Samenvatting Anatomie

104 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Anatomie

  • 1 alg Myologie (week 1)

  • Wat zijn de 3 soorten spieren?
    • Skelet spieren, ook wel dwarsgestreepte spieren genoemd. Beweging uitvoeren/remmen/begeleiden, gewrichten stabiliseren. Bewust onder controle.
    • Hart spier, speciaal soort weefsel alleen te vinden in het hart. Onvermoeibaar en onbewust.
    • Gladde spieren, spieren om organen en bloedvaten.
  • Wat zijn de soorten spiervezels?
    Er zijn 3 soorten spiervezel.
    Type 1(tonisch): Slow twitch. Kleinste vezels, rode kleur, minste kracht , beste uithoudingsvermogen.  Voornamelijk aerobe verbranding begruikt bij low intensity /lange dure activiteiten zoals joggen fietsen etc 
    Type 2a(Fasisch): Fast twitch, middel grote vezels. 5x zoveel kracht als type 1. Minder uithoudingsvermogen. Deels aeroob en anearoob.  Bij activiteiten als 1km sprint, zwemmen etc...
    Type 2x(b)(Fasisch): Fast twich, gootste vezels, wit van kleur door mindere doorbloeding. 10x zoveel kracht als type 1. Uithoudingsvermogen van 15-30 seconden. Voornamelijk anearoob , explosieve kracht. Gewichtheffen, 100m sprint etc.
  • Hoe lopen de siervezels?
    De spiervezels lopen op 2 verschillende manieren.
    Furiforme spieren: Vezels liggen in de lengte richting van de pees en parallel aan elkaar. De maximale vezelverkorting en de daadwerkelijke zijn identiek (max contractie).
    Penate spieren: De vezels staan in een hoek ten opzichte van de lengterichting van de pees (tot 30). Door de hoek meer vezels mogelijk dus meer kracht.
  • Begin en einde van een spier?
    Origo: is het begin van de spier (proximaal gelegen).
    Insertie: is het einde van de spier(distaal gelegen). 

    In een open keten beweegt de insertie naar de origo
    In een gesloten keten beweegt de origo naar de insertie
  • Hoe noem je een spier die over 1 of meerdere gewrichten loopt?
    1 gewricht: mono-articulair
    2 gewrichten: bi-articulair 
    3 of meer gewrichten: multi-articulair
  • Soorten contracties en hoe heten de werkende spieren?
    Concentrisch
    Exentrisch
    Isometrisch

     Agonist: de spier die samentrekt
    Antagonist: De tegenovergestelde spier ontspant
    Synergist: Spieren die de agonist ondersteunen en begeleiden in de bewegingen, Gewrichten stabiliseren.
  • Wat is actieve en passieve insufficiëntie?
    Actieve insufficiëntie: De spier is maximaal samengetrokken en kan niet verder, terwijl het gewricht nog in in de maximale ROM zit.
    Passieve insufficiëntie: De spieren kunnen niet verder uitgerekt worden, terwijl gewricht nog niet in de maximale ROM zit.
  • Wat is de moments arm van de spier?
    Moment= kracht x arm

    De arm is de afstand vanaf het draaipunt(gewricht) tot de werklijn van de spier.
  • 2 alg Artrologie (week1)

  • Wat zijn de anatomische assen en vlakken?
    Frontale vlak/Saggitale as
    Saggitale vlak/Transversale as
    Transversale vlak/Longitudinale as
  • Wat is de opbouw van een synoviaal gewricht?
    Kapsel bestaat uit,
    • Gewrichtsholte
    • Gewrichtskraakbeen (Chondro)
    • Gewrichts kapsel, membrana synovia en membrana fibrosa.
    • Synovia
    • Soms meniscus of een discus
    • Ligamenten
  • Wat voor soort synoviale gewrichten, hun vrijheidsgraden en een voorbeeld?
    1. Scharniergewricht, 1 graad, art. Genis (knie)
    2. Rolgewricht, 1 graad, art. Radio-ulnair proximaal
    3. Zadelgewricht, 2 graden, art. Polex (duim)
    4. Ellipsoidgewricht, 2 graden, art. Carpus (pols)
    5. Bol/kogelgewricht, 3 graden, art. Coxae (heup)
    6. Vlakgewricht, 2 graden, (middenhand beentjes)
  • Wat zijn de vlakken/assen/bewegingen schouder-heup en elleboog-knie?
    Schouder-Heup: articulus humeroulnaris, art coxae, bolgewricht, 3 assen, AB/ADductie, ENDO/EXOrotatie, ANTE/RETRO flexie.
    Elleboog: articulus cubiti, scharnier gewricht, 1 assig, Flexie/Extensie.
    Knie: articulus genis, scharnier gewricht, 1 assig Flexie/Extensie. Maar door de meniscus ook endo/exorotatie
  • 3 Heup deel 1/2 (week 2/3)

