Samenvatting Algemene economische basisprincipes

-
ISBN-10 9001797814 ISBN-13 9789001797812
925 Flashcards en notities
74 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Algemene economische basisprincipes". De auteur(s) van het boek is/zijn D J de Jong, C J de Lange. Het ISBN van dit boek is 9789001797812 of 9001797814. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Algemene economische basisprincipes

  • 1 Plaatsbepaling en basisbegrippen 11

  • wat zijn de omgevingsfactoren

    demografisch, economisch, sociaal-cultureel, technologisch, ecologisch, politiek juridisch

  • Wat is welvaart?

    Welvaart geeft aan in hoeverre er behoeftebevrediging met behulp van schaarse goederen en diensten door de consumenten plaatsvindt.

  • Algemene economie
    het vakgebied waar in micro-economie, meso-economie en  macro-economie uitgelegd word
  • Leerdoel 1.1
    De relevantie van het begrip schaarste voor het ondernemingsbeleid te omschrijven. 

    We hebben maar een beperkt aantal grondstoffen en elke euro en minuut kunnen we maar 1 keer gebruiken. Hoe kan een bedrijf het meeste halen uit alle grondstoffen, uit al het kapitaal en uit alle uren die er in een product gestopt worden?
  • Wat betekent BTW?
    belasting toegevoegde waarde
  • Wat betekent BTW?
    Belasting Toegevoegde Waarde
  • Wat is 'schaarste'?
    ;sdkf
  • Wat is welvaart?
    Welvaart geeft aan in hoeverre er behoeftebevrediging met behulp van schaarse goederen en diensten door de consumenten plaatsvindt.
  • eryertye
  • Allocatie van productiefactoren
    hiermee wordt er bepaalt voor welke goederen de productiefactoren en in welke maten wordt ingezet
  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.

    De marktomgeving:
    Leveranciers: de andere bedrijven die jou producten leveren die je nodig hebt. Ze kunnen arbeid, grondstoffen, halffabrikaten, machines, gebouwen en vermogen leveren.

    Klanten: de mensen die jouw producten kopen.

    Concurrenten: Bedrijven die je goed in de gaten moet houden op de ontwikkelingen die zij doormaken en waar nodig jezelf aanpassen om de concurrentie bij te kunnen houden.

    Werknemers: De mensen die jouw producten in elkaar zetten. Met je klanten spreken en de image van je bedrijf kunnen maken of breken.

    Banken: Zorgen voor het kapitaal wat je nodig hebt om je bedrijf op te starten, tenzij je stinkend rijk bent natuurlijk. Ook wel vreemd vermogen genoemd.

    Aandeelhouders: Kopen aandelen van jouw bedrijf, waardoor jij nieuw kapitaal binnen krijgt en zij een zegje in jouw bedrijf.
  • eryertert
  • Alternatief aanwendbaar
    Geld, tijd en productiemiddelen zijn voor verschillende doelen bruikbaar echter maar voor een doel inzetbaar.

  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.


    Economieën

    Budgetmechanisme:
    De overheid bepaald wat er geproduceerd wordt en in welke mate het geproduceerd wordt. Ook bepalen ze de prijs van de goederen.

    Bij een democratisch budgetmechanisme bepaald het parlement deze dingen. Door de partij te kiezen die past bij jouw bestedingsplan kan je de dingen kopen die je leuk vind, maar als er een andere partij wordt gekozen veranderen deze dingen ook weer.

    Bij bureaucratisch budgetmechanisme bepaald de staat wat er wordt geproduceerd word. De consumenten hebben hierop geen enkele invloed. Een ander woord hiervoor is planeconomie. (bijvoorbeeld: Noord-Korea en Wit-Rusland)

    Marktmechanisme:
    Bij het marktmechanisme liggen de producten en de prijzen van deze producten volledig in de handen van de consumenten en producenten. Als consumenten een product niet meer kopen dan worden ze van de markt gehaald en als het product populair is komen er verbeterde versies van op de markt. Dit wordt ook wel de markt van vraag en aanbod genoemd.

