Summary ZHB III

-
617 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - ZHB III

  • 1.1 HC: Anatomie oog, neus schedel

  • Wat is de orbita en hoe liggen de wanden?
    De orbita is een piramidevormige ruimte waarvan de putn naar mediaal-achter en de basis naar voren is gericht. De orbita heeft vier wanden die allemaal min of meer driehoekig zijn. De mediale wanden van beide orbita's lopen ongeveer parallel aan elkaar, de laterale wanden staan bijna loodrecht op elkaar.
  • Wat zijn de verschillende botten in de orbita?
    · Os frontale (blauw)
    · Os zygomaticum (oranje)
    · Maxilla (groen)
    · Os lacrimale (paars)
    · Os ethmoidale (grijs)
    · Os sphenoidale (geel)
    · Os palatinum (roze)
  • Waardoor wordt het dak van de orbita gevormd?
    • Os frontale
    • Klein beetje os sphenoidale 
  • Waardoor wordt de mediale wand van de orbita gevormd?
    Maxilla, os lacrimale, os ethmoidale, os sphenoidale
  • Waardoor wordt de laterale wand van de orbita gevormd?
    Os zygomaticum en een deel van os palatinum 
  • Waardoor wordt de bodem van de orbita gevormd?
    Delen maxilla, os palatinum, os zygomaticum
  • In de orbita bevinden zich een aantal openingen voor doorgang van vaten en zenuwen. Welke?
    • In de apex van de piramide ligt de canalis opticus. Hierdoor verlaat de n. Opticus de orbita en komt de a. Ophthalmica de orbita binnen.
    • In de laterale wand van de orbita bevindt zich de fissura orbitalis superior. Deze verbindt de orbita met de fossa cranii media. Door de fissura orbitalis superior verlopen onder andere de zenuwen die de oogspieren innerveren.
    • Caudaal hiervan ligt de fissura orbitalis inferior, welke de orbita met de fossa pterygopalatine en de fossa infratemporalis verbindt.
    • Door beide fissurae verlopen naast zenuwen ook ateriën en venen.
  • Wat is de arteriele bloedvoorziening van de orbita?
    De a. Opthalmica takt af van de a. Carotis interna en verloopt samen met de n. Opticus door de canalis opticus. Hij betreedt de orbita door de canalis opticus onder de n. Opticus. In de orbita komt de arterie boven de zenuw te liggen. 

    De a. Opthalmica vasculariseert naast structuren in de orbita ook het bovendeel van de neusholte, de oogleden en het voorhoofd. 
  • Wat is de veneuze vascularisatie van de orbita?
    De veneuze afvloed verloopt via de v. Opthalmica superior en inferior, welke draineren in de sinus cavernosus. Aan de anterieure zijde vormen de vv. Opthalmicae anastomosen met de v. Facialis. Verder is er een verbinding tussen de v. Opthalmica inferior en de plexus pterygoideus. 

    Aangezien deze venen geen kleppen hebben, kunnen infecties van gelaat, neus en orbita zich uitbreiden naar de sinus cavernosus en leiden tot een hersenvliesontsteking. 

