Samenvatting Anatomie en fysiologie

-
ISBN-10 9043024325 ISBN-13 9789043024327
1994 Flashcards en notities
753 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting 1:

  • Anatomie en fysiologie
  • Frederic H Martini & Edwin F Bartholomew van William C Ober, beeldcoördinator , Nederlandse Hans Isselée, Irmgard Poelaert het Engels Josephine E Bruijn
  • 9789043024327 of 9043024325

Samenvatting - Anatomie en fysiologie

  • 1 Inleiding tot de anatomie en fysiologie

  • Leerdoelen van hoofdstuk 1 Inleiding in de anatomie en fysiologie
    - basale functies van levende organismen beschrijven
    - relatie tussen anatomie en fysiologie verklaren en verschillende specialisaties benoemen
    - organisatieniveaus in levende organismen herkennen
    - elf orgaanstelsels en onderdelen van elk stelsel herkennen
    - begrip homeostase
    - negatieve en positieve terugkoppeling van homeostase
    - doorsneden, lichaamsdelen en onderlinge positie adhv anatomische termen beschrijven
    - lichaamsholten en onderverdeling kennen
  • uh78yh

  • Wat zijn de gemeenschappelijke functies van alle leven wezens?

    Reactievermogen, groei, voortplanting, beweging en stofwisseling

  • Wat zijn de gemeenschappelijke fucties van alle levende wezens?

    Reactievermogen, groei, voortplanting, beweging en stofwisseling

  • ADL

    activiteiten dagelijks leven

  • Wat voor ligging heeft een baby tijdens de bevalling?
    Het hoofdje ligt met het gezichtje naar de anus
  • In ons lichaam zijn alle cellen verschillend maar beginnen ze in eerste instantie allemaal hetzelfde, hoe noemen we het proces als het een eigen functie krijgt?
    differentiatie
    • Reactievermogen: ook wel prikkelbaarheid genoemd. Oganismen kunnen zich aan hun omgeving aanpassen, bijvoorbeeld een dikkere vacht of het vertrekken naar en warmer klimaat, dit heet aanpassingsvermogen.
    • Groei: organismen nemen in omvang toe door de deling van cellen. Eencellige organismen groeien doordat de cel groter wordt, en complexe organismen doordat het aantal cellen toeneemt.
    • Voortplanting: organismen planten zich voort en brengen volgende generaties voort.
    • Beweging: kan inwendig (transport voedingsstoffen en bloed) of uitwendig (voortbeweging door de omgeving)
    • stofwisseling: organismen zijn afhankelijk van complexe chemische reacties om energie te leveren die nodig is voor het reactievermogen, groei, voortplanting en beweging.
  • Welke basale functies verrichten alle levende wezens

    Reactievermogen, groei, voortplanting, beweging, stofwisseling

  • anatomie

    studie van de structuur van het menselijk lichaam 

  • Je cellen zijn de bouwstenen van ons lichaam, we hebben miljarden cellen in ons lichaam. Maar hoeveel verschillende soorten celtypes hebben we nou in ons lichaam?
    200
  • Prikkelbaarheid --> het reageren op veranderingen in de onmiddellijke omgeving

    Aanpassingsvermogen --> aanpassingen die organismen doen nav de aanpassingen in de omgeving

     

    Eencellige organismen groeien doordat een cel groter word, complexere organismen groeien doordat het aantal cellen toe neemt. Bij meercellige organismen specialiseren afzonderlijke cellen zich. Dit heet differentiatie.


     

    Stofwisseling (metabolisme) --> alle chemische reacties in het lichaam

  • Hoe heet het als in meercellige organismen cellen zich specialiseren?

    differentiatie

  • anatomische terminologie 

    bepaald wereldwijd

    ned. thermen licht afwijkend van het engels

  • Histologen onderscheiden vier type weefsel, welke zijn dat?
    1. epitheel 2. bindweefsel 3. spierweefsel 4. zenuwweefsel
  • inferior                     -> naar beneden

    superior                   -> naar boven 

    cardinaal                  -> naar hoofd toe

    caudaal                    -> naar ondere

    lateraal                    -> naar buitenzijde

    mediaal                    -> naar binnen zijde

    proximaal                 -> naar centrum

    distaal                      -> naar uiteinde

    dorsaal of posterior

    ventraal of anterior 

    thorax                       -> borstkast

    abdomen                   -> buik

    pelvis                        -> van navel tot geslachtorgaan

    perineum                   -> midden tussen benen en geslachtsorgaan

    axale regio                -> van hoofd tot midden tss benen en geslacht.

    synartrose                -> onbewegelijk

    amfiatrosen              -> beperkt bewegelijk

    diatrose                    -> bewegelijk

     

  • Wat is stofwisseling (Metabolisme)Stofwisseling 

    Alle chemische reacties in het lichaam

  • Wat wordt er onder stofwisseling (metabolisme) verstaan?

