Samenvatting Algemene Economie en Bedrijfsomgeving

ISBN-13 9789001845100
179 Flashcards en notities
192 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Algemene Economie en Bedrijfsomgeving". De auteur(s) van het boek is/zijn . Het ISBN van dit boek is 9789001845100. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Algemene Economie en Bedrijfsomgeving

  • 1 De onderneming en algemene economie

  • 1. Monopolistische concurrentie (1)
    Veel aanbieders, veel afnemers, heterogene producten, ondoorzichtige markt: weinig informatie, toetreding barrières zijn laag.
  • 2. Arbeidsproductiviteit (1)
    Arbeidsproductiviteit is de productie per werknemer per tijdseenheid.
  • 3. Passieve rentebeleid (1)
    Een onderneming die het renterisico zoveel mogelijk wil beperken, voert een actief rentebeleid. Hiervoor gebruikt zij renteproducten die banken aanbieden. Nadeel → hoge kosten. Een onderneming kan ook een passief rentebeleid voeren. Zij probeert dan alleen door interne maatregelen, zoals het spreiden van de looptijd van leningen, vervroegde aflossingsclausule, keuze uit type lening, het renterisico te verminderen. Passief rentebeleid mogelijk in geval van: sterke financiële positie, ruimte winstmarges, sterke marktpositie en lage risicoafkeer.
  • 4. 5 productie factoren (1)
    • Kapitaal (machines, gebouwen),
    • arbeid (vraag en aanbod)
    • natuur (grondstoffen),
    • ondernemerschap,
    • kennis.
  • 5. Comparatief kostenverschil vs armoede (1)
    De theorie van comparatieve kosten toont aan dat, wanneer er sprake is van een comparatief kostenverschil, de welvaart van landen stijgt wanneer zij zich specialiseren en onderling gaan handelen. De theorie houdt echter geen rekening met aanpassingskosten. Hoewel deze theorie verklaart dat beide landen erop vooruit gaan bij vrijhandel, geldt dit niet noodzakelijk voor alle groepen binnen die landen. Indien men werkt in een bedrijfstak die de internationale concurrentie niet aankan en niet omgeschoold kan worden, dan kan er wel sprake zijn van nadelen.

    Vanuit deze hoek zal dan ook vaak worden aangedrongen op protectionistische maatregelen. Ook zal het principe van het comparatieve voordeel armere landen aansporen om zich te blijven specialiseren in landbouw (omdat ze daar het comparatieve voordeel hebben), terwijl rijkere landen dat doen in geavanceerde technologie.

    Het gevolg hiervan is dat het verschil in rijkdom verder zal groeien. De overheid kan de armoede bestrijden door de argumenten van het protectionisme. Onder protectionisme verstaan we de bescherming van binnenlandse producten tegen de gevolgen van internationale concurrentie. Argumenten protectionisme: oneerlijke concurrentie (internationale prijsdiscriminatie, dumping, lage lonen, sociale dumping) en onafhankelijkheid ( bescherming dat een land te afhankelijk wordt van de import van bepaalde producten).
    Instrumenten overheid → handelsbelemmeringen: Tarifaire belemmeringen: Invoertarief: een belasting die een buitenlandse aanbieder moet betalen als hij zijn product op de markt wil brengen.
    Non-tarifaire belemmeringen: Importquota, vrijwillige exportbeperkingen, productvoorschriften, een kunstmatig lage wisselkoers, subsidies. Gevolgen protectionisme op economie → Hogere prijzen, minder keuzevrijheid, lagere consumptie, hogere kosten voor onbeschermde bedrijfstakken, minder innovatie in de beschermde bedrijfstakken, vergelding die onbeschermde bedrijfstakken treft (tegenmaatregelen andere sectoren).
  • 6. Berekening van lopende rekening (1)
    Ezelsbruggetje: Interessant Doen Is Goed Voor Feestjes

    Lopende rekening -->
    I = Inkomensrekening
    D = dienstenrekening
    I = inkomensoverdrachtrekening
    G = goederenrekening

