Samenvatting Anatomie en fysiologie

-
ISBN-10 9031346837 ISBN-13 9789031346837
197 Flashcards en notities
52 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Anatomie en fysiologie". De auteur(s) van het boek is/zijn C A Bastiaanssen onder van N van Halem Hans Brik. Het ISBN van dit boek is 9789031346837 of 9031346837. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - Anatomie en fysiologie

  • 1 cellen en weefsels

  • Wat is fysiologie?
    Deze wetenschap bestudeert de verrichtingen van het menselijk lichaam en de functies van de verschillende onderdelen
  • Wat is anatomie?
    ontleedkunde.
  • 1.1 kenmerken van het leven

  • Noem de zeven kenmerken van het leven.

    Stofwisseling (metabolisme), groei, voortplanting, aanpassing (adaptie), prikkelbaarheid, prikkelbewerking, beweging. 

  • Benoem de twee afzonderlijke deelprocessen van het metabolisme.

    Weefselafbraak (katabolisme), Uiteenvallen van grote moleculen naar kleine moleculen. Bijvoorbeeld: spijsvertering  maag-darmkanaal. Weefselopbouw (anabolisme), totaal aan aantal opbouwreacties. Als grondstoffen voor de weefselopbouw worden tussenproducten van de weefselafbraak gebruikt. 

  • Wat is adaptie/aanpassing.

     

    Vermogen om zich aan te passen aan de veranderde levensomstandigheden. Bijvoorbeeld: toename rode bloedcellen (erytrocyten) in hooggebergte. Daar is een relatief lage zuurstofspanning. 

  • Leg vegetatieve functies en uit en welke daar bij horen.

    Functies die de groei, de ontwikkeling en het voortgang van het individu mogelijk maken. De groei, de celstofwisseling, de voorplanting, opnamen zuurstof en voedsel, uitscheiding.

  • Leg animale functies uit en welke daar bij horen.

    Functies stellen het lichaam in staat te reageren of iets in gang te zetten. Prikkelbaarheid, prikkelverwerking en beweging. 

  • 1.2 Hiërarchische opbouw

  • Wat is de kleinste zelfstandige eenheid in het lichaam?

    De cel

  • Wat is een weefsel? Geef een voorbeeld.

    Een groep cellen met dezelfde vorm en functie. Spierweefsel, zenuwweefsel. 

  • Wat is een orgaan? Geef een voorbeeld. 

    Een orgaan is opgebouwd uit verschillende samenwerkende weefsels waardoor het geheel een bepaalde functie uitoefent. Hart voor circulatie van het bloed.

  • Wat is een orgaanstelsel? Geef een voorbeeld. 

    Een groep samenwerkende organen met het uitvoeren van een functie. Spijsverteringsstelsel: mond, slokdarm, maag, darmen, lever, alvleesklier en galblaas. 

  • Hoe noemen we het menselijk lichaam dat uit verschillende samenwerkende orgaanstelsels is opgebouwd?

    Organisme. 

