Samenvatting Anatomie & Pathologie

-
ISBN-13 9789082161038
113 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Anatomie & Pathologie". De auteur(s) van het boek is/zijn H A Rothman Harmsen. Het ISBN van dit boek is 9789082161038. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Anatomie & Pathologie

  • 1.1 Anatomische houding

  • Hoe ziet voor de mens de standaard anatomische houding eruit?
    1. Rechtopstaande positie
    2. Voeten bij elkaar
    3. Armen langs de zijde hangend
    4. Handpalmen voorwaarts gericht
  • 1.2 Anatomische vlakken

  • In de anatomie wordt gebruik gemaakt van aanzichten en doorsnedes. Hierbij worden 3 soorten vlakken gebruikt. Deze gangbare vlakken zijn...
    1. Saggitaal vlak (verdeelt het lichaam in linker- en rechterdeel)
    2. Frontaal vlak (verdeelt het lichaam middendoor
        (voorste/ventraal deel (=buikzijde) en een achterste/dorsale deel
        (=rugzijde)
    3. Transversaal vlak/horizontaal vlak (verdeelt het lichaam in een
        bovenste en onderste deel
  • 1.3 Plaatsbepalende begrippen

  • Plaatsbepalende begrippen geven een punt aan het lichaam of van een ledemaat aan waardoor je weet of dit gelegen is aan de binnen-of buitenzijde, voor- of achterzijde, veraf- of dichtbijgelegen, bij het middel- of centrale punt van het lichaam gelegen. Welke 10 plaatsbepalende begrippen kennen we en wat geven ze aan?
    1. Proximaal; naar het centrum (romp) van het lichaam toegelegen
    2. Distaal; meer naar het uiteinde gelegen (van de romp af)
    3. Lateraal; aan de buitenzijde gelegen (van de middellijn van het
        lichaam af, naar de  zijde toe)
    4. Mediaal; aan de binnenzijde gelegen (naar de middellijn van het
         lichaam toe
    5. Ventraal; aan de voor- of buikzijde gelegen
    6. Anterior; aan de voorzijde gelegen (synoniem van ventraal, wordt
        gebruikt in namen van bep. spieren die aan de voorzijde
        verlopen
    7. Dorsaal; aan de achter- of rugzijde gelegen
    8. Posterior; aan de achterzijde gelegen (synoniem van dorsaal;
        wordt gebruikt in namen van bep. spieren die aan de
        achterzijde verlopen
    9. Plantair; zoolwaarts (aan de zoolkant m.b.t. de voetzool)
    10. De voet > voetrug = dorsale zijde v/d voet
                            vootzool = plantaire zijde v/d voet
  • 1.4 Begrippen waarmee bewegingen worden aangeduid