    Kapitaal rekening -->
    V = vermogensoverdrachtenrekening
    F = financiële rekening
  • 7. Kostenverschil NL & DN (1)
    1. Bereken het land die meer efficiënt produceert. Aboslute kosten omzetten in relatieve kosten
    2. Het product in dat land die minder efficiënt heeft geproduceerd.
  • 8. Euribor/rentemarge/kredietrisico opslag (1)
    De rente op de groothandelsmarkt is Euribor (Euro Interbank Offered Rate). Deze brengen banken bij elkaar in rekening voor kortlopende rekeningen. Euribor is de basis voor de credit en debetrentes van banken. De creditrente ligt onder Euribor en de debetrente erboven.
    Het verschil tussen de debet en creditrente is de rentemarge die de bank ontvangt voor haar dienstverlening. Deze hangt af van de concurrentieverhoudingen in de markt. Als de concurrentie toeneemt, daalt de rentemarge van de banken. (Het verschil tussen de rente die een bank ontvangt op uitzettingen (de debetrente) en de rente die een bank betaalt op aangetrokken middelen (de creditnota).
    Het kredietrisico-opslag hangt af van de financiële situatie en het onderpand. (Een opslag op de rente in verband met de mogelijkheid dat de kredietnemer zijn rente- en aflossingsverplichtingen niet kan nakomen.)
  • 9. Koers van valuta GBR/EUR (1)
    ...
  • 10. Berekening M3 (1+3)
    Biljetten + munten + giraal geld = M1
    Kort spaargeld + korte termijndeposito's + overige secundaire liq. = M2

    M1 + M2 = M3

    Berekening:

    Bankbiljetten in omloop € 240

    Munten in omloop € 80Tegoeden in rekening-courant € 320
    Kasmiddelen van de banken -/-€ 80
    Geldhoeveelheid (M1) € 560

    Kort spaargeld € 128
    Kortetermijndeposito's € 32
    Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3) € 720
  • 11. Hoge M3 inflatie → oorzaak (1)
    De groei van M3 loopt vooruit op de inflatie. Als mensen steeds meer geld hebben, is de kans groot dat ze meer goederen en diensten kopen, waardoor (bij gelijkblijvende productie) de prijzen stijgen. Inflatie is dus het gevolg van het feit dat er te veel geld achter te weinig goederen aanjaagt.
  • 12. Prijselasticiteit (1)
    Ja, van een elastische vraag is sprake als bij een prijsverandering de vraag meer dan evenredig (= relatief meer) veranderd. Prijselasticiteit van de vraag: gaat om de mate waarin de vraag naar een product reageert op een prijsverandering van dat product (in procentuele veranderingen)→

    Prijselasticiteit = procentuele verandering van de hoeveelheid / procentuele verandering van de prijs.

