. Zolang we die perioden van vrij en creatief denken maar afwisselen met perioden van toetsing van de bruikbaarheid van die kennis, blijft ons denken zich aanpassen aan die constante verandering. Zo bezien levert het pragmatisme een werkwijze op die niet eens zo veel verschilt van de empirische cyclus die we eerder al zagen, maar dan zonder intellectuele discussies over inductieproblemen, theoriegeladenheid, taalspelletjes, relativisme en demarcatiecriteria.
samenvatting
In dat proces is de twijfel de drijfveer die ons telkens weer aanzet tot onderzoek en zodoende de ontwikkeling gaande houdt. Het pragmatisch axioma zou je kunnen zien als het alternatief voor natuurlijke selectie. Immers, op basis van dat axioma scheiden we de bruikbare overtuigingen van de waardeloze. Wanneer we deze analogie doortrekken wordt ook goed duidelijk waarom William James zo'n nadruk legde op de vrijheid om te geloven wat we willen. Immers, de voedingsbodem van het evolutionair proces is een grondige dosis variatie. Zonder die variatie zou het leven op aarde onherroepelijk uitsterven en dat geldt ook voor de wetenschap. Die vrijheid van denken is van levensbelang, juist om die variatie te scheppen.
Is wetenschap strikt een biologisch proces?
Wetenschap is natuurlijk geen strikt biologisch proces. Het is een proces van educatie en training waarbij kennis zich opstapelt op schrift zodat volgende generaties daar baat bij hebben. Dat begrip van de wereld ligt dus niet in ons, maar buiten ons. Toch kunnen we wel proberen om dat proces te modeleren volgens de principes van Darwin. In het dagelijkse leven proberen wij voortdurend rust te vinden in een goede aanpassing van ons gedrag aan de omgeving. Wanneer die aanpassing er niet blijkt te zijn, ontstaat twijfel over onze overtuigingen, die leidt tot een zoektocht naar nieuwe overtuigingen die beter corresponderen met de realiteit. Dit doubt-inquiry-model kun je zien als een niet-biologisch evolutionair proces. Het gaat immers net als bij biologische evolutie om de aanpassing van ons gedrag aan de omgeving.
Wat betekend dit voor het inductieprobleem?
Het inductieprobleem wordt bijvoorbeeld grotendeels irrelevant. We kunnen op basis van de empirie nooit besluiten tot universele geldigheid van onze kennis, maar vanuit de evolutietheorie is het wel aannemelijk dat we een soort universeel begrip van de wereld hebben dat ons helpt onze ervaringen te interpreteren. Ook het probleem van theoriegeladenheid valt daarmee weg. We hebben weliswaar een vooropgezette mening over de wereld, maar die is langs evolutionaire weg aan de natuur ontleend. We kunnen er dus van uitgaan dat die vrij aardig correspondeert met de realiteit. Een relativisme zoals dat van Kuhn of Feyerabend is dus niet alleen overbodig, het is zelfs onhaalbaar. De geëvolueerde correspondentie tussen ons en de wereld, maakt namelijk dat onze kennis een veel hoger waarheidsgehalte heeft, dan je op basis van toeval zou verwachten.
Wat zegt hij over ons denkvermogen?
Ons denkvermogen is volgens hem een geëvolueerd stuk gereedschap om de onzekerheid in de wereld het hoofd te bieden. Kennis is dus niet een extern gegeven dat we aanschouwen of een abstractie die we daaruit afleiden, het is een verzameling aangeboren strategieën die ons helpen om ons aangepast te gedragen. Allerlei intellectualistische ideeën lijken te verdwijnen in deze evolutionaire opvatting.
Op wie zijn opvatting lijkt deze sterk?
Merk op dat deze opvatting sterk lijkt op die van William James. Hij was dan ook sterk geïnspireerd door de ideeën van Darwin. Sterker nog: hij was de eerste die een omvattende psychologie probeerde te baseren op de evolutietheorie. 
Wanneer we accepteren dat de mens onderdeel is van de natuur, wat kunnen we dan aannemen?
Dan kunnen we aannemen dat wij betrekkelijk goed aangepast zullen zijn aan onze omgeving. Over een periode van miljoenen jaren is de mens geëvolueerd tot uiterst functioneel wezen dat zich prima weet te handhaven in de wereld. Vanuit die optiek is het onvoorstelbaar dat ons begripsvermogen slecht zou aansluiten bij de realiteit. Het proces van natuurlijke selectie zorgt er juist voor dat er een behoorlijk goede correspondentie ontstaat tussen organismen en hun leefomgeving.
Wat stelde Quine voor.
Quine stelde voor om neodarwiniaanse ideeën te gebruiken als één van de wetenschappelijke bronnen voor zijn genaturaliseerde epistemologie. We zullen laten zien hoe een meer realistisch georiënteerd naturalisme ontstaat als we Darwin serieus nemen.
Leg het concept variatie uit:
Het concept variatie was lastiger, omdat Darwin in zijn tijd over onvoldoende kennis beschikte omtrent de genetica. Hij observeerde dat het nageslacht veel eigenschappen van de ouders meekreeg, maar daarbij wel altijd variatie vertoonde. Die variatie ontleende hij dus aan de empirie, waarna hij veronderstelde dat deze ergens tijdens de voortplanting ontstond. De herontdekking van het werk van Mendel en latere ontwikkelingen in de genetica zouden zijn gelijk uiteindelijk bewijzen. Kort samengevat zijn het dus achtereenvolgens variatie in genetische samenstelling en natuurlijke selectie die gezamenlijk leiden tot de biologische aanpassing van organismen aan hunleefomgeving.
Om die aanpassing te kunnen verklaren had Darwin twee fundamentele concepten nodig:
variatie en selectie. Het concept van variatie had hij nodig om te kunnen verklaren hoe het kwam dat sommige individuen beter aan de omgeving waren aangepast dan anderen, en het concept van selectie had hij nodig om te kunnen verklaren hoe alleen de best aangepasten overbleven. Het concept selectie was betrekkelijk eenvoudig uit te leggen. Het lag al besloten in zijn redenering: de individuen die het best aangepaste ontwerp hebben, komen het meest tot voortplanting en geven dus hun goede ontwerp door aan hun kinderen. De natuur selecteert dus als het ware vanzelf het best aangepaste ontwerp. Daarom sprak Darwin over natuurlijke selectie.