    Ter hoogte van de venaar van de oogbol zijn de vv. Vorticosae te  vinden. Deze venen staan in verbinding met de sinus cavernosus, maar ook met de v. Facialis.
  • Het oog bevat intrinsieke en extrinsieke oogspieren. Wat is het verschil hiertussen?
    De intrinsieke oogspieren verzorgen de regulatie van de pupilgrootte en de accomodatie van de lens. De extrinsieke oogspieren hebben hun insertie op de oogbol en kunnen daardoor het oog als geheel bewegen.
  • Wat zijn de extrinsieke oogspieren?
    Er zijn zes extraoculaire of extrinsieke spieren, die de oogbol kunnen bewegen: vier rechte en twee schuine. 
    • m. Rectus superior
    • m. Rectus inferior
    • m. Rectus medialis 
    • m. Rectus lateralis 
    • m. Obliquus superior
    • m. Obliquus inferior
  • Hoe verlopen de vier mm. Recti?
    De vier mm. Recti hebben een min of meer continue origo (oorsprong) aan een verdikking van het periost in de punt van de orbita: de anulus tendineus communis (van Zinn). Dit is een ringvormige pees. De mm. Recti lopen naar voren, divergeren naar de oogbol en vormen zo een conus (kegel) van spieren die de orbita opdeelt in een gedeelte buiten en een gedeelte binnen de conus.
  • Hoe loopt de m. Obliquus superior?
    De m. Obliquus superior heeft zijn origo aan het os sphenoidale, boven de canalis opticus. Vandaar loopt de spier naar de mediale ooghoek waar hij overgaat in een dunne pees. De pees loopt door een ring (katrol, rochlea) van kraakbeen die bevestigd is aan het bovenste gedeelte van de mediale wand van de orbita. Vervolgens buigt de m. Obliquus superior naar lateraal/achter om onder de m. Rectus superior (dus binnen de conus) aan de sclera vast te hechten.
  • Hoe verloopt de m. Obliquus inferior?
    De m. Obliquus inferior heeft zijn origo aan de mediale voorzijde van de orbita bodem en loopt schuin naar lateraal-achter om onder de m. Rectus lateralis (dus binnen de conus) aan de sclera vast te hechten.
  • 1.2 HC - Oogheelkunde (deel 1)

  • Met name leeftijd is een belangrijke risicofactor voor ontstaan van oogziektes. Diabetische retinopathie, AMD (macula degeneratie), glaucoom, cataract hebben hier een groot aandeel in.
    De impact van oogziektes op kwaliteit van leven is enorm.
  • Wat zie je als je het oog van voor tot achter doorloopt?
    • Aan voorkant: eerst cornea met traanfil
    • Vervolgens: voorste oogkamer, iris met pupil, de ooglens die is opgehangen in ophangsysteem --> zit vast aan het corpus ciliaire. 
    • Achter in de binnenste oogbol heb je een grote ruimte, glasvocht ruimte. Zit een klein vliesje aan die vastzit aan het netvlies. 
  • Wat zijn de 3 lagen van de wand van het oog?
    - Netvlies: opgebouwd uit verschillende lagen.
    - Vaatvlies, choroidea
    - Sclera: wordt ook wel de harde oogrok genoemd, bescherming van het oog. 
  • Waar komen alle uitlopers van het netvlies in samen?

    Alle uitlopers van netvlies komen samen in de n. opticus, die via de hersenen naar de achterste hersenschors loopt.  
  • Wat is het traanfilm en waar bestaat het uit? Waardoor geproduceert?
    Over de cornea heen ligt de traanfilm wat wordt geproduceerd vanuit de traanklier. De traanklier ligt temporaal boven de oogkas, en heeft afvoergangetjes onder de oogleden. Traanklier zorgt voor aanvoer van water, maar dit verdampt heel snel vanwege het warme oppervlak. Het lichaam voegt daarom lipiden toe zodat de traanfilm langer op het oog blijft. De lipiden zorgen ook voor bescherming tegen bacteriën.

    De lipiden geproduceerd door talgkliertjes zoals de klieren van Meibom en de slijmbekercellen van de conjunctiva.  
  • Wat is het traanapparaat?

    De bovenste en onderste traanafvoergangen komen samen in de traanzak die naar de neus gaat. Dit is de reden dat je gaat snotteren als je huilt, en ook een geïrriteerd oog kunt krijgen als je verkouden bent.  Onder orbicularisspier ligt de traanklier. 
  • Uit welke drie lagen bestaat de uvea?
    Bestaat uit 3 lagen:
    • - Iris: diafragma van oog, waarmee je pupil groter of kleiner kan maken.
    • - Corpus ciliare: aanmaken van kamerwater. Daarnaast zorgt het voor het accommodatievermogen van de lens. 
    • - Vaatvlies, Choroidea: Bestaat uit verschillende vaatllagen:
      • o Lamine vasculosa: buitenste vaten-uvea
      • o Lamina choriocapillaris: binnenste vaten-netvlis, fovea
      • o Membraan van Bruch: basaalmembraan pigmentblad
  • Wat zijn eigenschappen van het corpus ciliare?
    - Radiaire en circulaire spieren
    - Accommodatie
    - Productie van kamerwater
  • Wat zijn eigenschappen van de iris?
    - Pupil
    - Zit een spier in die zorgt voor pupilreactie
    • o M. sphincter pupillae (para), m. dilatator pupillae (symp)