    Elastische vraag: Wanneer de prijselasticiteit kleiner is dan -1. (luxe goederen)
    Relatief inelastische vraag (-1 < Ev < 0): de verandering van de hoeveelheid is kleiner dan de verandering van de prijs. (omzet stijgt, gebeurt bij noodzakelijke goederen)
    Bij een volkomen inelastische vraag reageert de vraag niet op een verandering van de prijs (prijselasticiteit = 0).
  • 13. Volkomen concurrentie evenwicht (1)
    Er is sprake van evenwicht als Qv = Qa
  • 14. Omgekeerde rente (1)
    De korte rente is dan hoger dan de lange rente.
    houdt in dat de geldmarktrente hoger is dan de kapitaalmarktrente. Normaal gesproken is de geldmarktrente lager dan de kapitaalmarktrente, immers een lange termijn lening brengt voor de crediteur (geldschieter) onzekerheid mee.
  • 1. Motieven vraag naar geld (2)
    - Transactiemotief: mensen hebben geld nodig om producten te kunnen kopen.
    - Voorzorgsmotief: huishoudens houden geld aan uit voorzorg tegen financiële tegenvallers.
    - Speculatiemotief: huishoudens houden geld als oppotmiddel of vermogensbestanddeel aan.
  • 2. MO = MK (2)
    De Marginale Opbrengst is de hoeveelheid extra opbrengst die je behaalt door één product meer te verkopen. De Marginale Kosten is de hoeveelheid die het extra kost als je één product meer verkoopt. Het idee is dat vóór het punt waar die twee gelijk zijn, MO groter is dan MK. Bij elk extra product krijg je er dus meer opbrengst bij dan dat er kosten bijkomen, dus maak je meer winst. Voorbij het punt waar ze gelijk zijn, zijn de MK groter, dus krijg je in feite minder winst door nog een product extra te verkopen. Het punt waar ze gelijk zijn is dus het punt waar je de meeste winst maakt (Maximale winst).
  • 3. Gemiddeld percentage van inkomen is omhoog gegaan. Werkloosheid? (2)
    Als de arbeidsmarkt krap is, zullen werknemersorganisaties een behoorlijke loonstijging kunnen afdwingen. (Aantal werknemers is gedaald met 2%)
  • 4. Minimale prijs volkomen concurrentie (2)
    Op een markt van volkomen concurrentie zijn er veel vragers en veel aanbieders. Dat betekent dat een individuele aanbieder geen invloed kan uitoefenen op de prijs. De prijs is voor hen een gegeven.
    Deze prijs komt tot stand door de vrije werking van vraag en aanbod. Door dit marktmechanisme ontstaat een evenwichtsprijs.
    De prijs staat dus vast en is niet afhankelijk van de omvang van de productie van één producent.
    Deze prijs zal dan ook het bedrag zijn dat de producent ontvangt voor zijn producten.
    Als hij één extra product zal verkopen, zal hij één keer de prijs extra verdienen; de marginale opbrengst is dus ook gelijk aan de prijs. Waardoor geldt: Prijs = GO = MO
    De individuele producent moet dus de marktprijs overnemen en zijn productieomvang aanpassen aan de gegeven omstandigheden. Een producent op deze markt wordt dan ook wel een hoeveelheidsaanpasser genoemd.
  • 5. Inkomen = bestedingen (2)
    Y= C+S+B


    Y = (netto) nationaal inkomen
    C = (particuliere) consumptie

    S = (particuliere) besparingen
    B = belasting
    O = overheidsbestedingen
    In = netto (particuliere) investeringen
    E = export
    M = import


    (B-O) = financieringssaldo overheid
    wanneer de overheid geld tekort komt, moet de overheid geld lenen via de financiële instellingen.

    (E-M) = saldo lopende rekening
    wanneer wij meer exporteren dan importeren dan moet het buitenland ons meer betalen dan ze ontvangen. Zij hebben een tekort op de lopende rekening. Daardoor moet het buitenland bij ons (via de financiële instellingen) geld lenen.


    https://www.economielokaal.nl/economische-kringloopn/
  • 6. BBPMP berekenen (voorbeelden oefenen) (2)
    Bruto binnenlands product tegen marktprijzen:

    de som van loon, winst, rente, pacht, afschrijvingen en het verschil tussen indirecte belastingen en kostprijs verlagende subsidies.

    1. BBP factorkosten = bbp tegen marktprijzen minus belastingen (invoerrechten, accijnzen en btw) + het bedrag aan subsidies.
    2. Het bruto nationaal product/inkomen = bruto binnenlands product/inkomen + saldo primair inkomen buitenland.
    3. Beschikbaar inkomen = het primaire inkomen (het inkomen zoals het verdiend wordt met het ter beschikking stellen van productiefactoren.) minus belastingen en sociale premies + inkomensoverdrachten (subsidies, studiebeurzen en uitkeringen).
    4. Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen
  • 7. Break even (2)
    - Break even GO = GTK
    In de grafiek zien we de twee break-even-punten. Er zijn twee snijpunten van GO en GTK.nTussen de beide BEP liggen de kosten onder de opbrengsten. Dan wordt er dus winst gemaakt.
  • 8. Derivaten (2)
    FRA (Forward Rate Agreement) is een overeenkomst over een toekomstige rente. Het is een termijncontract tussen twee partijen om in de toekomst het verschil te verrekenen tussen een afgesproken renteniveau en de marktrente.