    Gemengde economie:
    In werkelijkheid is geen enkel land een 100% planeconomie of markteconomie. De mate waarin de 2 voorkomen is per land verschillend. Noord-Korea is bijvoorbeeld voor 90% een planeconomie en Hong Kong is weer 90% een markteconomie.
  • Alternatieve kosten
    De opbrengst van het beste niet gekozen alternatief.
  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.

    De niet-marktomgeving:
    De niet-marktomgeving kan zeer veel invloed hebben op een bedrijf, maar een bedrijf kan geen invloed hebben deze markt.

    Belangengroepen: Deze bedrijven zijn er voor de consument. Ze houden de bedrijven in de gate en als een bedrijf oneerlijke dingen doet wordt dat in het licht gebracht. Voorbeelden zijn de Consumentenbond.

    Activisme, publieke opinie en media: Bedrijven worden heel erg beinvloed door hoe ze in het nieuws komen. Als ze slecht in het nieuws komen is het lastig om het vertrouwen van de consument weer terug te winnen. Als ze goed in het nieuws komen dan zal de afzet alleen maar stijgen. Een voorbeeld van activisten is Greenpeace.

    Toezichthouders: Ze houden het bedrijf in de gate op corruptie of ontduiking van belastingen etc. Voorbeelden zijn AFM, Opta, NMA en de Nederlandse Bank.

    Overheid: de overheid kan nieuwe weten invoeren, waardoor het bedrijf zijn beleid aan moet passen of schoner moet gaan produceren. Ook kan de overheid bijvoorbeeld subsidies op bepaalde producten geven.

    NGO's (Non Govermental Organisation): Zijn non-profit organisaties die volledig voor en door burgers zijn opgezet. Voorbeelden zijn WNF, Amnesty International, Unicef, Rode Kruis en Artsen zonder grenzen.

    Ook spelen andere zaken een rol in de niet-marktomgeving:
    Dit wordt samengevat in de DESTEP:
    D - Demografisch
    E - Economisch
    S - Sociaal-cultureel
    T - Technisch
    E - Ecologisch
    P - Politiek-juridisch
  • Arbeid
    De tijd en inspanning die mensen besteden aan de productie van goederen en diensten.
  • Leerdoel 1.4
    Succes- en faalfactoren van strategisch omgevingsmanagement te onderkennen.

    Succes

    Shell:
    Shell overleefde de oliecrisis in de jaren '70 door middel van scenarioplanning. 

    BP: 
    Veranderde haar imago toen een meneer over de wereld riep: De aarde warmt op. Van Britsich Petroleum naar Beyond Petroleum. Ze waren niet zomaar een oliebedrijf, maar een energie bedrijf met duurzame energie. 

    Novartis: 
    Een medicijnbedrijf. Ze wilde natuurlijk winst maken, ook in 3de wereld landen, maar om ervoor te zorgen dat de overheid geen regeltjes op hun tarieven gingen stoppen, besloten ze een lijst met medicijnen gratis weg te geven in die landen. Hierdoor ging hun imago natuurlijk behoorlijk omhoog. 

    Falend

    ABN-AMRO:
    abn-amro verwaarloosde haar relatie met de Nederlandse overheid, waardoor de Nederlandse overheid de vijandige overname van abn-amro niet heeft tegen gehouden. 

    BP:
    Olieramp in de golf van Mexico. Hun image was opeens weg. Ze waren nog steeds een vieze stikkende oliemaatschappij. Ze hadden hun onderhoud niet gedaan. 

    GM:
    Amerikanen waren geïnteresseerd in kleine auto's. GM had dit te laat in de gaten. Is door de Amerikaanse overheid gered. Met als voorwaarde dat ze zuinige auto's moesten gaan produceren en GM is tegenwoordig weer winstgevend.
  • Bruto binnenlands product (BBP)

    De waarde van goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.

    Inkoop + toegevoegde waarde = verkoop

  • Leerdoel 1.5
    Maatregelen bedenken die inspelen op de ontwikkelingen in de bedrijfsomgeving.

    1. Het is belangrijk om de bedrijfsomgeving continu te blijven scannen.
    Voor de marktomgeving kan je gebruik maken van het 5 krachtenmodel van Porter. 

