Samenvatting Algemene economische basisprincipes

-
ISBN-10 900188959X ISBN-13 9789001889593
525 Flashcards en notities
9 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Algemene economische basisprincipes
  • Dirk Johan Jong C J de Lange
  • 9789001889593 of 900188959X
  • 2018

Samenvatting - Algemene economische basisprincipes

  • 1 Plaatsbepaling en basisbegrippen

  • Wat is economie?
    Economie is de wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van het menselijk gedrag voor zover dit samenhangt met het streven naar bevrediging van behoeften met schaarse, alternatief aanwendbare middelen.

    Welvaart: de mate waarin iemand zijn behoeften bevredigt
    Welzijn: gevoel van welbevinden

    Wat is welvaart en welzijn? Je gaat op je vrije dag lekker uit eten met je vriendin/vriend waar je heel erg verliefd op bent en je geniet enorm van het leven.
  • Uit welke 6 factoren bestaat de macro-omgeving
    1. Demografie
    2. economie
    3. sociaal-cultureel
    4. technologie
    5. ecologie
    6. politiek-juridisch
  • Welvaart
    De mate waarin consumenten met schaarste, alternatieve aanwendbare middelen in hun behoefte kunnen voorzien
  • Wat zijn de twee omgevingsfactoren die het reilen en zeilen van ondernemingen beïnvloeden en benoem de 6 factoren van samenstelling
    De macro-omgeving en die omvat de omgevingsfactoren die grote invloed op de resultaten uitoefenen, maar waar de onderneming nauwelijks of geen invloed op heeft. De zes factoren zijn:
    1. Demografie: samenstelling en ontwikkeling bevolking
    2. Economie: conjunctuur, wisselkoersen, rente en inflatie
    3. Sociaal-cultureel: normen, waarden en trends hierop in de maatschappij
    4. Technologische ontwikkelingen buiten de eigen markt
    5. Ecologie: milieuaspecten en beschikbaarheid hulpbronnen
    6. Politiek-juridisch: wet- en regelgeving