    Renteoptie is een instrument dat een ondernemer het recht op een bepaald niveau van de rente garandeert. In tegenstelling tot de FRA hoeft de koper geen gebruik van zijn recht te maken als dat nadelig is voor hem.

    Interest rate cap: een renteoptie waarbij de bank een onderneming een maximale rente garandeert.

    Interest rate floor: een overeenkomst waarbij de bank een onderneming een minimale rente garandeert.

    Renteswap is het meest gebruikte rentediviaat. Dit is een overeenkomst tussen twee partijen om een variabele renteverplichting te ruilen tegen een vaste renteverplichting. Er kan tussentijds het rentetype van een langlopende lening worden aangepast.
  • 9. Kiezen tussen FRA en Optie (2)
    FRA (Forward Rate Agreement) is een overeenkomst over een toekomstige rente. Het is een termijncontract tussen twee partijen om in de toekomst het verschil te verrekenen tussen een afgesproken renteniveau en de marktrente.

    Renteoptie is een instrument dat een ondernemer het recht op een bepaald niveau van de rente garandeert. In tegenstelling tot de FRA hoeft de koper geen gebruik van zijn recht te maken als dat nadelig is voor hem.

    Interest rate cap: een renteoptie waarbij de bank een onderneming een maximale rente garandeert.

    Interest rate floor: een overeenkomst waarbij de bank een onderneming een minimale rente garandeert.
    Renteswap is het meest gebruikte rentediviaat. Dit is een overeenkomst tussen twee partijen om een variabele renteverplichting te ruilen tegen een vaste renteverplichting. Er kan tussentijds het rentetype van een langlopende lening worden aangepast.
  • 10. Liquiditeitsmassa voldoende. Ja? Nee? (2)
    Antwoord: voldoet --> vereist 80 miljard, aanwezig 84 miljard zo blijkt ui de balans van de bank.

    Berekening:
    Crediteuren in RC - 190
    Valutategoeden - 50
    Termijndeposito's kort - 100
    Totaal - 340

    Vereiste liquiditeit = 20% van 340 = 68

    Spaargeld lang - 120
    Vereiste liquiditeit = 10% van 120 = 12
    Totaal vereiste liquiditeit = 68 + 12 = 80

    Juist antwoord 'voldoet' = 2 punten
    Juiste berekening = 4 punten


  • 11. Bankgarantie (2)
    Een bankgarantie is een contract waarin een bank onvoorwaardelijk garandeert om een bedrag aan de begunstigde (de exporteur) te betalen, als deze verklaart dat de tegenpartij (de opdrachtgever van de bankgarantie) bepaalde verplichtingen niet is nagekomen. Door een bankgarantie te eisen, kan de exporteur het debiteurenrisico verminderen.

    Als de garantiestellende bank in het buitenland is gevestigd, blijft het landenrisico bestaan. Dit probleem kan door de exporteur worden opgelost door de garantie te laten overnemen door een bank in eigen land.
  • 12. Koopkrachtpariteit (2)
    De koopkrachtpariteitstheorie verklaart de hoogte van de wisselkoers uit prijsverschillen tussen landen. De theorie veronderstelt dat de wisselkoers ervoor zorgt dat de 'law of one price' voor internationaal verhandelbare producten geldt.

