Summary ZHBII

504 Flashcards & Notes
1 Students
  • This summary

  • +380.000 other summaries

  • A unique study tool

  • A rehearsal system for this summary

  • Studycoaching with videos

Remember faster, study better. Scientifically proven.

Summary - ZHBII

  • 1.1 e-module histologie van pees- en spierweefsels

  • Hoe zijn skeletspieren opgebouwd?
    Skeletspieren bestaan uit bundels van spiervezels die ook wel fasciculi (enkelvoud: fasciculus)  worden genoemd. Spiervezels zijn cilindervormige cellen van 10-100 micrometer groot.


    Spiervezels worden omgeven door het sarcolemma ( = celmembraan). Het sarcolemma scheidt het interne milieu van de cel met de buitenomgeving en is in staat om stoffen selectief de cel in en uit te laten.
  • Skeletspieren worden omgeven door bindweefsel. Van buiten naar binnen zie je de volgende bindweefselstructuren:
    • Het epimysium is een externe schede van dicht onregelmatig bindweefsel die de hele spier omgeeft.

    • Het perimysium is een dunne bindweefsellaag die een bundel spiervezels (= fasciculus) omringt. Elke bundel van spiervezels vormt een functionele eenheid waarin de vezels samenwerken. Zenuwen, bloedvaten en lymfevaten doorboren het perimysium om elke spiervezelbundel te bereiken.

    • Binnen de bundel spiervezels omgeeft een zeer dunne laag, het endomysium, de individuele spiervezels. Naast zenuwvezels vormen capillairen een rijk netwerk in het endomysium, dat O2 naar de spiervezels brengt. Het endomysium ligt over het sarcolemma (= celmembraan) van de spiervezel.

    Endomysium, perimysium en epimysium zijn continu met elkaar verbonden en de contractiekracht wordt via deze onderlinge verbindingen doorgegeven aan het bot.  
  • In het sarcolemma zie je inkeepingen, waardoor worden deze veroorzaakt? Wat is de functie ervan?
    Deze buisvormige inkepingen worden de T-tubuli genoemd. Deze T-tubili penetreren diep in het sarcolemma en omcirkelen elke myofibril.


    Naast de T-tubuli bevindt zich in de spiervezel ook het sarcoplasmatisch reticulum.


    Via de T-tubili wordt de Ca2+  in de hele spier gelijktijdig verspreid. Zo wordt het overal gelijktijdig opgenomen door het sarcoplasmatisch reticulum om een uniforme samentrekking van alle myofibrillen te bewerkstelligen.
  • Wat zie je als je verder inzoomt op spiervezels?
    Indien er nog verder wordt ingezoomd op de individuele spiervezels zie je dat deze bestaan uit myofibrillen (afbeelding 1.5). Myofibrillen bestaan actine- en myosine filamenten.

    Binnen de spiervezel liggen de actine- en myosinefilamenten netjes naast en achter elkaar gerangschikt. Een segment van naast elkaar gelegen myosine- en actinefilamenten binnen de spiervezel wordt een sarcomeer genoemd.  
  • Wat is myosine?
    Myosine is een eiwit dat een stuk dikker is dan het actine filament. Myosine filamenten bestaan uit een staart met een kop eraan. Op deze kop zijn er bindingsplekken voor Actine en ATP.
  • Het actine complex bestaat uit de volgende onderdelen:
    • Actine: bestaande uit G-actine (bindplaats voor ATP) en F-actine (filamenteuse vorm van actine filament)
    • Tropomyosine
    • Troponine
  • Wat is de rol van dystrofine?
    Naast de eiwitten actine en mysoine bevindt zich ook het eiwit dystrofine in de spiervezel.
    Dystrofine verbindt het actine filament met het sarcolemma (afbeelding 1.6) en verschaft zo stabiliteit aan de spiervezels tijdens de contractie.

  • In afbeelding 1.7 is een vereenvoudigde weergave van het dystrofine eiwit te zien. Hierin is te zien dat het eiwit dystrofine is gerelateerd aan de aandoeningen Becker spierdystrofie en ziekte van Duchenne. Wat gebeurt er bij Becker spierdystrofie?
     Bij Beckerspierdystrofie (afbeelding 1.7-B) is het dystrofine eiwit te kort waardoor de spieren niet goed kunnen functioneren. 
  • Wat gebeurt er bij de ziekte van duchenne?
    Als er sprake is van de afwezigheid van de verbinding tussen het actine eiwit en het sarcolemma dan spreekt men van de ziekte van Duchenne (afbeelding 1.7-C). De ziekte van Duchenne begint vaak op kinderleeftijd en leidt tot progressieve spierverslapping en afname van spiervolume.
  • Hoe zijn pezen opgebouwd?
    In deel 1.2 zijn de verschillende bindweefsellagen van de spier besproken (endomysium, perimysium en epimysium). Eenzelfde opbouw zie je ook terug in de opbouw van de pees. Mede daardoor kun je de pees qua opbouw zien als een verlenging van de spier.


