Summary Wijsbegeerte

-
ISBN-10 9020988646 ISBN-13 9789020988642
1534 Flashcards & Notes
21 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

This is the summary of the book "Wijsbegeerte". The author(s) of the book is/are Antoon Braeckman Bart Raymaekers Gerd Van Riel. The ISBN of the book is 9789020988642 or 9020988646. This summary is written by students who study efficient with the Study Tool of Study Smart With Chris.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Wijsbegeerte

  • 0 Inleiding

  • Wat wordt bedoeld met contingent?
    Alles wat toevallig is: wat ook anders had kunnen zijn. Bv. gezin, studiekeuze.
  • We kunnen niet overleven in een wereld waarin alles contingent is (anders-mogelijk), we moeten orde, structuur en samenhang ervaren. Dus, er zijn veel dingen die niet contingent zijn. Ook cultuurpatronen blijken contingent: man-vrouw verdeling. 
  • Wetenschap kan aantonen dat iets wat contingent lijkt, dit in werkelijkheid niet is. Voorafgaand aan de moderne wetenschap diende mythen, riten en magie dit doel. Daarnaast vond met steun en verklaringen in astrologie, religie, alchemie, kunst en filosofie. 
  • Epistemologie / kenleer
    Stelt de vraag naar (ware) kennis. Wat is kennis? Wanneer kennen we iets? Hoe is kennis mogelijk? Wanneer is kennis waar? Wat is waarheid? Wat is wetenschap? Hoe komt ware kennis tot stand?
  • Metafysica
    Stelt de vraag naar (ware) werkelijkheid. Wat is 'werkelijk'? Wat is het fundament van de werkelijkheid? Wat is de zin van de werkelijkheid? Wat is het doel van de werkelijkheid? Waarom is er iets, en niet eerder niets?
  • Wetenschap kan aantonen dat iets wat contingent lijkt, dit in werkelijkheid niet is. Voorafgaand aan de moderne wetenschap dienden mythen, riten en magie dit doel. Daarnaast vond met steun en verklaringen in astrologie, religie, alchemie, kunst en filosofie.
  • Gelijkenissen tussen opvattingen uit de oudheid en de middeleeuwen. De wereld wordt in beide perioden als problematisch ervaren. Een zoektocht naar de echt werkelijke en eeuwige wereld, de goddelijke wereld en de waarheid. Dit vergt een zekere ascese. De waarheid ligt buiten de mens. Het realisme stelt dat er een werkelijkheid bestaat die in zichzelf geordend is en gelooft dat het denken bij machte is om die samenhang te achterhalen.
  • 'De wending naar het subject' duidt de overgang van het middeleeuwse naar het moderne denken aan. De waarheid van de dingen worden niet langer gezocht in een fundament en oorsprong buiten de mens. De waarheid bevindt zich niet in een ideeënwereld of in God, maar binnen het menselijke denken zelf. Elke werkelijkheid vindt haar grond in het denken van de mens. Het eigen denken vervult de rol van de goddelijke werkelijkheid uit de voorafgaande periodes. Deze gedachte krijgt uitdrukking in de term 'subject', 'drager'. 
  • 'De wending naar het subject' duidt de overgang van het middeleeuwse naar het moderne denken aan. De waarheid van de dingen wordt niet langer gezocht in een fundament en oorsprong buiten de mens. De waarheid bevindt zich niet in een ideeënwereld of in God, maar binnen het menselijke denken zelf. Elke werkelijkheid vindt haar grond in het denken van de mens. Het eigen denken vervult de rol van de goddelijke werkelijkheid uit de voorafgaande periodes. Deze gedachte krijgt uitdrukking in de term 'subject', 'drager'.
  • Deze wending naar het subject is de basis van het ontstaan van de moderne natuurwetenschappen, maar ook politiek, recht, economie en religie. De verhouding tussen denken en zijn wordt nu uitgedrukt in subject en object. Het resultaat is een tegenstelling tussen een oppermachtig, zelfgenoegzaam en productief menselijk subject en een inerte, heteronome en maakbare werkelijkheid als object.
  • In de hedendaagse tijd komt er verzet tegen de abstracte positie van het moderne subject. Vanaf de negentiende eeuw wordt het onwereldse ontmaskerd als een illusie. Het menselijk bestaan in onvermijdelijk tijdelijk, eindig en gelokaliseerd. Dit leidt tot decentrering van het subject. Denken en zijn worden anders bekeken: het denken kan niet losstaan van de werkelijkheid waarop het zich betrekt. Elke realiteit is maar een realiteit voor een bepaald denken. Er komt een nadruk op de manier waarop het subject in zijn denken en handelen bepaald wordt door instanties waarop het zelf geen grip heeft. 
  • Wetenschap kan aantonen dat iets wat contingent lijkt, dit in werkelijkheid niet is. Voorafgaand aan de moderne wetenschap dienden mythen, riten en magie dit doel. Daarnaast vond men steun en verklaringen in astrologie, religie, alchemie, kunst en filosofie.
  • 0.1 Vertrouwdheid en verwondering

