Summary woorden

-
269 Flashcards & Notes
5 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - woorden

  • 1 terminologie

  • miller experiment
     een illustratie van het ontstaan van organische moleculen in de veronderstelde oersoep. Het experiment is een nabootsing van de oeratmosfeer waarin nog geen zuurstofgas aanwezig was 
  • prokaryoot

     cellen die eenvoudig van bouw zijn en geen echte kern bezitten. het Dna bevindt niet in een door een membraan afgescheiden compartiment binnen de cel, maar zwerft rond de cel.  
  • eukaryoot


     eu= echt   karyo = kern

    cellen met een echte kern die het DNA bevat en door een membraan omlijnd is

     
  • endosymbiose theorie
     endosymbiose = manier van samenleven met wederzijds voordeel.

    Theorie volgens welke oorspronkelijk vrijlevende prokaryoten als organellen ( i.c. mitochondriën & chloroplasten ) in andere cellen zijn gaan leven. Zo zouden eukaryote cellen zijn ontstaan.

     
  • lynn margulis

     zij formuleerde de endosymbiose theorie 
  • mycose

     door een schimmel veroorzaakte ziekte 
  • gram kleuring 

    Genoemd naar de bacterioloog Gram. Het is een kleuringsmethode van bacteriën om ze te kunnen onderscheiden. 
    • Gram-positief: kleuren blauwpaars 
    • Gram-negatief: kleuren rood; 

  • coccen 

     Prokaryoot met ronde vorm 
  • bacillen 

      Prokaryoot met langwerpige vorm
  • spirillen
      Prokaryoot met kommavorm
  • fungi

     Het regnum van de Fungi omvat vertegenwoordigers als schimmels, paddenstoelen en gisten. Zij behoren tot het eukaryote celtype.
  • protoctista

     Eencellige protozoa en algen, meercellige wieren, slijmzwammen en waterschimmels.
  • protozoa 

      Afdeling in het dierenrijk van de eencellige organismen
  • oplossend vermogen microscoop

     
  • plasmalemma 

      ook wel celmembraan of plasmamembraan genoemd. De aflijnende wand van de cel.
  • fosfolipide 

     Een lipide (vet) die de belangrijkste bouwsteen van celmembranen vormt. Een verbinding afgeleid uit vetzuren, glycerol, fosforzuur en stikstofbestanddelen.

    Kop: hydrofiel
    Staart: hydrofoob
  • hydrofoob

     Hydrofobe stoffen zijn stoffen die waterafstotend zijn of niet of zeer slecht met water te mengen zijn. Hydrofoob betekent letterlijk `watervrezend`. 
  • hydrofiel

     wateraantrekken
  • integraal membraan proteïne

     Specifieke membraaneiwitten met een transmembraneus domein + intracellulair en/of extracellulair domein. Ze fungeren als kanaal of pomp om het transport te regelen. 

    Zonder aanwezigheid van deze proteïnen is dit niet mogelijk: biomembranen zijn lipofiel en dus ondoorlaatbaar voor wateroplosbare moleculen. 
  • diffusie

    de beweging van moleculen van plaatsen met hoge naar plaatsen met lage concentratie. 
  • osmose
      Beweging die water naar de plek stuurt met de hoogste zoutconcentratie.
    (een natuurlijk verschijnsel, kost geen energie). 
  • ionenkanaal

     
  • ionenpomp

    In en om de zenuwstel bevinden zich allerlei ionen. Na+ en K+ zijn het belangrijkste. 

    De celmembraan bevat eiwitten die voortdurend Na+-ionen naar buiten pompen en K+ - ionen naar binnen pompen. 

    Die eiwitten noemen we een natrium-kaliumpomp of een ionenpomp. 
  • hypertonisch

     in een hypertonisch milieu zullen cellen water verliezen en krimpen. De concentratie aan opgeloste stoffen intracellulair is dus lager dan extracellulair
  • isotonisch

      In een isotonisch milieu zal de celvorm steeds onveranderd blijven. De concentratie aan opgeloste stoffen intracellulair is dus even groot dan extracellulair.
  • hypotonisch

    In een hypotonisch milieu nemen cellen water op en zwellen tot ze lyseren. De concentratie aan opgeloste stoffen intracellulair is dus hoger dan extracellulair. 