    - Anisocorie: ene oog grotere pupil dan andere. Hoeft niet perse pathologisch, kan wel
    - Miosis is een smalle pupil
    - Mydriasis is een wijde pupil 
  • Waar bestaat de retine, bekleding binnenwand oog uit?
    Bestaat uit fotoreceptoren:
     - 6 miljoen kegeltjes die met name in het centrum van het netvlies zitten. In de macula, de gele vlek (donkere vlek in afbeelding), bevinden de meeste kegeltjes zich. De fovea is de kern van de macula. Ze zijn belangrijk voor kleur en scherpte zien.
    - De rest van netvlies bestaat uit staafjes, zijn minder gevoelig, maar je kunt hier wel licht en donker en bewegingen mee zien. Zijn 120 miljoen staafjes. 
  • Uit welke verschillende laagjes bestaat de retina?
    - Pigmentblad: absorbeert licht. Bevindt zich aan de basis.
    - Kegeltjes en staafjes
    - Bipolaire cellen: maken contact met ganglioncellen
    - Ganglioncellen: hebben uitlopers die richting n. opticus lopen 
  • Wat is het pigmentepitheel functie?
    - Absorptie van licht
    - Vitamine A metabolisme
    - Bloed-retina barrière. Bescherming van de binnenkant van het oog.
    - Fagocytose fotoreceptoren
    - Warmte/zuurstof uitwisseling choroidea 
  • Wat is de voorste oogkamer?

    Is de ruimte die tussen de binnenkant van cornea ontstaat en de lens. Is gemiddeld 3mm diep. Het kamerwater wordt gemaakt door corpus ciliare, stroomt langs de lens, pupil, naar de kamerhoek waar het wordt afgevoerd. In het trabekel systeem en de watervenen wordt het vocht afgevoerd naar de rest van het lichaam.  
  • Wat is het verschil tussen een gesloten en een open kamerhoek glaucoom?
    Op het bovenste plaatje is wat meer ruimte in kamerhoek en op het onderste plaatje wat minder. Als er genoeg ruimte is dan functioneert het systeem, en wordt er genoeg water afgevoerd en aangemaakt. Als dit systeem goed functioneert maar er is nog steeds sprake van een te hoge oogdruk spreken we van een openkamer hoek glaucoom. We spreken van een gesloten kamerhoek glaucoom als de kamerhoek afgesloten is, of de lens is gezwollen of er is een andere anatomische afwijking en er is sprake van een te hoge oogdruk. Het vocht wordt in dit geval slecht afgevoerd. 
  • Wat is de achterste oogkamer, glasvochtruimte?
    Glasvocht is opgebouwd uit water, hyaluronzuur en collageen. Het heeft een hoge viscositeit. Als je ouder wordt neemt de viscositeit af, het glasvocht krimpt. Er kunnen dan troebelingen in het glasvocht komen wat kan worden gezien als floaters krijgen. Dit is in principe onschuldig tenzij glasvocht door deze krimping aan het netvlies gaat trekken want het zit op een aantal plaatsen vast aan het netvlies. Er kan zo een gaatje in het netvlies ontstaan en als gevolg daarvan een netvlies loslating. 
  • Wat is de de lens?
    Ontstaat uit ectoderm. Er is een actieve stofwisseling van voedingsstoffen middels het kamerwater. Belangrijk dat lens goed kan scherpstellen, accommodatie. Als je jong bent kan je dit nog goed omdat de lens zacht is, maar vanaf 40ste neemt het af omdat de lens stugger wordt.
     