  • 1.3 Het menselijk lichaam als eenheid

  • Wat houdt regulatie in?
    Zuurstof en voedsel worden vanuit de omgeving in het lichaam opgenomen en via het bloedvatstelsel naar de cellen getransporteerd. Vanuit de cellen worden afbraakproducten óf via het lymfevatstelsel óf rechtstreeks door het bloedvatstelsel naar de uitscheidingsorganen vervoerd. Deze zorgen er op hun beurt voor dat de afbraakproducten uit het lichaam worden verwijderd.
  • Welke 2 lichaamsstelsels zorgen voor de samenhang van de verrichtingen van organen en de orgaanstelsels?
    Zenuwstelsel en hormoonstelsel; Laten alle organen en orgaanstelsels op de juiste wijze samenwerken en regelen ook het doeltreffen en snel reageren op veranderingen.
  • Wat doet het zenuwstelsel?
    is in staat om signalen met hoge snelheid door het gehele lichaam te sturen waardoor de werking van de organen (bijv. hart en longen) plotseling versneld of vertraagd wordt. 
  • Wat is het verschil tussen het zenuwstelsel en hormoonstelsel?
    Zenuwstelsel kan sneller werken dan het hormoonstelsel.
  • Wat doet het hormoonstelsel?
    werkt langzamer, wat verklaard kan worden door het feit dat de hormonen, die door speciale hormoonklieren of bepaalde weefsels worden afgescheiden, via het bloed elders in het lichaam hun regelende werking uitoefenen. In veel gevallen hebben de hormonen een stimulerende werking op bepaalde organen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat zijn pH-buffers?
Stoffen die bij een verandering van de concentratie waterstofionen in het bloed de pH constant kunnen houden.
Wat is de pH waarde van bloed?

Tussen 7,35 - 7,45. Bloed is daarom licht alkalisch. Omdat pH van zuiver water 7 is. 
Beschrijf in het kort en in eigen woorden de bouw en functie van de cel m.b.t
  • Celmembraan: plasmamembraan vormt een barrière voor wateroplosbare stoffen.Vetoplosbare stoffen, zoals vetoplosbare hormonen, kunnen wel door het celmembraan heen. Voor bepaalde stoffen als glucose, water en aminozuren zijn specifieke ‘dragers’ ( carriers ) in het celmembraan aanwezig. Deze carriers kunnen wateroplosbare stoffen de cel in brengen. 
  • Celkern: drager van de aanleg van erfelijke eigenschappen, de genen
  • Endoplasmatisch reticulum:Gesloten netwerken van holten en kanalen. Het inwendige kanalensysteem van het het ER dient voor het transport van eiwitten, opbouw van vetten en steroiden
  • Golgi-apparaat: Opgebouwd uit door membranen omgeven holten. Enerzijds verbinding met het ER en anderzijds met het celmembraan. het bewerken van bepaalde producten, vooral eiwitten, tot een bepaalde functie
  • Losomen: Bolvormige organellen ontstaan uit het GA ,dienen voor de vertering van macromoleculen binnen de cel
  • Mitochondrien: Bolvormige tot langgerekte organellen. Hierin speelt de reactie tussen zuurstof en voedingsstoffen (aerobe verbranding) en energie, bevatten DNA. VB: levercellen, hart-, spiercellen.
  • Cetrosoom: rol bij de celdeling
  • Trilhaartjes en zweepdraden: transport van slijm, voortbeweging van zaadcellen. 
Wanneer is een oplossing alkalisch of basisch?
Er komen minder H+ ionen in voor dan in zuiver water.
Dit kan alleen als en een basische stof in water is opgelost die H+ ionen uit het water heeft gebonden.
Wanneer is een oplossing zuur?
In die oplossing komen meer H+ ionen voor dan in zuiver water.
Dit kan alleen als er een zure stof in water is opgelost die H+ ionen heeft afgestaan. 
Wat is een base?
Een stof die H+ ionen kan binden.
Een H+ ion is een waterstofion. 
Wat is het verschil tussen een sterk en zwak zuur? En noem van beide een voorbeeld.
Bij een sterk zuur (zoutzuur) splitsen alle moleculen, bij zwak zuur (azijnzuur) niet.
Wat zijn de functies van elektrolyten?
- Bouwstof
- Osmolariteit = concentratie van oplossing: evenwicht dat moet bestaan in de samenstelling van lichaamsvloeistoffen en cytoplasma
- Bestanddelen van hormonen en enzymen
- impulsgeleiding
- spiersmentrekking 
Welk orgaan heeft een belangrijke rol bij de elektrolytenbalans?
Nieren
Waarom wordt er gesproken van elektrolyten en niet van zouten?
Zouten in oplossingen zijn altijd in ionen (geladen deeltjes) gesplitst.