Samenvatting algemeen kennis

-
321 Flashcards en notities
3 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - algemeen kennis

  • 1 algemeen kennis

  • Hoeveel mensen lijden er in NL aan DM?
    – 1 miljoen
  • Gaat het begin van DM altijd gepaard met klachten?
    nee
  • Wat zijn de risico's bij het te laat ontdekken van DM II –
    retinopathie, albumineverlies
  • Wat is het advies van de NHG-standaard op screening?
    Mensen uit de risicogroepen vanaf 45 jaar iedere drie jaar nuchter suiker prikken.
    Mensen van Hindoestaanse afkomst vanaf 35 jaar.
  • En hoe zit dat met vrouwen die zwangerschapsdiabetes hebben gehad.
    Worden gedurende de daaropvolgende vijf jaar jaarlijks opgeroepen voor een nuchter glucosebepaling, daarna om de drie jaar.
  • En met een zwangerschapswens?
    Ieder jaar
  • Wat is de maximale afwijking in het lab?
    2%
  • En capillair?
    15%
  • Wat is verschil tussen volbloed en plasma?
    bloed verkregen dmv een vingerprik, zonder bloedcellen.
  • Welke waarden kan je verwachten bij een referentieglucosewaarde 5.0 bij een draagbare meter?
    tussen de 3.8 en 5.8
  • En van 11?
    tussen 8.3 en 12.7
  • Wat houdt een nuchtere glucosewaarde in?
    dat er tenminste 8 uur geen calorieen zijn ingenomen.
  • Wat is een gestoorde glucosetollerantie en wat houdt het in (waardes)
    bij een gestoorde glucose tollerantie is er  een grotere kans op ontwikkelen van DM II en een verhoogd cardiovasculair risico. Waardes tussen 7.8 en 11.0 (niet nuchter)
  • Welke waarde wordt voor de diagnostiek gebruikt?
    labwaardes

  • Wat houdt een gestoorde nuchtere glucose in? – 

    een geringe verhoogde niet-nuchtere
    glucosewaarde bij een normale nuchtere glucosewaarde.
  • Wat bepaal je aan de hand van de uitslag nog meer?
    CVRM risicoprofiel

  • Wanneer mag de diagnose DM II worden gesteld? – 

    bij patienten met klachten van hyperglykemie en bij wie op een onwillekeurig moment met een draagbare meter een glucosewaarde van meer dan 12,7 wordt gevonden.
  • Wordt de bepaling van de HbA1c gebruikt bij het stellen van de diagnose?
    Nee

  • Als de diagnose is gesteld wat gebeurt er dan? 

    – overleg arts voor het uitsluiten van andere oorzaken, bijv stress en infectieziekten, type I DM,

  • Wanneer kan er sprake zijn van DM I – 

    Patient is jong, hoge bloedglucosewaarden die in korte tijd zijn ontstaan, normaal lichaamsgewicht.
  • Is echte genezing van DM II mogelijk?
    Nee

  • Wanneer spreek je van remissie? 

    – Na 5 jaar zonder bloedglucoseverlagendemiddelen
    Nu GLU< 7
    HbA1c > 48
    geen microvasculaire complicaties.

  • Wat speelt een rol bij het minder frequent controleren van een patient na het bereiken van een remissie? 

    – duur van de dm, de mate waarop de leefstijlaanpassingen kunnen worden volgehouden, (hoge) leeftijd, aanwezigheid cardiovasculaire risicofactoren en
    de tijdsduur van terugkeer naar normaalwaarden van de bloedglucosewaarden.
  • Hoe vaak moet de huisarts minstens de patient zien?
    1x per jaar

  • noem de complicaties die specifiek zijn voor DM 

    – microvasculair ( netvliesschade,nierschade, zenuwschade, diabetische voet) Hart- en vaatziektes.

  • Wat zijn de stappen na de diagnose DM –

    stap 1 glycemische regulatie,
    stap 2 andere risicofactoren op HVZ,
    stap 3 diabetes gerelateerde complicaties, stap 4 lever- en nierfunctie (voorafgaand aan behandeling.)

  • Wat zijn hyperglykemische klachten? 

    – te laag bloedsuiker, uit zich in dorst, veel

    drinken, veel plassen, moeheid.

  •  Waar is de behandeling van glykemische disregulatie van afhankelijk? 

    – HbA1c

  • Wat heeft de bepaling van HbA1c voor zin tijdens de behandeling? 

    – controle of de beoogde glycemische instelling is behaald of om te beoordelen of een nieuwe stap in het beleid is geindiceerd. (ander middel of insuline)

  •  Waar zegt het HbA1c iets over? 
    Instelling patient in de voorafgaande 8 tot 12 weken

  • Wat kun je vertellen over de streefwaarden van het HbA1c? 