  • Wat voor soort gewricht is de art. Coxae?
    Het is een kogelgewricht.
  • Wat is de bewegelijkheid van het art. Coxae?
    Het is een kogelgewicht.
    • Deze heeft 3 assen(vrijheidsgraden), 6 beweegrichtingen.
    De beweegrichtingen zijn. 

    1. anteflexie/retroflexie
    2. abductie/adductie
    3. endorotatie/exorotatie 
  • Wat is de ROM van de bewegingen in het art. Coxae?
    • Anteflexie 120
    • Retroflexie 20
    • Abductie 45
    • Adductie 30
    • Exorotatie 45
    • Endorotatie 35


    Uitgaand van een ontspannen symmetrische stand, per individu kunnen deze uitslagen (veel) verschillen.
  • Hoe kan het dat de ROM niet in alle richtingen gelijk is bij het art. Coxae?
    Dit komt door de stand van het acetabelum en de spieren en ligamenten die er omheen liggen.
  • Wat zijn de ligamenten van het art. Coxae en hun werking?
    Het art. Coxae heeft 4 ligamenten.
    1.  Lig. Illiofemorale superior, remt: retroflexie/exorotatie/adductie
    2.  Lig. Illiofemorale inferior, remt: retroflexie
    3.  Lig. Pubofemorale, remt: retroflexie/exorotatie/abductie
    4.  Lig. Ischiofemorale, remt: retroflexie/endorotatie/adductie
  • Waarom zijn rotaties in het art. Coxae groter in Anteflexie?
    Dit komt doordat geen van de ligamenten anteflexie remt, alle ligamenten remmen retroflexie. Door anteflexie (90)te maken neemt de spanning op de ligamenten af.

    De beweging in rotatie richtingen is dan groter om de ligamenten toch op spanning te krijgen. 

    Exorotatie kan dan tot 60 graden.
    Endorotatie kan dan tot 40 graden.

    Exorotatie: geremd door Lig. Pubofemorales en Lig. Illiofemoralis superior.
    Endorotaite: geremd door Lig.ischiofemorale.
  • Hoe heet het heup bot en uit welke delen bestaat dit?
    • Os coxae
    1. Os illium
    2. Os pubis
    3. Os isschie
  • Wat zijn de botpunten van het Os coxae?
    1. Supra iliaca anterior superior (SIAS)
    2. Supra iliaca anterior inferior (SIAI)
    3. Supria iliaca posterior superior (SIPS)
    4. Supra iliaca posterior inferior (SIPI)
    5. Crista iliaca
    6. Tuber ischiadicum
    7. Spina ischiadica
    8. Acetabelum
    9. Facies lunata
    10. Foramen obturatorium
  • Wat zijn de botpunten van proximale deel Os femur?
    1. Caput femoris
    2. Fovea capitis
    3. Collum femoris
    4. Trochanter major
    5. Trochanter minor
    6. Linea intertrochanterica
    7. Crista intertrochanterica
    8. Fossa trochanterica
    9. Linea pectinea
    10. Linea aspera
    11. Tuberositas glutea
    12. Corpus femoris
  • Welke spieren geven Anteflexie in het art. Coxae?
    Belangrijkste:
    • M. Rectus femoris
    • M. Sartorius
    • M. Iliopsoas (m. Iliacus, m. Psoas major)