  • Wat kan aanleiding geven tot verwondering?
    Het plotseling verdwijnen van de vertrouwdheid en de evidentie van de dingen rondom ons.
  • Wat bedoelde Plato met: 'de verwondering is het begin en het beginsel van de wijsbegeerte'?
    De verwondering grijpt de doorbreking van het alledaagse aan om onszelf en onze vertrouwde wereld in twijfel te trekken en op zoek te gaan naar nieuwe antwoorden. Uit deze verwondering is de filosofie in historische zin voortgekomen.
  • 1. Wat is verwondering?
    Een houding van reflectie, een nadenken over een ervaring.
  • Wat is verwondering
    Een houding van reflectie, van na-denken over een ervaring.
  • 2. Waarom is verwondering wezenlijk voor de filosofie?
    Zij gebruikt de doorbreking van het alledaagse aan om onszelf en onze vertrouwde omgang met de wereld in twijfel te trekken en op zoek te gaan naar nieuwe antwoorden.
  • Wat is wezenlijk voor de filosofie?
    De verwondering
  • 3. Wat is verwondering volgens Plato?

    De archè van de filosofie: het begin en het beginsel van de wijsbegeerte.
  • De verwondering is de archè van de filosofie. Wat zei Plato hierover?
    "Het is begin en het beginsel van de wijsbegeerte"
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

1. Wat is volgens Hannah Arendt het verschil tussen arbeiden en werken? *vraag proeftentamen 2*

Hannah Arendt spreekt over de arbeid van ons lichaam en het werk van onze handen.
Arbeid is volgens Arendt die vorm van menselijke activiteit die verbruiksgoederen produceert, bedoeld voor consumptie.
Daarmee beantwoordt arbeiden aan de biologische processen van het lichaam. Door de aard van haar producten is arbeid altijd cyclisch, circulair of repetitief (het is nooit "klaar", omdat de goederen geconsumeerd (verbruikt!) worden, en als ze niet geconsumeerd zouden worden, vanzelf in verval zullen raken en vergaan).
Arbeid is noodzakelijk om ons in leven te houden en wordt ons dus opgelegd door de natuur.

Werk is volgens Arendt die vorm van menselijke activiteit die artefacten of gebruiksgoederen fabriceert of maakt. In tegenstelling tot arbeiden heeft werken een duidelijk begin en einde. In het werk is het artefact het einddoel van het productieproces en het productieproces is het middel om dit doel te bereiken. De producten van het werk zijn dingen, die we niet verbruiken, maar gebruiken. Ze zijn daarmee duurzamer dan de verbruiksgoederen die wij door middel van arbeid produceren.
2. Charles Taylor verwijst met termen "identiteit", "waardigheid" en "authenticiteit" op de autonomie en zelfbepaling van de mens. Toch is zijn mens niet vergelijkbaar met het autonome subject uit de moderne tijd.Waarom niet? *vraag proeftentamen 1*

Volgens Taylor is de mens voor zijn identiteit altijd afhankelijk van de context, de ruimere structuur waarin het individu is ingebed.
Het subject is dus nooit volledig autonoom, en kan zichzelf niet volledig bepalen, zoals in de moderne tijd werd gedacht, omdat onze identiteit volgens Taylor tot stand komt binnen een onontkoombaar kader (inescapable framework) dat ons bestaan structureert en dat ruimer is dan het strikt individuele.
2. Isaiah Berlin onderscheidde twee vormen van vrijheid: negatieve vrijheid en positieve vrijheid. Leg uit wat het verschil tussen beide soorten vrijheid behelst. *proeftentamen 1*

Negatieve vrijheid is vrijheid van iets, namelijk vrijheid van belemmeringen.Wie negatieve vrijheid heeft, wordt door anderen niet verhinderd te doen wat hij wil.

Positieve vrijheid is vrijheid tot iets: wie positieve vrijheid heeft, is meester over zichzelf en kan zichzelf gestalte geven.
1. Isaiah Berlin heeft het beroemde onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid bedacht. ​​Wat is het verschil tussen positieve en negatieve vrijheid? *vraag leerstof met terugkoppeling*

Negatieve vrijheid:
de vrijheid van niet-inmenging, van geen belemmering.