    Stel: product kost in de VS $125 en in de eurozone €100. 'Law of one price" zegt dan€1 = $1,25. Als de feitelijke koers afwijkt, zullen handelaren hiervan profiteren Bijv. de feitelijke koers is €1 = $1,50. De Europese handelaar koopt het product in de VS voor $125 / $1,5 = €83,3 en verkoopt het in de eurozone tegen €100. Het product is in de VS goedkoper, dus de export van de VS naar de eurozone neemt toe, wat weer leidt tot vraag naar dollars en aanbod van euro's. In de praktijk berekent men de koopkrachtpariteit van een munt niet op basis van één verhandelbaar product, maar op basis van een pakket producten.
  • 13. Substitutie effecten (2)
    De prijsverandering van het ene product heeft invloed op de vraag naar andere producten. Als een product in prijs daalt zal de consument geneigd zijn om meer van dit product te gebruiken ten koste van andere producten. De prijsdaling verdringt andere producten Substitutie-effect.
    Als de prijs van het product daalt en de inkomens blijven gelijk, kunnen consumenten meer producten kopen. De koopkracht van het inkomen is toegenomen inkomenseffect.
  • 14. Motiveren: Obligaties behoren in een openbare markt. (2)
    De openbare markt verschilt in drie opzichten van de onderhandse markt:
    1: Openbaarheid (in het openbaar gehandeld in waardepapieren, voor iedereen toegankelijk)
    2: Verhandelbaarheid
    3: Prijsvorming

    Onderhandse lening

    • Er is één geldgever.
    • Rechtstreeks contact tussen geldgever en geldnemer: over de leningsvoorwaarden kan worden onderhandeld.
    • Betaling van rente en aflossing is eenvoudig: er is namelijk maar één geldgever.
    • De geldgever kan zijn geld niet eerder terugkrijgen dan aan het eind van de looptijd.

    Obligatielening

    • Er zijn talrijke geldgevers (iedereen kan inschrijven op een obligatielening).
    • De obligaties worden geplaatst via de effectenbeurs. De voorwaarden worden vooraf bekend gemaakt.
    • Bij betalen van rente en aflossing wordt de bank ingeschakeld.
    • Een obligatiehouder kan zijn uitgeleende geld terugkrijgen door zijn obligatie via de effectenbeurs te verkopen.
  • 1. Toegevoegde waarde onderdelen - lonen en winsten. (3)
    Bedoeld wordt het verschil tussen de marktwaarde van productie en de daarvoor ingekochte grondstoffen. Het is dus gelijk aan de omzet minus het aankoopbedrag (niet gelijk aan omzet minus de kosten, dit is winst). De toegevoegde waarde drukt de essentie van produceren uit, namelijk het toevoegen van waarde aan een goed.
  • 2. Stijging v.d. lonen 2015 door inflatie in 2014. (3)
    Het gevolg van inflatie is dat je van hetzelfde geld minder kan kopen. In Nederland stijgen de lonen en uitkeringen meestal mee met de inflatie. Hierdoor blijft de koopkracht gelijk, oftewel je kan met je inkomen nog net zo veel kopen. Als je geld op een spaarrekening hebt staan, hangt de waardevermeerdering af van zowel de inflatie als de rente. Als de rente lager is dan de inflatie, dan kan je dus minder kopen met je spaargeld, dus neemt eigenlijk de echte waarde van je spaargeld af.
  • 3. Accijnzen gedragen door producenten. Sprake van een elastische vraag vraagcurve vlak verloop. De prijsverandering heeft een enorme verandering van de hoeveelheid tot gevolg. (3)
    Prijselasticiteit van de vraag: gaat om de mate waarin de vraag naar een product reageert op een prijsverandering van dat product (in procentuele veranderingen)

    Prijselasticiteit = procentuele verandering van de hoeveelheid / procentuele verandering van de prijs.

    Elastische vraag: Wanneer de prijselasticiteit kleiner is dan -1. (luxe goederen)
    Relatief inelastische vraag (-1 < Ev < 0): de verandering van de hoeveelheid is kleiner dan de verandering van de prijs. (omzet stijgt, gebeurt bij noodzakelijke goederen)

    Bij een volkomen inelastische vraag reageert de vraag niet op een verandering van de prijs (prijselasticiteit = 0).
  • 5. Interne instrumenten rente: Type lening, vervroegde aflossingsclausule, gespreide looptijd, structuur. (3)
    Traditionele instrumenten: de keuze van het type lening, de vervroegde aflossingsclausule en een gespreide looptijdstructuur van de kredietportefeuille. Weinig extra kosten. Tot de moderne rente-instrumentarium behoren de forward rate agreement de renteoptie en de renteswap.
  • 6. Kitchin bij hoog en laagconjunctuur (3)
    De conjunctuur is een golfbeweging van toenemende- en afnemende economische groei. Je hebt hoogconjunctuur en laagconjunctuur. Tijdens hoogconjunctuur gaat het goed met de economie en blijft deze groeien.