    Als de lens troebel wordt spreken we van cataract. 
  • Wat zijn de oogleden en conjuctiva. Wat kan hiermee gebeuren?
    De binnenkant van de oogleden bevatten talgkliertjes, die zorgen voor vetlaagje in de traanfilm. De binnenkant van het ooglid is bekleed met de conjunctiva, dit loopt door over de oogbol. De conjunctiva kan ontstoken raken, conjunctivitis. Als het ontstoken is dan wordt het oog rood (Virale conjunctivitis, traanvocht wat wateriger), en er wordt vaak pus gevormd (bacteriële conjunctivitis).
  • Wat zie je vaak dat er gebeurt bij een trauma (klap tegen het oog)?
    Als er een trauma is (klap tegen het oog), dan zie je vaak dat de maxilla breekt en met name op de orbita bodem. 
  • Wat is het visuele systeem?
    Uitlopers van het netvlies verzamelen zich in de oogzenuw en lopen dan via oogzenuw naar de hersenen. De banen van nasale netvlies kruisen in chiasma optica, en komen dan in de achterste schors. Delen van het temporale netvlies kruisen niet. Hiermee benut je je hele gezichtsveld optimaal.

    Als je een gezichtsveldonderzoek doet kun je nagaan waar de laesie zit:
  • Waar is sprake van bij uitval van het chiasma optica?
    Bij uitval van chiasma optica is er sprake van een bitemporale hemianopsie. 
  • Wat is visus?
    Visus is hetzelfde als gezichtsscherpte, wat iemand ziet. Dit is gemiddeld 100%, 1,0. De visus is ooit gestandaardiseerd door professor Snellen. Is gestandaardiseerd, patiënt zit op 6m afstaand voor letterkaart, als hij dan regel van 1,0 kan lezen dan heeft hij een visus van 1. Als hij nog kleinere letters kan lezen dan spreken we bijv. van een visus van 1,5.
    • - De formule is: Visus = afstand waarop patiënt het ziet/standaard afstand. V = d/D. 
  • Wat is een stenopeïsche opening? Wat kun je hiermee testen?
    Stenopeïsche opening: je laat patiënt door een klein gaatje kijken, waardoor je de lichtbron direct op de gele vlek richt. Hiermee omzeil je mediatroeblingen. Bij iemand met mediatroebelingen zie je vaak dat de visus verbeterd als in ieder geval de macula functie intact is. Het is een truc om te kijken of de slechte visus aan mediatroebelingen of aan een slecht netvlies ligt.  
  • Wat zijn de brekingsafwijkingen?
    • - Emmetropie: oog waarbij brandpunt van invallend licht precies op lichtpunt valt. Je kunt het licht dat van de verte komt scherp zien zonder hulpmiddel. Dit heeft met name te maken met de as-lengte van het oog.
    • - Myopie (bijziend): oog is wat langer waardoor brandpunt voor het netvlies valt.
    • -         Hypermetropie (verziend): te kort oog waardoor het brandpunt achter het netvlies valt. 
  • Wat is antistigmatisme?
    Is ook een brekingsafwijking waarbij het licht in een bepaalde richting wordt afgebogen. Heeft te maken met de kromming van hoornvlies. Idealiter is de helemaal rond, maar bij sommige mensen is dit een beetje ovaal. Dit kan worden gecorrigeerd met een cilindrisch glas. 
  • Waar bestaat een brilvoorschrift uit?
    Je hebt een sferisch gedeelte en een cilindrisch gedeelte, en er zit altijd een bepaalde richting (as) op. Bij myopie heb je een concave lens, en bij hypermetropie een convectie lens. Een brilvoorschrift is dus opgebouwd uit 3 componenten: sferisch, cilindrisch en de cilindrische as. Voor mensen die een leesbril nodig hebben kan er een additie voor dichtblij bijkomen. 
  • Hoe verloopt accommodatie gedurende het leven?
    De accommodatie is afhankelijk van de kwaliteit van de lens. Als je jong bent heb je nog een enorme range in accommodatievermogen (tussen de 11 en 16 dioptrieën). Naarmate leeftijd vordert gaat dit vermogen hard achteruit, rond 60ste ongeveer op maximale verlies aan accommodatie. Rond 40ste mensen hebben mensen een leesbril nodig. Dit noem je presbyopie. 
  • Wat voor functieonderzoeken kun je doen?
    • Spleetlamp 
    • Oogdrukmeting
    • Perimetrie, gezichtsveldonderzoek 
    • Optical coherence tomography (OCT)
  • Wat is spleetlamp onderzoek?
    Is de microscoop waarmee we in de spreekkamer het oog in detail kunnen bekijken. 
  • Hoe werkt oogdrukmeting?
    Aplanatie tonometrie. Er wordt een blauw lampje tegen het oog aangeleged, er ontstaan twee blauwe cirkels die tegen elkaar moeten gaan liggen. Vervolgens kun je de oogdruk meten. Tegenwoordig wordt het ook vaak gedaan met luchtpufjes.
    • - Normale oogdruk: 10-21 mmHg. Schommelt erg over de dag.
    • -         Als mensen chronische verhoogde oogdruk hebben en gezichtsvelduitval, en n. opticus schade spreken we van glaucoom. Dit is ook de 2e oorzaak van blindheid in de wereld, komt veel voor in Afrika. Dit is een chronische ziekte die mensen pas laat ontdekken, je hebt er weinig last van als het niet heel hoog is. 
  • Wat is perimetrie, gezichtsveldonderzoek?