    De directe omgeving van de onderneming die bestaat uit partijen op de in- en verkoopmarkt, waarmee de onderneming dagelijks zaken doet. De zes factoren zijn:
    1. Ontwikkeling huidige en toekomstige marktvraag
    2. Concurrentieverhoudingen
    3. Afnemersgedrag
    4. Leveranciers
    5. Substitutiegoederen
    6. Potentiële toetreders tot dezelfde markt
  • Uit welke factoren bestaat de directe omgeving van een bedrijf
    • Ontwikkeling huidige en toekomstige marktvraag
    • concurrentieverhoudingen
    • afnemersgedrag
    • leveranciers
    • substitutiegoederen
    • potentiele toetreders
  • Alternatief aanwendbaar
    Geld, tijd en productiemiddelen zijn voor verschillende doelen bruikbaar, echter maar voor een doel inzetbaar
  • Wat verstaan we onder het centrale economische probleem?
    Schaarste en die bestaat uit zes verschillende factoren:
    1. Alternatief aanwendbaar; de middelen in de vorm van geld, tijd en productiemiddelen zijn alternatief aanwendbaar, ofwel zij zijn voor verschillende doelen bruikbaar
    2. Markt; keuze van welke markt wordt bestormd laat andere potentiële kansen liggen
    3. Alternatieve kosten; gemiste opbrengsten uit punt 2
    4. Welvaart; de mate waarin consumenten m.b.v. Schaarse middelen in hun behoefte kunnen voorzien
    5. BBP; bruto binnenlands product; de waarde van goederen en diensten die in een land kunnen worden geproduceerd
    6. Vrije goederen; onbeperkt ter beschikking staande goederen (bijvoorbeeld zon, wind en water)
  • Wat is primair inkomen
    Inkomen waar een tegenprestatie tegenoverstaat
  • Marktmechanisme
    Het aanbod van goederen en diensten komt tot stand door de vrije werking van vraag en aanbod
  • Wat verstaan we onder budgetmechanisme?
    De overheid beslist welke goederen en diensten geproduceerd worden, op welke manier de productie plaatsvindt en tegen welke prijs ze verkocht worden
  • Wat zijn de 4 productiefactoren
    1. Arbeid
    2. kapitaal
    3. natuur
    4. ondernemerschap
  • Micro-economie
    Economische keuzeproblemen individuele consumenten en producten
  • Om goederen en diensten aan te kunnen bieden moeten deze eerst geproduceerd worden, dit noemen we productiefactoren, welke 4 factoren zijn er?
    1. Arbeid: Tijd en inspanning van mensen om goederen en diensten te produceren
    2. Kapitaal: Geproduceerde middelen die nodig zijn voor de productie van goederen en diensten
    3. Natuur: Dit omvat alle natuurlijke hulpbronnen, zoals grond, lucht, water zon en delfstoffen (bijvoorbeeld ijzererts)
    4. Ondernemerschap: Organisatie benodigd voor de productie van goederen en diensten. Zij dragen het risico op winst of verlies en bedenken nieuwe manieren produceren of nieuwe producten
  • Via welke 2 manieren kan de economische orde geregeld worden
    Budgetmechanisme en marktmechanisme
  • Vrije goederen
    Goederen die onbeperkt ter beschikking staan voor iedereen, daardoor is er geen keuzeprobleem
  • Macro-omgeving
    Omvat de omgevingsfactoren die grote invloed op de resultaten uitoefenen, maar die de onderneming zelf niet kan beïnvloeden
  • Endogene grootheid
    Grootheid waarvan de waarde met behulp van het model wordt berekend
  • Productiefactoren
    De voor de productie benodigde middelen (arbeid, kapitaal, natuur en ondernemerschap)
  • Meso-economie
    Economische vraagstukken op bedrijfstakniveau
  • Schaarste
    De spanning als gevolg van de beperkte beschikbaarheid van alternatieve aanwendbare middelen voor het voorzien in een onbeperkt aantal behoeften
  • Bruto binnenlands product
    De waarde van goederen en diensten die in een land worden geproduceerd
  • Planeconomie
    Een centraal geleide economie, bijvoorbeeld Noord-Korea
  • Internationale economische betrekkingen
    Bestudeert de internationale handel in goederen en diensten en het financiële verkeer tussen landen
  • Primair inkomen
    Inkomen waar een tegenprestatie tegenover staat
  • Budgetmechanisme
    De overheid bepaalt het aanbod van goederen en diensten door middel van het toekennen van budgetten
  • Arbeid
    De tijd en inspanning die mensen besteden aan de productie van goederen en diensten
  • Gemengde economie
    Mengvorm van markt- en planeconomie
  • Ondernemerschap
    De organisatie van het productieproces
  • Omgevingsfactoren
    Factoren waarop de organisatie zelf geen invloed kan uitoefenen
  • macro-economie
    Vraagstukken op landelijk en internationaal niveau
  • Economische orde
    De manier waarop de onderlinge afstemming van productie en consumptie is georganiseerd
  • Monetaire economie
    Bestudeerd hoe de geldhoeveelheid de rentevoet, de wisselkoers, de inflatie, de productie en de werkgelegenheid beïnvloed en in welke mate het monetaire beleid de ontwikkeling van deze variabelen beïnvloed
  • Externe omgeving
    De factoren buiten de onderneming die gedrag en resultaat van de onderneming beïnvloeden. Onder te verdelen in de macro- en directe omgeving.
  • Kapitaal
    De geproduceerde goederen en diensten die voor de productie van andere goederen en diensten worden gebruikt
  • Economisch handelen
    Aanpak van het keuzeprobleem bij het omgaan met schaarse middelen
  • Alternatieve kosten
    De opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief
  • Allocatie van productiefactoren
    Mechanisme dat bepaalt voor welke goederen de productiefactoren in welke mate worden ingezet
  • Directe omgeving
    Bestaat uit de partijen op de in- en verkoopmarkten, waarmee de onderneming zaken doet
  • Algemene economie
    Micro-economie: economische keuzeproblemen van individuele consumenten en producenten 
    Meso-economie: economisch vraagstukken op bedrijfstakniveau
    Macro-economie: vraagstukken op landelijk en internationaal niveau
  • Natuur
    Alle natuurlijke hulpbronnen
  • Ceteris paribus clausule
    De waarde van verklarende factoren die niet in het model zijn opgenomen, wordt constant verondersteld
  • Markt
    Het geheel van factoren dat vraag en aanbod bepaalt
  • Exogene grootheid
    Grootheid waarvan de waarde bepaalt wordt door factoren buiten het model
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Algemene economische basisprincipes
  • D J de Jong, C J de Lange
  • 9789001797812 of 9001797814
  • 2e [gew.] dr.

