Samenvatting AG 407 Intake Deel 1

-
1931 Flashcards en notities
41 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "AG 407 Intake Deel 1". De auteur(s) van het boek is/zijn NTI. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - AG 407 Intake Deel 1

  • 1 Algemene inleiding anatomie en fysiologie

  • Wat betekent anatomie?
    De wetenschap van de bouw en opbouw van het menselijk lichaam, ook wel ontleedkunde genoemd. 
  • Wat is Endotheel?
    Een laag epitheelweefsel als binnenbekleding van een bloedvat.
  • Wat betekent fysiologie?
    De wetenschap van de functies van de onderdelen van het menselijk lichaam.
  • Wat is mesotheel?
    Het vlies aan de binnenkant van de buik- en borstholte (buikvliezen en longvliezen)
  • Wat betekent Pathologie?
    Ziekteleer
  • Kenmerken van epitheelweefsel:
    - Weinig tot geen tussenstof
    - Geen doorbloeding
    - Je hebt platte epitheelcellen, kubusvormige epitheelcellen en langwerpige epitheelcellen.
    - Je hebt eenlagig epitheelweefsel en meerlagig epitheelweefsel (voor als de wand dik moet zijn).
  • Noem de twee belangrijkste typen epitheelweefsel:
    - Trilhaarepitheel
    - Klierepitheel
  • Functie trilhaarepitheel:
    - Door beweging van de trilharen, wordt het slijmvlies van de luchtwegen constant in een beweging naar boven gehouden. Zo kunnen kleine stofdeeltjes worden verwijderd.
    - De trilharen werken als een soort filter, het vangt kleine stofdeeltjes op.
  • Functie klierepitheel:
    Het afscheiden van speciaal geproduceerde stoffen die een functie hebben. Ieder klierepitheel produceert weer een ander stof.
  • Wat zijn exocriene klieren?
    Klieren die hun stoffen afscheiden aan de buitenwereld, of aan holle organen die hiermee indirect in verbinding staan.
  • Wat zijn endocriene klieren?
    Klieren die hun stoffen direct afstaan aan bloed.
  • Kenmerken bind- en steunweefsel:
    - Sponsachtig netwerk met veel ruimte tussen de cellen.
    - Relatief veel tussenstof, weinig cel.
    - Veel bloedvaten (behalve bij kraakbeenweefsel)
  • Welke 3 soorten bindweefselvezels
    - Collageenvezels (bijv. in vezelig bindweefsel, kraakbeenweefsel, botweefsel)
    - Elastische vezels (bijv. vezelig bindweefsel)
    - Reticulaire vezels (bijv. in beenmerg, de milt en lymfeklieren)
  • Welke soorten bindweefsel zijn er?
    - Losmazig bindweefsel (vulweefsel van het lichaam)
    - Vezelig bindweefsel (straf bindweefsel / elastisch bindweefsel)
    - Reticulair bindweefsel (bevat cellen die nog niet zijn gedifferentieerd)
  • Wat zijn de functies van vetweefsel?
    Opslag van energie (reserves), werkt als warmte-isolatie, stootkussen, afronding van het lichaam en het kan ook een steunende functie hebben.
  • Welke twee typen steunweefsel zijn er?
    - Botweefsel
    - Kraakbeenweefsel
  • Kenmerken van kraakbeenweefsel:
    - Kraakbeenweefsel bevat geen bloedvaten (dus lage stofwisseling)
    - Het tussenstof is steviger en harder dan bij bindweefsel.
    - Is veerkrachtig
    - Zit op plaatsen waar stevigheid moet samengaan met elasticiteit en vervormbaarheid.
  • Welke soorten kraakbeenweefsel zijn er?
    - Hyalien kraakbeen > bekleedt de gewrichtsvlakken op de botuiteinden.
    Zorgt ook voor de verbindingen tussen borstbeen en ribben en vormt de kraakbeenringen in de luchtpijp.  

    - Elastisch kraakbeen > bevat veel elastische vezels en daardoor weinig cellen. Heeft een grote buigzaamheid en elasticiteit. Zit in neustussenschot, oorschelp en strotklepje.

    - Vezelig kraakbeen > dicht op elkaar gedrukte collageenvezels, waardoor het zeer stevig is. Het komt voor in de tussenwervelschijven, de meniscus en in kraakbeenverbindingen (de symphysis tussen de schaambeenderen).
  • Kenmerken van bot / beenweefsel:
    - Hard en stevig
    - Uitgebreid netwerk van bloedvaten (dus hoge stofwisseling)
    - Door belasting wordt het sterker
    - Bestaat uit collageenvezels (maakt het bot taai en stevig) en kalkfosfaat (maakt het bot hard).
  • Welke 2 typen botweefsel zijn er?
    - Spongieus botweefsel > bestaat uit door elkaar lopende 'beenbalkjes,' daartussen zijn holtes.
    - Compact botweefel > massief weefsel
  • Kenmerken van spierweefsel:
    - Heeft speciale eiwitten (waardoor de spier zich kan verkorten in beweging)
    - Deze cellen bevatten myofibrillen.
  • Welke 3 typen spierweefsel zijn er?
    - Dwarsgestreept spierweefsel > de eiwitten liggen dwars op de richting van de spiervezels. Dit spierweefsel behoort tot het animale systeem.

    - Glad spierweefsel > eiwitten liggen niet dwars op de richting van de spiervezels. Kunnen zich niet krachtig samentrekken, maar zijn bijna onvermoeibaar. Dit spierweefsel vindt je in de wanden van bijna alle holle organen. (behoort tot het vegetatieve systeem)

    - Hartspierweefsel > het is dwarsgestreept, en behoort ook tot het vegetatieve systeem.
  • Zenuwcel > neuron
    Uitlopers verbonden aan het cellichaam > dendrieten
    Lange onvertakte uitloper > neuriet / axon
    Uiteinde van de neuron waar de prikkeloverdracht plaats vindt > synaps
  • Zenuwweefsel bevat ook steuncellen (gliacellen). Deze zorgen voor de aanvoer van voeding en afvoer van afvalstoffen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Voorbeelden van vragen in deze samenvatting

Wat is fysiologie?
27
Wat zijn de functies van de nieren?
27
Hoeveel urine kan er in de urineblaas worden opgeslagen?
27
Wat is de taak van het mannelijk geslachtsorgaan?
27
Pagina 1 van 150