    Het collageen is in de pezen gerangschikt in fascikels welke zijn omgeven door endotenon. Het endotenon is een dun vlies waarin zich ook bloedvaatjes, lymfevaatjes en zenuwvezels lopen.


    De peesfascikels worden gezamenlijk omgeven door een wit glinsterend vlies, het peritenon (of epitenon). Het is een glijlaag ten opzichte van de peesomgeving waarin onder andere fibroblasten aanwezig zijn. De gehele pees wordt omgeven door een bindweefsellaag die het peritendineum wordt genoemd.


    Door de bovengenoemde continuïteit tussen spier en pees wordt de kracht, gegenereerd door de spier, overgedragen via de pees op het bot.
  • Welke vezels zie je als je naar een pees kijkt door een microscoop?
    Pezen bestaan voor 99% uit collagene vezels type I. Verspreid tussen het collageen liggen ook elastinevezels. De belasting van de pezen komt overwegend uit één richting en mede daardoor is de rangschikking van de collagene bundels zeer parallel georiënteerd. Daarbij vertoont het onbelaste peescollageen een duidelijk gegolfd verloop (zie afbeelding 2.1).

  • Hoe ziet de musculo-tendineuze overgang (‘spier-pees overgang’) eruit?
    De musculo-tendineuze overgang is een overgang waarbij er sprake is van een nauwe relatie tussen spier en pees. Het epimysium van de spier zet zich onder andere voort in het peritendineum van de pees. De collagene vezels van de pees liggen ingebed in uitstulpingen van het uiteinde van de spiervezel.

    Zoals te zien is in afbeelding 3.1 is tussen de myofibrillen van de spier en de fibrillen van de peesvezels het sarcolemma aanwezig. Deze structuren lopen dus niet in elkaar over. De reden hiervoor is dat de spiervezels te beschouwen zijn als een cel omgeven door een celmembraan (= sarcolemma). Daarentegen zijn de peesvezels geen onderdeel van de peescel, peesvezels bevinden zich namelijk buiten de peescel.

    De overgang van spiervezels naar de peesvezels is een relatief zwakke plek van de spier.
       
  • Wat is de osteo-tendineuze overgang?
    De aanhechting. De osteo- tendineuze overgang wordt ook wel de 'enthesis' genoemd.
  • De enthesis is in te delen in vier zones:
    • Zone 1: Pees - Deze zone bestaat uit de tenoblasten (de collageenvezels van type I).
    • Zone 2: Fibrogene zone - Deze zone bestaat uit chondroblas-achtige cellen en collageen type I vezels.
    • Zone 3: Gecalficieerde zone - Deze zone is al gelegen in het botweefsel. Hier is dan ook sprake van een gecalcificeerde zone. De calcificatie begint in deze zone vooral tussen de vezels.
    • Zone 4:Bot - In deze zone bevinden zich de kenmerkende Sharpey (collageen type I) vezels. De vezels van Sharpey zorgen ervoor dat er een perfecte verankering ontstaat van het collageen in het botweefsel.       
  • Wat zijn de verschillende typen spiervezels?
    Type I, Type IIa, Type IIx, Type IIb.
  • Wat zijn type I spiervezels?
    Type I spiervezels worden ook wel langzame of ‘slow-twitch’ spiervezels genoemd. Langzame spiervezels bevatten hoge hoeveelheden mitochondria in vergelijking met andere typen spiervezels en zijn omgeven door meer capillairen. Hierdoor hebben langzame spiervezels een relatief hoge resistentie tegen vermoeidheid en zijn in staat om lang aërobe metabolisme vol te houden.
  • Wat zijn type II spiervezels?
    Type II spiervezels worden ook wel snelle of ‘fast-twitch’ spiervezels genoemd en zijn onder te verdelen in drie subtypes: Type IIa, Type IIx en Type IIb
  • Wat zijn type IIa spiervezels?
    Type IIa spiervezels leveren meer kracht dan type I spiervezels, maar kunnen dit minder lang volhouden.
  • Wat zijn type IIb spiervezels?
    Type IIb spiervezels zijn zeer krachtige spiervezels, maar zijn zeer snel uitgeput. Dit komt onder andere door een lage hoeveelheid mitochondrien en capillairen, maar een hoge glycolitische capaciteit
  • Wat zijn type IIx spiervezels?
    Type IIx spiervezels heeft eigenschappen die op metabolisch en fysiologisch niveau tussen type IIa en type IIb in zitten.
  • Op histologisch niveau is het onderscheid tussen verschillende spiervezeltypes ook terug te zien. Hoe zie je dit?
    Vezels van type I spiervezels hebben hoge niveaus van het zure ATPase en zijn daarom donkerder weergegeven (bruiner/ roder). Type IIB worden het lichtst weergegeven en de type IIA vezels zijn qua kleur meestal lichtbruin/ lichtrood weergegeven.