  • Wanneer spreken we van een gewricht?
    Daar waar twee of meer botten een verbinding vormen
  • Wat bepaald de bewegingsmogelijkheid van een gewricht?
    De bewegingsmogelijkheid van een gewricht wordt bepaald door de denkbeeldige assen en de vorm van een gewrichtsvlak, samen met de spieren
  • Voor de kennis van verschillende bewegingsrichtingen houden we de voet aan. Welke verschillende bewegingsrichtingen kennen we?
    1. Abduceren; afvoeren (zijwaarts naar buiten bewegen v/het been)
    2. Adduceren; aanvoeren
    3. Flexie/flexeren; buigen (een buigbeweging in een gewricht >
        buigers/flexoren)
    4. Extensie; strekken (een strekbeweging in een gewricht >
        strekkers/extensoren)
    5. Pronatie; het heffen v/d buitenkant v/d voet
        (pronatoren/afvoeren)
    6. Supinatie; het heffen v/d binnenkant v/d voet
        (supinatoren/aanvoeren)
    7. Inversie; binnenwaarts bewegen v/d voet (binnenwaarts
        bewegen om een lengteas)
    8. Eversie; buitenwaarts bewegen v/d voet (buitenwaarts
        bewegen om een lengteas)
    9. Dorsaalflexie; strekken v/d voet, omhoog buigen, naar de
        rugzijde buigen
    10. Plantairflexie; buigen v/d voet, naar beneden, naar de
         zoolzijde buigen
    11. Exorotatie; naar buiten draaien
    12. Endorotatie; naar binnen draaien
    13. Circumductie; draaien (kringvormige beweging van
         een gewricht (kan alléén bij een kogelgewricht!)
  • Welke 2 bewegingsbegrippen kennen we voor het heupgewricht?
    1. Anteflexie; naar voren bewegen/voorover buigen
    2. Retroflexie; retour buigen (terug omhoog komen)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Welke 2 bewegingsbegrippen kennen we voor het heupgewricht?
1. Anteflexie; naar voren bewegen/voorover buigen
2. Retroflexie; retour buigen (terug omhoog komen)
Voor de kennis van verschillende bewegingsrichtingen houden we de voet aan. Welke verschillende bewegingsrichtingen kennen we?
1. Abduceren; afvoeren (zijwaarts naar buiten bewegen v/het been)
2. Adduceren; aanvoeren
3. Flexie/flexeren; buigen (een buigbeweging in een gewricht >
    buigers/flexoren)
4. Extensie; strekken (een strekbeweging in een gewricht >
    strekkers/extensoren)
5. Pronatie; het heffen v/d buitenkant v/d voet
    (pronatoren/afvoeren)
6. Supinatie; het heffen v/d binnenkant v/d voet
    (supinatoren/aanvoeren)
7. Inversie; binnenwaarts bewegen v/d voet (binnenwaarts
    bewegen om een lengteas)
8. Eversie; buitenwaarts bewegen v/d voet (buitenwaarts
    bewegen om een lengteas)
9. Dorsaalflexie; strekken v/d voet, omhoog buigen, naar de
    rugzijde buigen
10. Plantairflexie; buigen v/d voet, naar beneden, naar de
     zoolzijde buigen
11. Exorotatie; naar buiten draaien
12. Endorotatie; naar binnen draaien
13. Circumductie; draaien (kringvormige beweging van
     een gewricht (kan alléén bij een kogelgewricht!)
Wat bepaald de bewegingsmogelijkheid van een gewricht?
De bewegingsmogelijkheid van een gewricht wordt bepaald door de denkbeeldige assen en de vorm van een gewrichtsvlak, samen met de spieren
Wanneer spreken we van een gewricht?
Daar waar twee of meer botten een verbinding vormen
Plaatsbepalende begrippen geven een punt aan het lichaam of van een ledemaat aan waardoor je weet of dit gelegen is aan de binnen-of buitenzijde, voor- of achterzijde, veraf- of dichtbijgelegen, bij het middel- of centrale punt van het lichaam gelegen. Welke 10 plaatsbepalende begrippen kennen we en wat geven ze aan?
1. Proximaal; naar het centrum (romp) van het lichaam toegelegen
2. Distaal; meer naar het uiteinde gelegen (van de romp af)
3. Lateraal; aan de buitenzijde gelegen (van de middellijn van het
    lichaam af, naar de  zijde toe)
4. Mediaal; aan de binnenzijde gelegen (naar de middellijn van het
     lichaam toe
5. Ventraal; aan de voor- of buikzijde gelegen
6. Anterior; aan de voorzijde gelegen (synoniem van ventraal, wordt
    gebruikt in namen van bep. spieren die aan de voorzijde
    verlopen
7. Dorsaal; aan de achter- of rugzijde gelegen
8. Posterior; aan de achterzijde gelegen (synoniem van dorsaal;
    wordt gebruikt in namen van bep. spieren die aan de
    achterzijde verlopen
9. Plantair; zoolwaarts (aan de zoolkant m.b.t. de voetzool)
10. De voet > voetrug = dorsale zijde v/d voet
                        vootzool = plantaire zijde v/d voet
In de anatomie wordt gebruik gemaakt van aanzichten en doorsnedes. Hierbij worden 3 soorten vlakken gebruikt. Deze gangbare vlakken zijn...
1. Saggitaal vlak (verdeelt het lichaam in linker- en rechterdeel)
2. Frontaal vlak (verdeelt het lichaam middendoor
    (voorste/ventraal deel (=buikzijde) en een achterste/dorsale deel
    (=rugzijde)
3. Transversaal vlak/horizontaal vlak (verdeelt het lichaam in een
    bovenste en onderste deel
Hoe ziet voor de mens de standaard anatomische houding eruit?
1. Rechtopstaande positie
2. Voeten bij elkaar
3. Armen langs de zijde hangend
4. Handpalmen voorwaarts gericht