    Bij dit onderzoek laat je de patiënt naar een lampje kijken, en op het moment dat de patiënt een lichtje ziet dan moet hij op een knopje drukken. Hiermee meet je schade die ontstaan is aan uitlopers van netvliescellen.  
  • Wat is optical coherence tomography (OCT)?
    Hiermee kunnen we met lichtbron een doorsnede maken van het netvlies. Je ziet in de afbeelding de verschillende laagjes van het netvlies ter hoogte van de macula (het kuiltje).

    Afwijkingen:
    • - Links gat in gele vlek
    • - Rechts veel oedeem
    • - Onder: iets in netvlies iets wat er niet hoort te zitten. Dat is in dit geval neovascularisatie. 
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

1. Welke andere psychiatrische stoornissen komen vaak samen voor met ADHD en waarom is het van belang deze in kaart te brengen?
ADHD komt vaak samen voor met andere psychiatrische stoornissen. Deze geassocieerde stoornissen zijn meestal bepalend voor de prognose. Tussen 50 en 80 procent van de kinderen en jeugdigen met ADHD voldoet ook aan de criteria voor een andere diagnose. Aangezien comorbiditeit gevolgen kan hebben voor behandeling en prognose is het van belang die goed in kaart te brengen. De belangrijkste met ADHD voorkomende stoornissen zijn:


- Normoverschrijdend-gedragsstoornis. Normoverschrijdend-gedragsstoornis en de lichtere variant ervan, de oppositioneel-opstandige stoornis, komen zeer vaak samen met ADHD voor. Ongeveer de helft van alle kinderen en jeugdigen met ADHD zou ook een normoverschrijdend-gedragsstoornis ontwikkelen. Staan beide onder invloed van dezelfde genen en zijn geassocieerd met negatieve opvoedingspatronen.


- Angst en depressie: Niet duidelijk waarom het met ADHD voor kan komen. Voor sommige kinderen zouden het geringe gevoel van eigenwaarde en de onzekerheid ten gevolge van ADHD een rol kunnen spelen bij het ontstaan van emotionele problemen zoals angst en depressie.


- Stoornissen in de ontwikkeling van taal, leren en motoriek.