    SO = slow oxidative = Type I
    FOG = fast oxidative glycolytic = Type IIA
    FG = fast glycolytic = Type IIB  

  • Naast het verschil in type spiervezel kan er ook nog onderscheid worden gemaakt op basis van verschillende spiervezel richtingen. De volgende groepen zijn hierbij te onderscheiden:
    • Fusiforme spieren
    • Pennate spieren
  • Wat zijn Fusiforme spieren:
    In fusiforme spieren lopen de spiervezels in de lengterichting van de longitudinale as van de spier en worden ook wel parralelvormige/ longitudinale spieren genoemd. Een voorbeeld van een fusiforme spier is de m. biceps brachii.
  • Wat zijn pennate spieren?
    In pennate spieren lopen de spiervezels in een hoek met de longitudinale as van de spier. Deze hoek kan variëren per spier, maar is maximaal ongeveer 30°. Bij pennate spieren is de spiervezellengte (FL) dus relatief kort in vergelijking met de spierlengte (ML). Een voorbeeld van een pennate spier is de m. vastus lateralis.
  • Wat is de fysiologische dwarsdoorsnede?
    De fysiologische dwarsdoorsnede (PCSA = Physiological Cross Sectional Area) is de dwarsdoorsnede van de spier die loodrecht op de vezelrichting loopt. De fysiologische dwarsdoorsnede in figuur 5.2 in het groen weergegeven.
  • Wat is de anatomische dwarsdoorsnede?
    De anatomische dwarsdoorsnede (ACSA = Anatomical Cross Sectional Area) is de dwarsdoorsnede loodrecht op de longitudinale as van de spier. De anatomische dwarsdoorsnede is in figuur 5.2 in het blauw weergegeven.
  • Wat geldt voor de fysiologische dwarsdoorsnede bij pennate spieren?
    In pennate spieren lopen de spiervezels in een hoek met de longitudinale as van de spier. In vergelijking met een fusiforme spier heeft de pennate spier dus een grotere fysiologische dwarsdoorsnede. Dit heeft tot gevolg dat pennate spieren relatief meer kracht kunnen leveren door een grotere PCSA.
  • Wat zie je bij fusiforme spieren wanneer die worden aangespannen?
    Wanneer een spier met fusiforme spiervezels aanspant en de spiervezels verkorten, dan vertaalt deze verkorting van spiervezels zich direct terug in een spierverkorting. Dit onder andere omdat de spiervezels parallel aan de lengteas van de spier lopen. Het gevolg hiervan is dat fusiforme spieren relatief een hoge verkortingssnelheid hebben.
  • Welke van de onderstaande stellingen is juist?

    Stelling 1: Spier A heeft relatief gezien een snellere verkortingssnelheid in vergelijking tot spier B

    Stelling 2: Spier B heeft relatief gezien een kleinere fysiologische dwarsdoorsnede (PCSA) in vergelijking tot spier A
    Stelling 1

    Spier A is een spier waarbij de spiervezellengte (FL) bijna gelijk is aan de spierlengte (ML), hierdoor is de verkortingssnelheid groter in vergelijking tot spier B waarbij de spiervezellengte veel korter is dan de spierlengte.


    Spier B is een pennate spier, hierdoor is de fysiologische dwarsdoorsnede (PCSA) van spier B relatief groter in vergelijking tot spier A. Hierdoor kan de spier ook een grotere kracht leveren.
Read the full summary
This summary. +380.000 other summaries. A unique study tool. A rehearsal system for this summary. Studycoaching with videos.