    Alle chemische reacties in het lichaam.

  • wat is histologie?
    het bestuderen van weefsels
  • Wat is respiratie?

    het vervoer en het verbruik van zuurstof door cellen

  • Wat is respiratie?

    het vervoer en verbruik van zuurstof door de cellen

  • anatomische positie

    lichaam recht, naar voren gericht, hanpalmen naar buiten gericht en voeten langs elkaar

  • Belangrijk! weefsels zijn groepen cellen en extra cellulaire stoffen die een specifieke maar beperkte reeks functies vervullen.
  • Bij stofwisselingsreacties ontstaan vaak onnodige of mogelijk schadelijke afvalstoffen die via het proces van uitscheiding (excretie) uit het lichaam dienen te worden verwijderd. 

  • Bij stofwisselingsreacties ontstaan vaak onnodige of mogelijk schadelijke afvalstoffen die via het proces van uitscheiding (excretie) uit het lichaam moeten worden verwijderd.

  • neurologie

    zenuwstelsel 

  • Bij stofwisselingsreacties ontstaan vaak onnodige of mogelijk schadelijke afvalstoffen die via het proces van uitscheiding (excretie) uit het lichaam moeten worden verwijderd.
  • waaruit bestaat het epitheel?
    Het epitheel bestaat uit lagen cellen die in-of uitwendige oppervlakken bekleden en uit klieren
  • organismen groter dan een millimeter halen geen voedingsstoffen direct uit hun omgeving op deze moeten eerst verwerkt worden (spijsvertering). Voedingstoffen worden afgebroken tot eenvoudiger stoffen die gemakkelijk kunnen worden getransporteerd en opgenomen. 

     

    Respiratie en uitscheiding zijn ook complexer. Mensen hebben gespecialiseerde structuren voor gaswisseling (longen) en voor uitscheiding (nieren). 

     

    Afzonderlijke cellen reizen niet door het lichaam voor voedingsstoffen/zuurstof etc maar communiceren via de bloedsomloop (bloedcirculatie)

  • ostiologie

    leer van de beenderen

  • wat zijn klieren?
    klieren bestaan uit cellen die producten afscheiden. (denk bijv. aan zweetklieren als je gaat sporten enz.)
  • Op welke wijze zijn vitale functies zoals groei, reactievermogen, voortplanting en beweging afhankelijk van de stofwisseling?

    Onder stofwisseling worden alle chemische reacties verstaan in het lichaam. Organismen maken gebruik van complexe chemische reacties om de energie te leveren die nodig is voor reactievermogen, groei voortplanting en beweging.

  • atriologie

    leer van de gewrichten

  • Het epitheel heeft veel functies in ons lichaam , wat zijn de 5 belangrijkste kenmerken van het epitheel?
    1. de cellen liggen dicht opeengepakt
    2. ze hebben een vrij (apicaal) oppervlak dat aan de omgeving, of aan een inwendig compartiment of inwendige transportbuis is blootgesteld.
    3. ze zijn via het basaal membraan met het onderliggende bindweefsel verbonden
    4. de afwezigheid van bloedvaten. 
    5. voortdurende vervanging of regeneratie van epitheel cellen die beschadigd raken of verloren gaan aan het blootgestelde oppervlak
  • myologie

    leer van de spieren

  • het epitheel kenmerkt zich door de afwezigheid van bloedcellen. Maar hoe komen ze dan aan voedingsstoffen? Nou vanwege hun avasculaire structuur. ( wat letterlijk betekent zonder vaten) moeten  ze hun voedingsstoffen vanuit andere naastgelegen weefsels opnemen via het aangrenzende oppervlak of via hun uitwendige oppervlak.
  • hoe werken de bewegingen en waar vind dit plaats

    • in vlakken
    • in assen 
    • vind plaats in gewrichten
  • gewrichtspartners

    plaats waar botstructuur samen komen

  • hyalien kraakbeen

    doorschijnend geelig, wat de borst samen houd in het midden

  • elastisch kraakbeen

    neusvleugels, oor

  • fibrus kraakbeen 

    vloeistof tuss beenderen

Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 2:

  • Anatomie en fysiologie
  • Martini
  • of
  • 5th

Samenvatting - Anatomie en fysiologie

  • 1.1 Leerdoel 1

  • Waar bevinden zich de speciale zintuigen van het evenwicht?
    In het binnenoor
  • Wat doet het evenwichtsorgaan?
    Informeert ons over de positie van het lichaam in de ruimte doordat het de zwaartekracht, de lineaire versnelling en de rotatie registreert. Door het gehoor kunnen we geluidsgolven waarnemen en interpreteren. 
  • Noem eenvoudige mechanoreceptoren?
    Zintuigcellen of haarcellen
  • In welke drie delen is het oor verdeelt?
    •Het uitwendige oor
    •Het middenoor
    •Het binnenoor
  • Wat doet het uitwendige oor?
    Verzamelt en richt de geluidsgolven in de richting van het middenoor
  • Wat valt er onder het uitwendige oor en wat doen deze onderdelen?
    •Oorschelp (pinna) - Geeft toegang tot de uitwendige gehoorgang. Bestaat uit elastisch kraakbeen, beschermt de toegang tot de gehoorgang. Het gehoor is door de oorschelp gevoelig voor van welke kant het geluid komt.
    •Glandulae ceruminosae - in de uitwendige gehoorgang, bevat klieren die een wasachtige stof (cerumen) afscheiden. daarnaast haren. Beiden helpen voorkomen dat vreemde voorwerpen en insecten het oor binnenkomen. De wasachtige stof vertraagd ook de groei van micro-organismen, waardoor de kans op infectie kleiner is
    •Trommelvlies - Hier eindigt de uitwendige gehoorgang. Dit scheidt het uitwendige oor met het middenoor
  • Wat doet het middenoor?
    Verzamelen en versterken de geluidsgolven en zenden ze door naar het binnenoor. Wordt ook wel het trommelholte genoemd. 
  • Wat valt er onder het middenoor en wat doen deze onderdelen?
    Nasopharynx - lucht gevuld compartiment, die in verbinding staat met het bovenste gedeelte van de keelholte. 
    •Buis van Eustachius (tuba auditiva) - Hierdoor kan de druk aan beide zijde van het trommelvlies gelijk gehouden worden. Bacteriën kunnen zich wel verplaatsen door deze buis, waardoor er een middenoorinfectie kan ontstaan.
    •De gehoorbeentjes(ossicula auritus) - verbinden het trommelvlies met het receptorcomplex (binnenoor). (1) De malleus (hamer); verbonden binnenste pop. Trommelvlies. (2) De incus (aambeeld); via de malleus verbonden met het binnenste beentje. (3) De stappen (stijgbeugel); vult het ovale venster bijna op (=een kleine opening in het bot dat het binnendoor omgeeft.  
    -De trillingen van het trommelvlies zetten de binnenomende geluidsenergie om in mechanismche beweging van de gehoorbeentjes. De beentjes werken als hefbomen.
    -In het middenoor beschermen twee spiertjes het trommelvlies en de gehoorbeentjes tegen harde bewegingen. De trommelvliesspanner (m. tensor timpaan) trekt aan de malleus, waardoor het trommelvlies stijver wordt en minder ver kan bewegen. De stijgbeugelspier (m. stipendiums) trekt aan de stappen, waardoor zijn bewegingsmogelijkheden in het ovale venster worden beperkt. 
  • Wat doet het binnenoor?
    Bevat zintuigen voor gehoor en evenwicht
  • Hoe werkt het binnenoor?
    •De zintuigcellen in het binnenoor worden beschermd door het benige labyrint, dit beschermt en omgeeft het vliezig labyrint, een verzameling van buizen en compartimenten die de omtrekken volgen van het benige labyrint en gevuld zijn met endlymfe.
    •Tussen het vliezig en het benige labyrint stroomt perilymfe
    •Zintuigencellen liggen binnen het vliezig labyrint. Het benige labyrint kan worden verdeelt:het vestibule, halfcirkelvormige kanalen, cochlea.
    •Het ronde venster is een opening in het bot van de cochlea. Een dun overspant de opening en scheidt het perslymfe van de lucht. Bewegingen van het stappen leidt uiteindelijk tot het stimuleren van zintuigcellen  in het reisserkanaal.
    •Zintuigcellen: haarcellen. Zijn omgeven door ondersteunende cellen. Als de haren bewegen geven ze een neurotransmitter af. De ene richting stimuleert de andere richting remt af. 
  • Wat is het vestibulum, in het binnenoor?
    Bestaat uit vliezige buidels, de sacculus en de utriculus. Evenwichtszakje (zintuigcellen) zorgen voor de gewaarwording van zwaartekracht en lineaire versnelling. 
  • Wat zijn de halfcirkelvormige kanalen, in het binnenoor?
    Omgeven dunnen halfcirkelvormige buizen. Zintuigcellen hierin worden geprikkeld door rotatie van het hoofd. Het vestibulaire complex: het vestibulum en de halfcirkelvormige kanalen. 
  • Hoe werkt het 'horen'?