Als de overheid zich niet bemoeit met mijn liefdesleven of mijn keuze voor een religie is dit een vorm van negatieve vrijheid. De vraag ‘Waarvan zijn wij vrij?’ is een vraag naar negatieve vrijheid.

Ofwel: negatieve vrijheid is vrijheid van (een belemmering).

Positieve vrijheid:
de vrijheid van zelfbeschikking.

Een individu heeft positieve vrijheid als het meester is over zichzelf.

De vraag ‘Waartoe zijn wij vrij?’ is een vraag naar positieve vrijheid. Ofwel: positieve vrijheid is vrijheid tot (een ideaal).
1. Waarom is de reflectie over 'identiteit' volgens Charles Taylor typisch modern?*vraag leerstof met terugkoppeling*

De moderne tijd ging gepaard met een mentaliteitsverschuiving, die samenhing met maatschappelijke veranderingen. Niet langer wordt bij geboorte bepaald wie men is. Het gevolg daarvan is dat de mens zelf gestalte moet geven aan zijn identiteit. Taylor wijst op de gevolgen van deze maatschappelijke verandering: identiteit is niet langer vanzelfsprekend, net zomin als de erkenning van mijn zelfbepaalde identiteit door de ander. Pas als identiteit en erkenning hun vanzelfsprekendheid verliezen, worden ze onderwerp van reflectie. Immers: reflecteren doen we uit verwondering: we reflecteren pas op een fenomeen als wij gewezen worden op diens anders-mogelijk-zijn. Identiteit kon dus volgens Taylor pas onderwerp van reflectie worden in de moderne tijd, toen ze haar vanzelfsprekendheid verloor.
1. In het citaat op pp. 283-284 van het handboek beschrijft Marx de wisseling van klassentegenstellingen in de loop van de geschiedenis met behulp van een ‘universele wet’.​​​​​​ ​​​​​Welke wet is dit? *vraag leerstof met terugkoppeling*

De wisseling van klassentegenstellingen wordt door Marx verklaard door de steeds terugkerende tegenstelling tussen (nieuwe) productiewijzen en (oude) productieverhoudingen (dat wil zeggen: de verdeling van rijkdom en macht). In een bepaalde historische periode ontstaan nieuwe productiewijzen. Onherroepelijk komt er dan volgens Marx een moment dat deze nieuwe productiewijze niet meer strookt met de productieverhoudingen.
In de tekst geeft Marx twee specifieke voorbeelden uit de geschiedenis:

  • de omwenteling van de feodale samenleving naar de burgerlijke samenleving
  • de omwenteling van de burgerlijke samenleving naar de klasseloze maatschappij.


Beide omwentelingen worden volgens Marx veroorzaakt door dezelfde universele wet: het ontstaan van een discrepantie tussen de nieuwe productiewijze en de oude productieverhoudingen.
1. Wat is Karl Marx’ belangrijkste bezwaar tegen het onderscheid tussen een privésfeer en een publieke sfeer? *vraag leerstof met terugkoppeling*

Volgens Marx leidt het onderscheid tussen een privésfeer en een publieke sfeer tot zelfvervreemding, omdat dit onderscheid impliceert dat politieke vrijheid principieel niet samenvalt met de complete menselijke vrijheid, aangezien deze complete menselijke vrijheid ruimer zou zijn dan de politieke vrijheid.
1. Wat is het belangrijkste verschil tussen het historisch referentiekader van Marx en dat van Tocqueville? *vraag leerstof met terugkoppeling*

Marx’ referentiekader is de universele theorie. Marx gaat op zoek naar universele principes of wetmatigheden in de geschiedenis: hij heeft dus vooral aandacht voor het algemene in de geschiedenis en de samenleving.

Tocqueville gaat uit van de historische particulariteit of individualiteit: hij heeft vooral aandacht voor de eigenheid, het specifieke van de samenleving die hij onderzoekt.
3. Welke oorzaken ziet Tocqueville voor een totalitaire democratie?
  1. tirannie van de meerderheid
  2. desinteresse van de burger voor de politiek
  3. de verzorgingsstaat: de burger tolereert diepgaande bemoeienissen van overheidswege in het eigen privéleven in ruil voor een verregaande "verzorging" vanwege de staat
2. Waarom is decentralisatie van de macht van belang volgens Tocqueville?
  1. centralisatie van de macht is bedreigend voor de vrijheid van de burger
  2. uitbouw van een modern, almachtig centraal gezag werkt de politieke apathie van de burger in de hand omdat het ver van de lokale realiteit beslissingen neemt