    Tijdens laagconjunctuur het tegenovergestelde. De productiecapaciteit speelt hierbij een belangrijke rol en daaraan kun je zien of we in hoog- of laagconjuctuur zitten. Bij hoogconjunctuur is de vraag groter ten opzichte van de productiecapaciteit.

    De kenmerken van hoogconjunctuur:
    - Hoge bezettingsgraad van machines - Veel bestedingen
    - Hoge kapitaalproductiviteit - Hogere prijzen
    - Hoge arbeidsproductiviteit - Hogere rente
    - Krappe arbeidsmarkt, vraag naar arbeid groter dan aanbod van arbeid.

    De kenmerken van laagconjunctuur:
    - Lage bezettingsgraad van machines - Weinig bestedingen
    - Lage kapitaalproductiviteit - Lagere prijzen
    - Lage arbeidsproductiviteit - Lagere rente
    - Ruime arbeidsmarkt, de vraag naar arbeid is kleiner dan het aanbod van arbeid.

    Er zijn verschillende conjunctuurgolven. Je hebt de Kondratieff golf die ongeveer 50 jaar duurt waarin men innovatie als impuls gebruikt. De Juglar golf duurt ongeveer 10 jaar waarin geinvesteerd wordt in duurzame productiemiddelen zoals machines. Als laatste hebben we de Kitchin golf. Deze duurt 3 tot 5 jaar en hierbij speelt het voorraadbeheer een grote rol. Hieronder zie je een voorbeeld van een conjuctuurgolf. De stippellijn is de trendlijn, de gemiddelde productiecapaciteit.

    De conjunctuurgevoeligheid wordt bepaalt door:
    De aard van het product, de plaats van het bedrijf in de bedrijfskolom en de kapitaalintensiteit van het productie proces. Supermarkten verkopen veel producten die niet erg gevoelig zijn voor conjunctuurveranderingen. Dit komt omdat we producten als brood, drinken en andere etenswaren altijd nodig zullen hebben, of we nou in hoog- of in laagconjunctuur verkeren.
  • 7. Sectoren voor onafhankelijkheid protectionisme (3)
    Onder protectionisme verstaan we de bescherming van binnenlandse producten tegen de gevolgen van internationale concurrentie. De argumenten voor protectionisme vallen uiteen in twee hoofdcategorieën. Oneerlijke concurrentie en onafhankelijkheid.

    Oneerlijke concurrentie: internationale prijsdiscriminatie (dumping): Het verkopen van producten in het buitenland tegen een lagere prijs dan op de binnenlandse markt.

    Sociale dumping: lage lonen, kinderarbeid etc.

    Onafhankelijkheid: De overheid neemt ook protectionistische maatregelen om te voorkomen dat het land voor bepaalde producten afhankelijk wordt van import. Het onafhankelijkheidsargument is de belangrijkste reden voor bijv. de bescherming van de Amerikaanse vliegtuig- en staalindustrie (waarborgen nationale veiligheid), de subsidiering van de Europese filmindustrie (bescherming culturele identiteit), het Europese importverbod op genetisch gemanipuleerd voedsel (handhaving voedselveiligheid) en het Europese landbouwbeleid (onafhankelijke voedselvoorziening).
  • 8. Interestarbitrage (opgave zoeken) (3)
    Interestarbitrage is het gebruikmaken van renteverschillen tussen landen. Twee vormen:

    ongedekte en gedekte. Als het valutarisico niet wordt afgedekt, spreekt men van ongedekt. Maakt men gebruik van renteverschillen onder gelijktijdige uitsluiting van het valutarisico, dan spreekt men van gedekt.