Samenvatting - Algemene economische basisprincipes

  • 1 Plaatsbepaling en basisbegrippen 11

  • wat zijn de omgevingsfactoren

    demografisch, economisch, sociaal-cultureel, technologisch, ecologisch, politiek juridisch

  • Wat is welvaart?

    Welvaart geeft aan in hoeverre er behoeftebevrediging met behulp van schaarse goederen en diensten door de consumenten plaatsvindt.

  • Algemene economie
    het vakgebied waar in micro-economie, meso-economie en  macro-economie uitgelegd word
  • Leerdoel 1.1
    De relevantie van het begrip schaarste voor het ondernemingsbeleid te omschrijven. 

    We hebben maar een beperkt aantal grondstoffen en elke euro en minuut kunnen we maar 1 keer gebruiken. Hoe kan een bedrijf het meeste halen uit alle grondstoffen, uit al het kapitaal en uit alle uren die er in een product gestopt worden?
  • Wat betekent BTW?
    belasting toegevoegde waarde
  • Wat betekent BTW?
    Belasting Toegevoegde Waarde
  • Wat is 'schaarste'?
    ;sdkf
  • Wat is welvaart?
    Welvaart geeft aan in hoeverre er behoeftebevrediging met behulp van schaarse goederen en diensten door de consumenten plaatsvindt.
  • eryertye
  • Allocatie van productiefactoren
    hiermee wordt er bepaalt voor welke goederen de productiefactoren en in welke maten wordt ingezet
  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.

    De marktomgeving:
    Leveranciers: de andere bedrijven die jou producten leveren die je nodig hebt. Ze kunnen arbeid, grondstoffen, halffabrikaten, machines, gebouwen en vermogen leveren.

    Klanten: de mensen die jouw producten kopen.

    Concurrenten: Bedrijven die je goed in de gaten moet houden op de ontwikkelingen die zij doormaken en waar nodig jezelf aanpassen om de concurrentie bij te kunnen houden.

    Werknemers: De mensen die jouw producten in elkaar zetten. Met je klanten spreken en de image van je bedrijf kunnen maken of breken.

    Banken: Zorgen voor het kapitaal wat je nodig hebt om je bedrijf op te starten, tenzij je stinkend rijk bent natuurlijk. Ook wel vreemd vermogen genoemd.

    Aandeelhouders: Kopen aandelen van jouw bedrijf, waardoor jij nieuw kapitaal binnen krijgt en zij een zegje in jouw bedrijf.
  • eryertert
  • Alternatief aanwendbaar
    Geld, tijd en productiemiddelen zijn voor verschillende doelen bruikbaar echter maar voor een doel inzetbaar.

  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.


    Economieën

    Budgetmechanisme:
    De overheid bepaald wat er geproduceerd wordt en in welke mate het geproduceerd wordt. Ook bepalen ze de prijs van de goederen.

    Bij een democratisch budgetmechanisme bepaald het parlement deze dingen. Door de partij te kiezen die past bij jouw bestedingsplan kan je de dingen kopen die je leuk vind, maar als er een andere partij wordt gekozen veranderen deze dingen ook weer.

    Bij bureaucratisch budgetmechanisme bepaald de staat wat er wordt geproduceerd word. De consumenten hebben hierop geen enkele invloed. Een ander woord hiervoor is planeconomie. (bijvoorbeeld: Noord-Korea en Wit-Rusland)

    Marktmechanisme:
    Bij het marktmechanisme liggen de producten en de prijzen van deze producten volledig in de handen van de consumenten en producenten. Als consumenten een product niet meer kopen dan worden ze van de markt gehaald en als het product populair is komen er verbeterde versies van op de markt. Dit wordt ook wel de markt van vraag en aanbod genoemd.