    Spieren die ook werken bij Anteflexie::
    • M. Tensor fasciae latae
    • M. Pectineus
    • M. Adductor longus
    • M. Gracilis
    • M. Gluteus medius (voorste deel)
    • M. Gluteus minimus
    • M. Adductor brevis
  • Welke spieren geven Retroflexie in het art. Coxae?
    Belangrijkste (hamstrings):
    • M. Biceps femoris caput longum
    • M. Semitendinosus
    • M. Semimembranosus


    Spieren die ook werken bij Retroflexie:
    • M. Gluteus maximus
    • M. Gluteus medius
    • M. Adductor mangnus
  • Welke spieren geven Adductie in het art. Coxae?
    Belangrijkste: 
    • M. Adductor magnus
    • M. Adductor longus
    • M. Adductor brevis
    • M. Gracilis 


    Spieren die ook werken bij Adductie:

    • M. Pectineus
  • Welke spieren geven Abductie in het art. Coxae?
    Belangrijkste:
    • M. Gluteus medius
    • M. Tensor fascia latae


    Spieren die ook werken bij abductie:

    • M. Gluteus minimus
    • M. Gluteus maximus
  • Welke spieren geven Exorotatie in het art. Coxae?
    Belangrijkste:
    • M. Pectineus
    • M. Adductor mangus
    • M. Adductor brevis
    • M. Gluteus maxiumus
    • M. Gluteus medius (laatste deel)
    • M. Sartorius


    Spieren die ook werken bij Exorotatie:

    • M. Piriformis
    • M. Obturatorius internus
    • M. Obturatorius externus
    • Mm. Gemelli
    • M. Quandratus femoris
  • Welke spieren geven Endorotatie in het art. Coxae?
    Belangrijkste:
    • M. Tensor fascia latea
    • M. Gluteus minimus
    • M. Gluteus medius (voorste deel!)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Anatomie

  • 1 Bouw en functie van cellen

  • Anatomie
    De kennis en de bouw van het menselijk lichaam.
  • Functie van de cellen?
    De kleinste bouwstenen  van het menselijk lichaam.
  • Functie van de transportsysteem?
    Om de voedingstoffen door het lichaam te verplaatsen en afvalstoffen af te voeren.
  • Functie van de orgaanstelsel of de orgaan?
    Het leven op gang houden
  • Functie van het zenuwstelsel?
    Zorgt voor de communicatie tussen de organen
  • Fysiologie;
    de wetenschap die het functie van levende organismen bestudeert  en probeert door te dringen tot wat leven is.
  • Fysiologie kan men in 2 groepen levensverrichtingen onderscheiding?
    - vegetatieve  (plantaardige) verrichting
    - animale   (dierlijke) verrichting
  • Leven organismen bestaat uit?
    1 of meer cellen die ervoor zorgen dat de soort en individu in  wordt gehouden.
  • Histologie is
    De leer van de bouw en functie van de weefsels. 
  • Weefsel bestaat uit
    een groot aantal cellen met dezelfde bouw en functie.
  • Cytologie
    bestudeert de bouw en functie van de cellen.
  • Kenmerkende eigenschappen en leeft van een cel?
    - stofwisseling; opnemen, verwerken en uitscheiden van stoffen
    - het verrichten van arbeid (bv bewegen)
    - het vermogen om prikkels uit de omgeving te reageren
    - voortplanting
    - groei
  • Een cel bestaat uit?
    - een wand
    - de celmembraan
    - celvloeistof / het cytoplasma
    - de celkern
  • Celmembraan is;
    een dun vlies met gaatjes (poriën) dat voedingsstoffen, afvalstoffen en water kan doorlaten.
  • celplasma of cytoplasma
    bestaat voor 3/4 deel uit water en uit voedingstoffen zoals eiwitten, lipoïden (vetachtige stoffen), koolhydraten en mineralen.
  • Celkern / kernwand/ nucleus
    - is evenals de cel omgeving door een wand 
  • Kernmembraan
    Heet ook de kernwand
  • Protoplasma /kernvloeistof is;
     bevindt zich in de celkern
  • Menselijke chromosomen bevat uit hoeveel chromosomen?
    De menselijk celkern bevat uit 46 chromosomen.
  • Chromatinekorrels zijn;
    - de chromosomen die buiten de celdeling ontrollen  en lijken op de korreltjes in de kern
  • Genen zijn;
    Stukjes DNA die informatie bevat door één erfelijk eigenschappen.
  • Celmembraan
    Is een doorlaatbare vlies voorzien van kleine uitstulpingen die men receptoren, ontvangers noemt
  • Cellichaam
    Bevindt zich daar binnen in de celmembraan
  • Cytoplasma/ celplasma
    Een geleiachtige vloeistof in de cellichaam.
  • Organellen
    Een groot aantal lichaampjes in het cytoplasma buiten de celkern
  • Centraallichaampjess of poollichaampjes
    Bevindt zich in het cytoplasma als de cel zich gaat delen
  • Protoplasma
    Het kernvocht dat zich binnen in de celkern bevindt
  • Chromosomen
    Bevindt zich in het kernprotoplasma waarop de erfelijke eigenschappen vastliggen
  • DNA/ kernzuur
    De chromensomen zijn opgebouwd uit lange ketens van een ingewikkeld organische zuur
  • Genen
    Bepaalde delen van de DNA molencule bepalen de erfelijke eigenschappen
  • De  functie of levensverrichtingen van de cel kunnen we verdelen in:
    Animale levensverrichtingen;   prikkelbaarheid en beweging
    Vegetatieve levensverrichting;   stofwisseling, groei en voorplating.
  • Beweging
    cellen is in staat zich te bewegen. Enkelvoudige cellen doen dat door van vorm te veranderen (uitstulpingen, schijnvoetjes/ zweefstaartje) en kunnen ze zich in een vloeistof voortbewegen.
  • Prikkelbaarheid
    is vermogen van een cel om te reageren op prikkels vanuit de omgeving. Elke cel reageert op aanraking en heeft afweermechanisme. De prikkelbaarheid dient om het leven van de cel te beschermen en is prikkelbaar en kent prikkelgeleiding.
  • Groei
    - Elke cel heeft het vermogen om te groeien om zich optimaal te ontwikkelen.