    – wordt individueel  bepaald. De leeftijd, intensiteit van de dm-behandeling en de diabetesduur. Verder aanwezigheid comordibiteit en aanwezigheid van complicaties en de ernst daarvan,
  • Wat zegt een hoge nuchter glucosewaarde bij een goed HbA1c?
    -momentane uitschieter of beginnende ontregeling.
  • En een goede nuchter glucosewaarde bij een hoog HbA1C?
    – Mogelijk minder goed gereguleerd dan de nuchtere waarde suggereert.
  • Wie hebben er een hoog risico op afwijkingen aan harten/of bloedvaten?
    Patienten met een belaste familieanamnese en/of voorgeschiedenis met HVZ
  • Wie hebben er een belaste voorgeschiedenis. Noem de aandoeningen. .
    1. Angina Pectoris,
    2. hartinfarct,
    3. dotterprocedure,
    4. Angioplastyc,
    5. bypass-chirurgie,
    6. hartfalen,
    7. TIA,
    8. CVA
    9. Claudicatio intermittens,
    10. arteriele vaaatoperaties,
    11. Aneurysma aorta
  • Welke bevolkingsgroepen hebben een hoger risico? .
    1. Allochtonen
    2. hindoestanen
  • Noem de leefstijlinventarisaties.
    1. roken
    2. , alcohol (meer dan 2),
    3. te weinig lichaamsbeweging,
    4. BMI hoger dan 25
  • Wat bepaal je nog meer bij het eerste bezoek?
    Bloeddruk
  • Noem de bloeddrukmetingen per plaats (waar) 
    roken, obesitas of weinig lichaamsbeweging is leefstijladvisering geindiceerd.
    Huisarts,
    ziekenhuis,
    patient zelf,
  • Waar ga je van uit bij de riscoschatting? Van welke bloeddrukmeting? 
    Spreekkamerbloeddrukmeting.
  • Wat zijn de risico's van een bloeddruk boven de 180 systolisch? 
    1. Nierproblemen,
    2. endocriene aandoeningen (hyperaldosteronisme)
  • Wat bepaalt de snelheid van handelen?
    Het al dan niet aanwezig zijn van acute of progressieve tekenen van orgaanschade.
  • Wat is een hypertensieve crisis?
    Een zeer sterk verhoogde BD of bepaalde symptomen zoals acute verergering van schade aan hersenen, hart, nieren, grote bloedvaten of ogen, of secundaire hypertensie.
  • Wanneer overleg je met een arts?
    – SBD hoger dan 200 tenzij reeds mee bekend, recente stijging van 20, hoofdpijn, visusstoornissen, misselijkheid, braken en hypertensie, aanwijzingen voor cardiovasulaire complicaties zoals dyspnoe, POB, pijn tussen schouderbladen, hypertensieve retinopathie graad III, IV, aanw. Voor cerebrale complicaties, zoals veranderde gemoedstoestand, verlaagd bewustzijn, neurologische uitvalsverschijnselen, verwardheid, convulsies.
  • Wat bepaal je in het bloed qua vetspectrum? 
    • Totaal chol,
      Hdl,
      LDL,
      ratio totaal chol,
      triglyceriden.    
  • Hoeveel jaar tel je op bij de CVRM van een DM patient?
    – 15 jaar.
  • CVRM: wat betekent groen in de tabel en wat is dan het advies en wanneer? – risico op HVZ minder dan 10 % ,
    – indien hypertensie, hypercholesterolemie, roken, obesitas, of weinig lichaamsbeweging is leefstijladvisering geadviseerd
  • Oranje:
    • Risico 10-20%
    • Leefstijladvisering
    • Medicamenteuze behandeling bij =familaire belasting =
    • hoog BMI,
    • nierfunctiestoornis,
    • HbA1C > 64
  • Rood:
    Risico hoger dan 20%. Leefstijl+ medicamenteus bij SBD hoger dan 140 of LDL > 2,5
  • Wat doe je met patienten jonger dan 40 jaar?
    • Met slechte metabole controle,
    • microalbumine/retinopathie en/of andere riscicoverhogende factoren.
    • Overweeg behandeling.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Leg de EAI-berekening uit. .
Hoogste enkeldruk gedeeld door de hoogste armdruk
Waar wijst een tensie lager dan 50 op?
Ischemie
Wanneer overleg je met een arts?
Wanneer de tensie lager is dan 50
Waar plaats je de tranducer om de armdruk te meten?
Op de a. brachialis
Op welke plaatsen meet je nog meer?
  • Arteria dosalis-pedis (midden op de wreef)
  • of op het weke deel rechts onder de grote teen.
  • Herhaal de meting op het andere been.
Wat meet je bij het laten leeglopen?
Systolische druk.
Tot hoe ver pomp je?
Ongeveer 20-30 mm Hg. waarop het signaal verdwijnt
Wanneer ga je de manchet oppompen?
  • Als de ultrasoundgel op zijn plaats zit.
  • Schakel het dopplerappraat in,
  • plaats de transducer in de gel in de richting van de arterie en
  • zoek naar het beste arteriele signaal.
  • Houdt de transducer goed gefixeerd.
Hoe meet je de enkeldruk?
Met de doppler op twee plaatsen en zowel op de rechter- als op de linkervoet.
Waar breng je de manchet aan op de benen?
vlak boven beide malleoli van een been