    Gemengde economie:
    In werkelijkheid is geen enkel land een 100% planeconomie of markteconomie. De mate waarin de 2 voorkomen is per land verschillend. Noord-Korea is bijvoorbeeld voor 90% een planeconomie en Hong Kong is weer 90% een markteconomie.
  • Alternatieve kosten
    De opbrengst van het beste niet gekozen alternatief.
  • Leerdoel 1.2/1.3
    De omgeving van een bedrijf kunnen scannen op belangrijke factoren en ontwikkelingen./ De relevantie van deze factoren en ontwikkelingen te onderbouwen.

    De niet-marktomgeving:
    De niet-marktomgeving kan zeer veel invloed hebben op een bedrijf, maar een bedrijf kan geen invloed hebben deze markt.

    Belangengroepen: Deze bedrijven zijn er voor de consument. Ze houden de bedrijven in de gate en als een bedrijf oneerlijke dingen doet wordt dat in het licht gebracht. Voorbeelden zijn de Consumentenbond.

    Activisme, publieke opinie en media: Bedrijven worden heel erg beinvloed door hoe ze in het nieuws komen. Als ze slecht in het nieuws komen is het lastig om het vertrouwen van de consument weer terug te winnen. Als ze goed in het nieuws komen dan zal de afzet alleen maar stijgen. Een voorbeeld van activisten is Greenpeace.

    Toezichthouders: Ze houden het bedrijf in de gate op corruptie of ontduiking van belastingen etc. Voorbeelden zijn AFM, Opta, NMA en de Nederlandse Bank.

    Overheid: de overheid kan nieuwe weten invoeren, waardoor het bedrijf zijn beleid aan moet passen of schoner moet gaan produceren. Ook kan de overheid bijvoorbeeld subsidies op bepaalde producten geven.

    NGO's (Non Govermental Organisation): Zijn non-profit organisaties die volledig voor en door burgers zijn opgezet. Voorbeelden zijn WNF, Amnesty International, Unicef, Rode Kruis en Artsen zonder grenzen.

    Ook spelen andere zaken een rol in de niet-marktomgeving:
    Dit wordt samengevat in de DESTEP:
    D - Demografisch
    E - Economisch
    S - Sociaal-cultureel
    T - Technisch
    E - Ecologisch
    P - Politiek-juridisch
  • Arbeid
    De tijd en inspanning die mensen besteden aan de productie van goederen en diensten.
  • Leerdoel 1.4
    Succes- en faalfactoren van strategisch omgevingsmanagement te onderkennen.

    Succes

    Shell:
    Shell overleefde de oliecrisis in de jaren '70 door middel van scenarioplanning. 

    BP: 
    Veranderde haar imago toen een meneer over de wereld riep: De aarde warmt op. Van Britsich Petroleum naar Beyond Petroleum. Ze waren niet zomaar een oliebedrijf, maar een energie bedrijf met duurzame energie. 

    Novartis: 
    Een medicijnbedrijf. Ze wilde natuurlijk winst maken, ook in 3de wereld landen, maar om ervoor te zorgen dat de overheid geen regeltjes op hun tarieven gingen stoppen, besloten ze een lijst met medicijnen gratis weg te geven in die landen. Hierdoor ging hun imago natuurlijk behoorlijk omhoog. 

    Falend

    ABN-AMRO:
    abn-amro verwaarloosde haar relatie met de Nederlandse overheid, waardoor de Nederlandse overheid de vijandige overname van abn-amro niet heeft tegen gehouden. 

    BP:
    Olieramp in de golf van Mexico. Hun image was opeens weg. Ze waren nog steeds een vieze stikkende oliemaatschappij. Ze hadden hun onderhoud niet gedaan. 

    GM:
    Amerikanen waren geïnteresseerd in kleine auto's. GM had dit te laat in de gaten. Is door de Amerikaanse overheid gered. Met als voorwaarde dat ze zuinige auto's moesten gaan produceren en GM is tegenwoordig weer winstgevend.
  • Bruto binnenlands product (BBP)

    De waarde van goederen en diensten die in een land worden geproduceerd.

    Inkoop + toegevoegde waarde = verkoop

  • Leerdoel 1.5
    Maatregelen bedenken die inspelen op de ontwikkelingen in de bedrijfsomgeving.

    1. Het is belangrijk om de bedrijfsomgeving continu te blijven scannen.
    Voor de marktomgeving kan je gebruik maken van het 5 krachtenmodel van Porter. 