- Autismespectrumstoornissen (ASS).
- Ticstoornissen.
- Middelenmisbruik
- Slaapproblemen 
1. ADHD leidt vaak tot geassocieerde problemen op school, met leeftijdsgenoten en in het gezin. Beschrijf welke problemen veelvuldig geassocieerd worden met ADHD. 
- Op school: leerstoornissen, geringe schoolprestaties, vervroegd verlaten van school.
- Met leeftijdsgenoten: conflicten, afwijzing, gepest worden.
- Met ouders: afwijzing van kind, te harde en negatieve aanpak, beleving van stress en incompetentie door de ouders van het kind in de opvoeding.
- Met leerkracht: afwijzing, te harde en negatieve aanpak
- In gezin: Conflicten met andere gezinsleden, huwelijksconflicten ouders, sociaal isolement gezin, ouderlijke psychopathologie, armoede
- Van kind of jeugdige zelf: geringe frustratietolerantie, prikkelbaarheid, gering gevoel van eigenwaarde, ontmoediging, depressie, angst. 
Hoe kan het kind beperkingen ervaren van impulsiviteit?
a. Impulsiviteit: hiermee wordt ten eerste het observeerbare, ongecontroleerde gedrag van kinderen en jeugdigen bedoeld waarbij een eenmaal in gang gezette actie niet meer afgeremd kan worden. Zij lijken ongevoelig voor de gevolgen van hun gedrag of kunnen de gevolgen niet overzien. Er is sprake van een gebrekkige gedragsregulering. Kinderen en jeugdigen met ADHD hebben regelmatig ongelukjes en zij maken vaak dingen die in hun handen komen kapot.
De tweede vorm van impulsiviteit verwijst naar een cognitieve strategie die gekenmerkt wordt door een te snelle, vaak onjuiste, oplossing van een probleem. Het kind of de jeugdige reageert voordat het probleem volledig begrepen is en voordat er lang genoeg nagedacht is over mogelijke oplossingen. 
Hoe kan het kind beperkingen ervaren van hyperreactiviteit?
a. Hyperreactiviteit: Dit is het onrustig friemelen met handen, spelen met voorwerpen, draaien van het hoofd of draaien en wiebelen op de stoel, en het voortdurend opstaan en rondlopen. 
Hoe kan het kind beperkingen ervaren van onoplettendheid?
a. Onoplettendheid: zichtbaar in de vorm van afdwalen van de taak, gebrek aan doorzettingsvermogen, moeite om de aandacht ergens bij te houden en ongestructureerd te werk gaan. Onoplettend gedrag uit zich in chaotisch en ongeorganiseerd gedrag, fladderen van de ene niet-afgeronde bezigheid naar de andere en snel afgeleid zijn. In de klas luisteren kinderen met onoplettendheid slecht, nemen opdrachten niet in zich op, verliezen of vergeten dingen, zijn slordig, beginnen ondanks aansporing te laat aan werk of opdrachten op school en maken deze niet op tijd af. 
1. Noem de kernsymptomen van ADHD en beschrijf waar een kind beperkingen van kan ervaren in zijn dagelijks leven. 
  • Onoplettendheid 
  • Hyperreactiviteit 
  • Impulsiviteit
Wat is er naast de gen/omgevingsinteractie?
Ook gen/omgevingscorrelatie:
kinderen vormen de omgeving door hun gedrag
Wat zijn de omgevingsfactoren die een rol spelen bij ADHD?
– Pre & perinataal: roken, alcohol, drugs tijdens zwangerschap; laag geboortegewicht
– Conflicten binnen het gezin & Psychopathologie bij ouders
– Harde en weinig warme opvoedstijl van de ouders
– Lage sociaal-economische status
– Maatschappelijke factoren? Grotere schoolklassen; hoge eisen; minder frontaal/klassikaal onderwijs
Wat zijn de kindfactoren van ADHD?
– Genetische factoren (heritabiliteit 75-85 %). Invloed mn obv gen-omgevingsinteractie; weinig op zichzelf staande genetische factoren.
– Betrokkenheid dopaminerge genen
– Genetisch-syndromale beelden waarbij ADHD klachten sterker genetisch bepaald zijn (neurofibromatose, fragiele X, XYY)
Wat is de etiologie van ADHD?
• Multifactoriële origine, diverse ontwikkelingspaden kunnen leiden tot ADHD symptomen.