    - Potentiële toetreders
    - Leveranciers
    - Substituten
    - Afnemers 
    Leid allemaal naar - Concurrenten

    Voor de niet-marktomgeving is er de nonmarket strategy van David Bach. 
    INFORMATIE OP BLACKBOARD

    2. Ook is het belangrijk om de toekomst te verkennen. 
    Dit kan door te kijken naar de voorspellingen die de economen maken. Ook kan je net als shell gaan doen aan scenarioplanning. Voor elk scenario kan je weer een stappenplan maken met trendanalyse. 
  • Budgetmechanisme
    De overheid bepaalt het aanbod van goederen en diensten door middel van het toekennen van budgeten.
  • Cetris paribus clausule
    het constant houden van variabele die je niet wil meten in je model.
  • Economisch handelen
    de manier waarop consumenten, producten en overheden omgaan met schaarse en een alternatief te bedenken hoe ze hun doelstelling kunnen bereiken.
  • Economische orde
    De manier waarop de onderlinge afstemming va productie en consumptie is georganiseerd.
  • Endogene factoren

    afhankelijk van de waarde van de model.

    waarde wordt bepaalt door model.

  • Exogene factoren

    Afhankelijk van de waarden van het model

    Waarde wordt bepaalt door externe factoren

  • Externe omgeving

    de factoren buiten de onderneming die gedrag en resultaat van de onderneming beïnvloeden.

    ABCD (Meso) Kun je niet veranderen heb je wel invloed in.

    DESTEP (Macro) Kun je niet veranderen wel op reageren. 

  • Gemengde economie
    Dit is een meng vorm van markt- en planeconomie
  • Kapitaal
    De geproduceerde goederen en diensten die voor de productie van andere goederen en diensten gebruikt worden.
  • Markt
    het geheel van factoren dat vraag en aanbod bepaalt.
  • Marktmechanisme
    Het aanbod van goederen en diensten komt tot stand door de vrije werking van vraag en aanbod
  • Natuur
    Alle natuurlijke hulpbronnen
  • Ondernemerschap
    De organisatie van het productieproces.
  • Primair inkomen
    Inkomen waar een tegenprestatie tegenover staat
  • Productiefactoren
    de voor de productie benodigde middelen( Arbeid, Kapitaal, Natuur, Ondernemerschap).
  • Schaarste
    het beperkt beschikbaarheid van goederen of diensten in een onbeperkt aantal behoeften. 
  • Vrije goederen
    onbeperkt ter beschikking voor iedereen daardoor is er geen keuze probleem
  • Welvaart
    de mate waarin consumenten met schaarse, alternatief aanwendbaar middelen in hun behoeften kunnen voorzien.
  • Kernvraag
    Wie, Wat, Waar, Hoe, Voor wie.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat is de knelpuntfactor?
Er zijn onvoldoende mensen beschikbaar om alle arbeidsplaatsen op te vullen.
Wat is de spaarquote?
Deze geeft de verhouding weer tussen de besparingen en het nationaal inkomen.
Wat is het capaciteitseffect?
Door de installatie van extra vaste kapitaalgoederen neemt de totale productiecapaciteit toe. Als dei nieuwe vaste kapitaalgoederen versleten vaste kapitaalgoederen vervangen, leidt de installatie tot handhaving van de bestaande capaciteit. Zonder vervangingsinvesteringen zal de productiecapaciteit namelijk steeds meer krimpen.
Wat is het bestedingseffect?
Op korte termijn treedt het capaciteitseffect van investeringen op , doordat de totale bestedingen met de extra vraag naar kapitaalgoederen toenemen.
Wat is bestedingsevenwicht?
Dat is een situatie waarin de effectieve vraag gelijk is aan de productiecapaciteit bij normale bezetting.
Wanneer spreken we van een normale bezettingsgraad?
Als er geen prijsstijgingen door een te grote omvang van de bestedingen of werkloosheid door een te kleine omvang van bestedingen optreden.
Wat geeft de kapitaalproductiviteit weer?
De productie per eenheid kapitaal
Wat wordt gevormd door de productiefactor kapitaal?
De kapitaalgoederenvoorraad
Wat is de beroepsbevolking?
Die bestaat uit alle mensen die minstens 12 uur per week betaald werk kunnen en willen doen.
Wat is de participatiegraad?
Die geeft weer welk deel van de beroepsgeschikte bevolking tot de beroepsbevolking behoort.