    - Potentiële toetreders
    - Leveranciers
    - Substituten
    - Afnemers 
    Leid allemaal naar - Concurrenten

    Voor de niet-marktomgeving is er de nonmarket strategy van David Bach. 
    INFORMATIE OP BLACKBOARD

    2. Ook is het belangrijk om de toekomst te verkennen. 
    Dit kan door te kijken naar de voorspellingen die de economen maken. Ook kan je net als shell gaan doen aan scenarioplanning. Voor elk scenario kan je weer een stappenplan maken met trendanalyse. 
  • Budgetmechanisme
    De overheid bepaalt het aanbod van goederen en diensten door middel van het toekennen van budgeten.
  • Cetris paribus clausule
    het constant houden van variabele die je niet wil meten in je model.
  • Economisch handelen
    de manier waarop consumenten, producten en overheden omgaan met schaarse en een alternatief te bedenken hoe ze hun doelstelling kunnen bereiken.
  • Economische orde
    De manier waarop de onderlinge afstemming va productie en consumptie is georganiseerd.
  • Endogene factoren

    afhankelijk van de waarde van de model.

    waarde wordt bepaalt door model.

  • Exogene factoren

    Afhankelijk van de waarden van het model

    Waarde wordt bepaalt door externe factoren

  • Externe omgeving

    de factoren buiten de onderneming die gedrag en resultaat van de onderneming beïnvloeden.

    ABCD (Meso) Kun je niet veranderen heb je wel invloed in.

    DESTEP (Macro) Kun je niet veranderen wel op reageren. 

  • Gemengde economie
    Dit is een meng vorm van markt- en planeconomie
  • Kapitaal
    De geproduceerde goederen en diensten die voor de productie van andere goederen en diensten gebruikt worden.
  • Markt
    het geheel van factoren dat vraag en aanbod bepaalt.
  • Marktmechanisme
    Het aanbod van goederen en diensten komt tot stand door de vrije werking van vraag en aanbod
  • Natuur
    Alle natuurlijke hulpbronnen
  • Ondernemerschap
    De organisatie van het productieproces.
  • Primair inkomen
    Inkomen waar een tegenprestatie tegenover staat
  • Productiefactoren
    de voor de productie benodigde middelen( Arbeid, Kapitaal, Natuur, Ondernemerschap).
  • Schaarste
    het beperkt beschikbaarheid van goederen of diensten in een onbeperkt aantal behoeften. 
  • Vrije goederen
    onbeperkt ter beschikking voor iedereen daardoor is er geen keuze probleem
  • Welvaart
    de mate waarin consumenten met schaarse, alternatief aanwendbaar middelen in hun behoeften kunnen voorzien.
  • Kernvraag
    Wie, Wat, Waar, Hoe, Voor wie.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Prisoners' dilemma
Studie van het strategische gedrag van ondernemingen op oligopolistische markten. Er wordt gebruikgemaakt van een strategie. Een slechter resultaat dan mogelijk komt hierdoor
Prijsdiscriminatie
Het in rekening brengen van verschillende prijzen voor exact hetzelfde product aan verschillende groepen afnemers. Voorwaarden voor prijsdiscriminatie zijn gescheiden deelmarkten, verschil in prijselasticiteit en sterke marktpositie
Normale winst
De alternatieve kosten van het eigen vermogen van de onderneming
Wettelijke monopolie
De overheid beschermt een producten tegen concurrenten
Productlevenscyclus
De ontwikkeling in de afzet die een product gedurende de opeenvolgende fasen van zijn levenscyclus doorloopt. In een levenscyclus worden de volgende fasen onderscheiden: introductie, groei, rijpheid en stagnatie
Monopolie
Marktvorm waarbij er in een bedrijfstak maar een aanbieden is. Grondslag monopolie kan zijn wettelijk, technisch of natuurlijk
Marktmodel
Eenvoudige weergave van de markt waarbij wordt verondersteld dat vraag en aanbod alleen afhankelijk zijn van prijs
prijsdifferentiatie
Verschillende wensen van consumenten leiden tot verschillende productvarianten met verschillende prijzen
Evenwichtsprijs
Prijs waarbij vraag en aanbod aan elkaar gelijk zijn
Bedrijfstak evenwicht
Situatie bij volkomen concurrentie waarbij er normale winst wordt gemaakt