    Eéncelligen lossen dit probleem op met hun pulserende vacuole.
  • homeostase

      Het in evenwicht zijn van alle functies in het lichaam (zoals temperatuur, zuurtegraad, bloeddruk en ademhaling) en het vermogen van het lichaam dit evenwicht te behouden, ondanks omgevingsinvloeden.
  • membraanpotentiaal

     De membraanpotentiaal is de elektrische spanning die staat over de membraan van een cel. 
  • nernst vergelijking

      Deze vergelijking drukt de evenwichtsmembraanpotentiaal uit.
  • RER

    Rough Endoplasmatic Reticulum. 

    De ribosomen die hieraan verankerd zijn vertegenwoordigen de eiwitsynthese- of translatiemechanismen voor de cel. 
  • SER 

       Smooth Endoplasmatic Reticulum. 

    Glad ER dient voornamelijk om stoffen vanuit het Ruw ER te vervoeren naar het Golgi-apparaat. 
  • ribosomen

      onderdeel van het cytoplasma, opgebouwd uit proteïne en RNA, nauw betrokken bij de eiwitsynthese 
  • polyribosoom

      Kortweg polysoom. Een polyribosoom is een mRNA-molecuul waaraan veel ribosomen gebonden zijn. Hierdoor krijgt het geheel het uiterlijk van een kralenketting. Door meerdere ribosomen het mRNA tegelijk te laten transleren verloopt de eiwitsynthese vele malen sneller.
  • peroxisoom

     Vesikel dat H2O2 bevat => zeer agressief. 

    Doden van binengedrongen bacteriën. In de lever zijn peroxisomen in staat giftige stoffen zoals alcohol te detoxificeren.
  • lysozoom

    Een lysosoom bevat lysosomale eiwitten. Lysosomen staan in voor de intracellulaire vertering: ze ruimen (oude) organellen op en schakelen ziekteverwekkers uit.
  • golgicomplex

    Het Golgi-apparaat bestaat uit een aantal platte cisternen met enige ruimte ertussen. In het Golgi-apparaat worden de producten afkomstig van het endoplasmatisch reticulum (ER) omgebouwd en opgeslagen, om dan later naar andere bestemmingen getransporteerd te worden. 
  • cytoskelet

      Het cytoskelet geeft structuur en vorm aan de cel maar dient ook als geleider van organellen die doorheen de cel vervoerd moeten worden. Het is opgebouwd uit:
    -microtubuli
    -microfilamenten
    - intermediaire filamenten.
  • microtubulus ( meervoud tubuli )

    In bijna alle celsoorten voorkomende, uiterst dunne buisvormige structuren van het eiwit tubuline, welke een rol spelen 
    - bij de handhaving van de celvorm, 
    - bij de bewegingen van organellen 
    - en deel uitmaken van de spoelfiguur bij celdeling.
  • dyneine proteine

    Transport langs de microtubuli vindt plaats via motor eiwitten, die letterlijk over de microtubuli lopen terwijl ze een compartiment meedragen. Dyneïne proteïne is zo'n motoreiwit die compartimenten naar het midden van de cel voert.
  • F-actine 

     F-actine is het hoofdbestanddeel van de microfilamenten. 

    F-actine wordt gevormd via verschillende stappen: G-actine 
    => Nucleatie : vorming van nucleus met aaneengebonden G-actine monomeren; 
    => Elongatie : G-actine monomeren binden verder vanaf de nucleus tot vorming van F-actine in onstabiele toestand.; 
    => Polymerisatie : bereiken van een "stea
  • intermediair filamenten

      Komt voor in netwerk doorheen de hele cel (cytoskelet) en aan juncties. ; Zitten vast aan het celmembraan en zorgen zo voor stevigheid.
  • centrosoom

      In eukaryote cellen ligt net buiten de kernenvelop het centrosoom (spoellichaampje), dat zich bij de celdeling verdubbelt, waarna elk centrosoom zich langzaam naar één kant van de kern beweegt.
  • centriool