    - cellen kunnen in grootte groeien ,maar ook aantal

    - ze groeien niet even snel en geen gelijke levensduur.

    - witte bloed cellen leven 3 á 4 dagen rode bloedcellen 120 dagen
  • Stofwisseling
    cel neemt (voeding)stoffen op en geeft de resten na verbranding weer af (afvalstoffen)
  • Voorplanting
    geslachtcellen (de eicellen en zaadcellen)
  • Mitose
    de indirecte celdeling vindt plaats bij de ongeslachtelijke voortplanting. eerst deling van de celkern plaats en daarna het cellichaam
  • Meiose
    is de reductiedeling en vindt plaats bij de geslachtelijk voorplanting waarbij de erfelijkheid wordt bepaald
  • De aanmaak van nieuwe cellen gescheidt door de celdeling
    - directe celdeling/ mico-organismen
    - indecte/metose. Vind plaats bij de ongeslachtelijk voorplanting
    - reductiedeing/meiose. Vind plaats bij de geslachtelijk voorplanting
  • Directe celdeling
    - vindt de deling van het cellichaam en de celkern gelijktijdig plaats bij eencellige organismen de micro-organismen/ microben
  • Indirecte celdeling
    - vindt eerst een deling van de celkern plaats en daarna volgt het cellichaam
  • De reductiedeling of geslachtelijke celdeling/meisose
    Hierbij ontstaan cellen die maar de helft van het aantal chromosomen bevatten. 23 ipv 46 in vorming van geslachtcellen
  • Ectoderm
    het buitenste kiemblad; ontstaat de huid, huidklieren, haren nagels en zenuwen
  • Mesoderm
    het middelste kiemblad; ontstaat het bindweefsel, vaatweefsel, vetweefsel en spierweefsel. 
  • Endotherm
    het binnenste kiemblad; ontstaan de inwendige organen.
  • Epitheelcellen/ dekweefselcellen
    dienen voor de buitenste bekleding van het organisme. bv de huid.
  • Bindweefselcellen
    dienen als vulmiddel en helpen mee de diverse organen op hun plaats te houden. bv  beenweefsel, kraakbeen, banden, pezen , spieren en het bloed
  • Spiercellen
    dienen om verschillende bewegingen van het organismen moeilijk te maken bv de spierweefsel onder invloed van een zenuwprikkel kunnen die samentrekken
  • Zenuwcellen
    dienen om signalen van binnenuit en buitenaf door te geven en te verwerken tot reactieprikkels.
  • Zenuwweefsel bestaat uit 2 soorten cellen met veel uitlopers.
    neuronen en steuncellen / gliacellen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat voor soort gewricht is het ART. Humero-radialis?
Anatomisch gezien is het een bol gewricht.
De Kop= Capitulum humeri
De Kom= Fovea articularis 