    Dollarrente: 8% op jaarbasis
    Eurorente: 6% op jaarbasis
    Contante koers: €1 = $1
    Eerstejaarskoers: €1 = $1
  • 9. Welke behoort tot de kapitaalmarkt en ook geldmarkt? (3)
    Obligaties met een oorspronkelijke looptijd van 10 jaar en met resterende looptijd 1 jaar, rekenden we eerst tot de kapitaalmarkt.
  • 10. Comparatief kostenverschil. Waarom zal NL & Eutopia onderhandelen. (3)
    De theorie van comparatieve kosten toont aan dat, wanneer er sprake is van een comparatief kostenverschil, de welvaart van landen stijgt wanneer zij zich specialiseren en onderling gaan handelen.
    Een land heeft een comparatieve voordeel wanneer een land een bepaald product relatief goedkoper kan produceren dan een handelspartner. Dat geldt zelfs wanneer het ene land alles voordeliger kan produceren dan het andere land.

    Het wederzijdse voordeel is gebaseerd op de wet van de comparatieve kosten. Comparatieve kosten wil zeggen: vergelijkende kosten. Er worden in de theorie van de comparatieve kosten altijd twee producten vergeleken. Niet de absolute kosten zijn bepalend, maar de alternatieve aanwending van de productiecapaciteit. De kern is de binnenlandse ruilverhouding tussen twee producten. Land I en II produceren beiden product A en B.

    Land I heeft de hoogste absolute kosten voor A en B. De binnenlandse ruilverhouding van land I: A : B = 1 : 2. De binnenlandse ruilverhouding van Land II: A: B = 1 : 4. Product B is in land I twee x zo duur als product A. Product B is in land II vier keer zo duur als product A. Beide landen hebben voordeel om handel te drijven.

    ...........................Absolute kosten ....Relatieve kosten
    ..........................Kaas Graan ........... Kaas ......Graan
    Polen ..................40 .... 50 ............... 1K=0,8G ..1G=1,25K
    Frankrijk .............50 .... 100 ............. 1K=0,5G .. 1G=2K
  • 11. Lopende rekening berekenen --> M. (3)
    (S - I) + (B - O) = (X - M)
    Particulier OverheidsSaldo op de spaarsaldo spaarsaldo lopende rekening
    Particulier spaarsaldo + overheidssaldo = nationaal spaarsaldo
  • 12. Import? (3)
    X-M = Goederensaldo + Dienstensaldo + Inkomenssaldo + Inkomensoverdrachtensaldo
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat bestudeert de IEB (internationale economische betrekkingen)?
De buitenlandse handel van landen, internationale kapitaalstromen en monetaire betrekkingen tussen landen.
Wat bestudeert de monetaire economie?
Houdt zich bezig met het verschijnsel geld en de rol van banken in de economie.
Wat bestudeert de macro-economie?
Een beschrijving en analyse van allerlei verschijnselen voor een heel land.
Wat bestudeert de meso- en micro-economie?
De kenmerken van markten en bedrijfstakken waarmee ondernemingen te maken hebben, de vraag naar goederen en het aanbod ervan, en de veranderingen die plaatsvinden in vraag en aanbod als de prijzen veranderen.
Welke onderdelen onderscheiden we in de 'algemene economie'?
  • Meso- en micro-economie
  • macro-economie
  • monetaire economie
  • internationale economische betrekkingen
Wat houdt de 'economische wetenschap' in?
Bestudeert het economisch handelen.
Wat is 'Economisch handelen'?
Het streven naar maximale welvaart met behulp van schaarse middelen.
Wat is 'Schaarste'?
Middelen die alternatief aanwendbaar of schaars zijn.
Wat zijn 'Middelen'?
Grondstoffen, machines en arbeid om goederen en diensten mee te produceren.
Wat is 'Welvaart'?
Het beschikken over goederen en diensten voor de bevrediging van behoeften.