    Een centriool bestaat uit negen tripletten van microtubuli. Het geheel van twee loodrecht op elkaar staande centriolen noemt men een centrosoom. Het is het microtubuli organiserend centrum.
  • solenoid model
      De transitie tussen chromatine en chromosomen is terug te voeren tot de moleculaire samenstelling en organisatie van die model dat condensering van chromatine tot staafvormige chromosomen en vice versa mogelijk maakt.
  • kinetochoor eiwit

      Op beide chromatiden van elk chromosoom ontwikkelt zich ter hoogte van het centromeer (dit is een insnoering in het chromosoom) een structuur van eiwitten: het kinetochoor.
  • nucleolus / kernklompje

      (`kerntje`) Kleine kern binnen de celkern (= nucleus) die ribosomen (eiwitproductie) aanmaakt die daarna de celkern verlaten. 
  • pseudopodium

     een schijnvoetjes

     Protozoa zoals de amoeba bewegen zich voort door de vorming van schijnvoetjes of pseudopodia. Ook de voedselopname gebeurt via deze pseudopodia: hij sluit voedselpartikels in met zijn schijnvoetjes. Zo wordt een voedselvacuole gevormd. Deze versmelt vervolgens met een lysosoom waardoor het partikeltje verteerd wordt.
  • undulipodium

     Bepaalde protozoa bewegen zich voort met behulp van zogenaamde undulipodia. 

    Bij het oogdiertje Euglena is dit onder de vorm van zweepharen of flagella, bij het pantoffeldiertje of Paramecium gebeurt de voortbeweging dan weer door middel van wimperhaartjes of cilia. 

    Undulipodia worden ondersteund door microtubuli: 9 dupletten en 1 centraal paar. 
  • chromatine

    Kernsubstantie bestaande uit DNA en eiwitten (histonen), die in de kern zichtbaar is als de kern niet in deling is.


    Kluwen van draden tijdens de interfase. Chromatine wordt verder gecondenseerd tot de uiteindelijke vorming van chromosomen. Chromatine is de stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd. Het bestaat voornamelijk uit DNA strengen, histonen of chromosoom-eiwitten waarrond het DNA is gedraaid tijdens de condensatie, en kleine hoeveelheden RNA.
  • chromosoom

      Een chromosoom is een staafvormige structuur in de celkern die uitsluitend zichtbaar is tijdens de celdeling. Deze structuur is ontstaan door condensatie van chromatine. Aan het eind van een chromosoom zit een telomeer. Er zijn autosomen, X-chromosomen en Y-chromosomen.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

spirillen
  Prokaryoot met kommavorm
bacillen 
  Prokaryoot met langwerpige vorm
coccen 
 Prokaryoot met ronde vorm 
gram kleuring 
Genoemd naar de bacterioloog Gram. Het is een kleuringsmethode van bacteriën om ze te kunnen onderscheiden. 
• Gram-positief: kleuren blauwpaars 
• Gram-negatief: kleuren rood; 

lynn margulis
 zij formuleerde de endosymbiose theorie 
endosymbiose theorie
 endosymbiose = manier van samenleven met wederzijds voordeel.

Theorie volgens welke oorspronkelijk vrijlevende prokaryoten als organellen ( i.c. mitochondriën & chloroplasten ) in andere cellen zijn gaan leven. Zo zouden eukaryote cellen zijn ontstaan.

 
eukaryoot
 eu= echt   karyo = kern

cellen met een echte kern die het DNA bevat en door een membraan omlijnd is

 
prokaryoot
 cellen die eenvoudig van bouw zijn en geen echte kern bezitten. het Dna bevindt niet in een door een membraan afgescheiden compartiment binnen de cel, maar zwerft rond de cel.  
miller experiment
 een illustratie van het ontstaan van organische moleculen in de veronderstelde oersoep. Het experiment is een nabootsing van de oeratmosfeer waarin nog geen zuurstofgas aanwezig was 
celklone 
  Via mitose of aseksuele vermenigvuldiging de dochtercellen genetisch identieke kopieën vertegenwoordigen van de oudercel. Alle cellen, via opeenvolgende mitoses afstammend van eenzelfde oudercel, worden aangeduid als kloon.