Maar omdat het gekoppeld is aan ART. Humero-ulnaris zij de bewegingen beperkt door flexie extensie.

En  ROTATIE door middel van het ART. Radio-ulnaris proximalis, wat pro en supinatie is.
Wat zijn de 7 botpunten van de RADIUS?
  1. Caput radii
  2. Tuberositas radii
  3. Incisura ulnaris
  4. Porcesses. Styloideus radii
  5. Collum radii
  6. Tuberculum dorsale
  7. Fovea articularis (kom art. Humero-radi)
Wat zijn de ligamenten in het Art. Radiocarpalis?
Er zijn 2 ligamenten (die wij moeten weten nu)

  • Lig. Collaterale carpi ulnare 
  • Lig. Collaterale carpi radiale   
Welke ligamenten heb  je in het Art. Cubiti?
Jet hebt 3 ligamenten in het Art. Cubiti.
  • Lig. Collaterale radiale (laterale)
    • Geleidt de buig- en strekbewegingen
    • Verhindert varus-positie onderarm

  • Lig. Collaterale ulnare (mediale)
    • Geleidt de buig- en strekbewegingen
    • Verhindert valgus-positie onderarm

  • Lig. Anulare radii
    • Maakt deel uit van de kom van radio-ulnaire gewricht.
Welke spieren geven Radiaal ABductie?
RadiaalABductie in het Art. Radiocarpalis.

Spieren:
  • M. Flexor carpi radialis
  • M. Extensor carpi radialis longus
  • M. Extensor carpi radialis brevis
  • M. Abductor pollicis longus
  • M. Extensor pollicis brevis
  • M. Extensor pollicis longus
  • M. Extensor digitorum (synergist)  
Welke spieren geven Ulnair ABductie?
Ulnair ABductie in het Art. Radiocarpalis.

  • M. Flexor carpi ulnaris
  • M. Extensor carpi ulnaris 
Welke spieren geven Dorsaalflexie in de pols?
Dorsaalflexie in het Art. Radiocarpalis.

Spieren:
  • M. Extensor carpi radialis longus
  • M. Extensor carpi radialis brevis
  • M. Extensor carpi ulnaris


Synergisten:
  • M. Extensor digitorum (synergist)
  • M. Extensor digiti minimi (synergist)
  • M. Extensor pollicis longus (synergist
  • M. Extensor indicis (synergist  
Welke spieren geven Palmairflexie in de pols
Palmairflexie in het Art. Radiocarpalis.

Spieren:
  • M. Flexor carpi radialis
  • M. Palmaris longus
  • M. Flexor carpi ulnaris 
  • M. Flexor digitorum superficialis (synergist)
  • M. Flexor digitorum profundus
  • M. Flexor pollicis longus (synergist)    
Welke spieren geven supinatie in de elleboog?
Supinatie in de elleboog, Art. Radio-ulnaires proximales en Art. Humero-radius

Spieren:
  • M. Supinator

Synergisten:
  • M. Biceps brachii 
  • M. Brachioradialis
  • M. Extensor carpi radialis brevis
  • M. Extensor carpi radialis longus
   
Welke spieren geven pronatie in de elleboog.
Pronatie in de elleboog, Art. Radio-ulnaires proximales en Art. Humero-radius

Spieren:
  • M. Pronator quadratus 

Synergisten:
  • M. Brachioradialis
  • M. Pronator Teres
  • M. Flexor carpi radialis
  • M. Extensor carpi radialis brevis
  • M. Extensor carpi radialis longus