Latest added flashcards

Wat kun je zien bij een spierbiopt?
  • Links: roze zijn de myocyten, aan de rand van de myocyten bevinden zich de kernen. De blauwe cellen zijn de lymfocyten. Er is dus sprake van een ontstekingsinfiltraat, dit past bij een ontsteking.
  • Rechts: tussen spiervezels bevindt zich meer bindweefsel. Grote witte vlekken is vet.. Kleine ronde spiervezels,  dit zijn zieke spiervezels. Dit past bij chronische aandoening van spieren, denk bijv. aan genetische spierdystrofie. 
Waar kijk je naar bij zenuwechografie?
Bekijkt met echoapparaat de zenuw zelf.
  • Drukneuropathie (bij bijv. carpaal tunnelsyndroom, n. ulnaris/peroneus). Er wordt in dit geval een elektrode op te pols gezet waarmee je de doorsnee van de nervus medianus in beeld wordt gebracht. Bij compressie kun je verdikking van die zenuw krijgen.
  • Auto-immuun polyneuropathie
  • Plexopathie plexus brachialis



 
Waar kijk je naar bij MRI?
Kan gebruikt worden voor verschillende onderdelen van het zenuwwortels:
  • MRI-LWK. Zenuwwortels in rug en nek.
  • MRI-plexus brachialis, ziet dat zenuwen dan verdikt zijn (bij bijv. ontsteking of kneuzing). Op afbeelding zie je aan linker kant normale dikte en intensiteit van zenuwen die uit cervicale myelum ontspringen, aan de rechterkant zijn die sterk verdikt en hyperintens.
  • MRI-spieren. Kijken of er oedeem in de spieren zit, of dat ze atrofisch zijn.  Als spieren heel lang niet meer aangestuurd worden door een zenuw of er sprake is van myopathie van de spier zelf dan kunnen ze vervetten. 
Waar kijk je naar bij liquoronderzoek?
  • Polyradiculitis. Kijken of er een ontstekingsreactie rondom zenuwen aanwezig is.  Leukocytenaantal is verhoogd in liquor.
  • Auto-immuun polyneuropathie (GBS/CIDP), (kunt verhoogd eiwit zien wat past bij een immuunproces).


 
Waar kijk je naar bij bloedonderzoek?
  • Polyneuropathie: bijv. glucose, nierfunctie, leverenzymen (alcoholmisbruik), vit B1/6/12 deficiëntie.
  • (poly)radiculopahtie: (kijken of er ontstekingsoorzaken zijn) bijv. lymeserologie, screening op sarcoidose
  • Myopathie: bijv. creatine kinase (maat voor hoeveel spier afgebroken), myositis antistoffen
  • Neuromusculaire overgang: bijv. anti-AChR (myastenia gravis), anti- VGCC. 
Wat doe je bij naaldonderzoek?
Naaldelektrode in de spier steken en daarmee kun je elektrische activiteit van de spier zelf meten dit wordt omgezet in geluid (wanneer een spier niet is aangespannen dan is spier stil, wanneer spier wel is aangespannen dan zorgen de elektrische actiepotentialen voor geluid):

  • Op basis van vorm en geluid van spiersignalen onderscheiden of er een probleem is met aansturing van spieren of van de spieren zelf. Zo dus onderscheid maken of het probleem in spieren of zenuwen zit.
  • Motorische voorhoorn
  • Spieren 
Wat doe je bij repetitieve stimulatie?
o Neuromusculaire overgang testen (ziet dat spierrespons afneemt). Myastenia Gravis nabootsen door herhaaldelijke schokken af te geven. 
Wat doe je bij een geleidingsonderzoek?
Onderzoek geeft schok aan nervus waardoor stroom richting spier loopt, elektroden meten de contractie van de spier. Je kunt de zenuwgeleiding van zenuw naar spier doormeten:
  • Polyneuropathie 
  • Plexus/wortel 
Wat is EMG en wat zijn de verschillende vormen?
(verschillende technieken om verschillende delen PZS door te meten): 
- Geleidingsonderzoek 
- Repetitieve stimulatie 
- Naaldonderzoek
Wat zijn de verschillende vormen van aanvullend onderzoek die je kunt toepassen?
- EMG 
- Bloedonderzoek 
- Liquoronderzoek
- MRI 
- Zenuwechografie
- Spierbiopt