Summary Woordenschat

-
246 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

PREMIUM summaries are quality controlled, selected summaries prepared for you to help you achieve your study goals faster!

Summary - Woordenschat

  • 1 Nociones específicas

  • identificeren
    identificar (c/qu)
  • de identificatie, persoonsbeschrijving
    la identificación
  • de identiteit
    la identidad
  • de identiteitskaart
    el carné/carnet de identidad
  • het gegeven
    el dato
  • de verwijzing, referentie
    la referencia
  • verwijzen (naar X), zinspelen op X, betrekking hebben op X
    referir (a X) referirse a X (ie, i)
  • de persoon
    la persona
  • het individu
    el individuo (pey.)
  • het individu (pey.)
    el sujeto
  • het onderwerp (gram)
    el sujeto
  • beschrijven
    describir
  • de beschrijving
    la descripción
  • het visitekaartje
    la tarjeta
  • de kaart
    la tarjeta
  • de voornaam
    el nombre
  • de naam
    el nombre
  • de familienaam
    el apellido
  • noemen
    llamar
  • (op)roepen
    llamar
  • kloppen (llamar) (op de deur)
    llamar
  • ze noemen me X
    me llaman X
  • heten, genoemd worden
    llamarse X
  • ik heet X
    me llamo X
  • meneer (X),  mevrouw (X)
    señor X, Señora X
  • de dame
    la señora
  • jeffrouw
    siñorita
  • meneer X/ mevrouw X (beleefdheidsvorm, voor voornaam geplaatst)
    don X, doña X
  • Don José
    Don José
  • de heer José Camilo Cela
    Don José Camilo Cela
  • (onder)tekenen
    firmar
  • de handtekening
    la firma
  • de firma
    la firma
  • het handschrift
    la letra
  • de letter
    la letra
  • de tekst van een liedje
    la letra
  • het adres
    la dirección
  • de richting
    la dirección
  • het bestuur
    la dirección
  • het adres
    la señas
  • schrijf je adres op!
    ¡pon tus señas en el sobre!
  • het teken (de wenk)
    la seña(l)
  • wijzen op X
    señalar X
  • leven
    vivir
  • wonen
    vivir
  • leve...!
    ¡viva(n) ...! (subj.)
  • de straat
    la calle
  • het plein, de marktplaats
    la plaza
  • de laan
    la avenida
  • het nummer, getal, cijfer
    el número
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Frankrijk
Francia
de Fransman/ Franse
el francés/ la francesa (n.)
Frans
francés/ francesa (adj.)
Duitsland
Alemania
de Duitser/Duitse
el alemán/ la alemane (n.)
Duits
alemán/alemana (adj.)
Europa
Europa
de europeaan, europese
el europeo/la europea (n.)
Europees
europeoo, -a
De Midden-Amerikaan(se)
el centroamericano/ la centroamericana (n.)