    De zintuigcellen van het reissnerkanaal registreren het geluid. De zintuigcellen die verantwoordelijk zijn voor het gehoor zijn de haarcellen, lijken op die van het vestibulaire complex. De haren worden door de omringende structuren afgeschermd door andere prikkels dan geluid. Bij het overbrengen van trillingen vanaf het trommelvlies naar het ovale venster zetter de gehoorbeentjes geluidsenergie in de lucht om in drukpulsen in de perilymfe van de cochlae. Deze golven stimuleren de haarcellen. De frequentie wordt bepaald door het gedeelte van het reissnerkanaal dat wordt geprikkeld. De intensiteit wordt bepaald door het aantal haarcellen dat wordt geprikkeld. 
  • Wat is het reissnerkanaal?
    Ligt tussen de opstijgende trap (scala vestibule) en de dalende trap (scala timpani). Het buitenste oppervlak van deze compartimenten is overal omgeven door benig labyrint behalve bij het ovale venster (basis opstijgende trap) en bij het ronde venster. 
  • Wat is het orgaan can Corti?
    Hier liggen de haarcellen van het reissnerkanaal. Bevindt zich boven het bacillaire membraan. Dit scheidt het reissnerkanaal van de dalende trap. De haarcellen liggen in een lengterichting, waarbij hun zintuigharen contact maken met de daarboven gelegen tectoriale membraan. Dit membraan is vastgehecht aan het reissnerkanaal. Als een gedeelte van het bacillaire membraan op en neer trilt in reactie op de drukgolven in de perilymfe worden de zintuigharen van de haarcellen vervormd en tegen de tectoriale membraan aangeduwd. 
  • Wat is hertz?
    Golven per seconde, is de frequentie. Dit nemen wij waar als de toonhoogte van het geluid. Een hoge frequentie kan 15000 Hz hebben, een geluid met een lage frequentie van 100 Hz of minder. De hoeveelheid energie, of het vermogen, van het geluid is bepalend voor de intensiteit. Dit wordt in decibel vermeld (6stappen)
  • Uit welke zes stappen bestaat het oren?
    Stap 1: Geluidsgolven komen aan bij het trommelvlies; geluidsgolven gaan de uitwendige gehoorgang binnen en gaan naar het trommelvlies.
    Stap 2: Beweging van het trommelvlies veroorzaakt verplaatsing gehoorbeentjes; het trommelvlies vormt het oppervlak. waar het geluid wordt verzamelt. Als het trommelvlies trilt, trilt de malleus mee en ook de incus en de stapes.
    Stap 3: De beweging van de stappen bij het ovale venster veroorzaakt drukgolven in de perslymfe van de opstijgende trap; druk die bij het ovale venster wordt uitgeoefend kan alleen richting het ronde venster. Als de stappen naar binnen beweegt, puilt het membraan dat het ronde venster overspant, naar buiten uit. Hierdoor ontstaan drukgolven in de perilymfe. 
    Stap 4: de drukgolven vervormen de bacillaire membraan onderweg naar het ronde venster van de dalende trap; deze drukgolven brengen het bacillaire membraan in beweging. Dit membraan heeft niet overal dezelfde bouw, hierdoor verschilt de plaats van maximale prikkeling met de frequentie. Nabij het ovale venster is het membraan smal en stijf. Dit gedeelte wordt tot trilling gebracht bij een hoge frequentie. Hoe lager de frequentie van het geluid, hoe verder van het ovale venster het gebied van maximale trilling ligt. 
    Stap 5: Trilling van de bacillaire membraan veroorzaakt trilling van de haarcellen tegen het tectoriale membraan; de verplaatsing van deze haarcellen leidt tot het vrijkomen van een neurotransmitter en de stimulering van sensibele neuronen.
    Stap 6: Informatie over de plaats en de intensiteit van prikkeling wordt doorgegeven aan het CZS via pars cochlearis; de cellichamen van e sensibele neuronen die de activiteit van de haarcellen in de cochlea registreren bevinden zich in het centrum van de beige cochlea. 
  • Wat is de functie van een nier
    Het maken van voorurine
  • wat doet de nieren
    het maken van hormonen, reguleren van bloeddruk, afvalstoffen uit het lichaam scheiden, hormonen maken, 
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting 3:

  • anatomie en fysiologie
  • martini
  • of
  • 10th

Samenvatting - anatomie en fysiologie

  • 1 neuronale communicatie

  • oligodendrocyten
    productie van myeline in het centrale zenuwstelsel. Schwann cellen doen dit in het perifere zenuwstelsel. 
  • MS
    conductie van het signaal in de zenuwcellen is aangedaan door ontstekingen in myeline laag
  • ependymal cellen
    bekleden het centrale kanaal en de ventrikels, waarbij ze een epitheel vormen (ependyma)
  • astrocyten
    grootste en meest voorkomende neuroglia cellen in het centrale zenuwstelsel. zorgen voor de blood-brain barrière. herstellen beschadigingen en zorgen voor neuronale ontwikkeling en voeding
  • microglia cellen
    minst aanwezig en kleinst. zorgen voor fagocytose in het centrale zenuwstelsel
  • satelliet cellen
    aanwezig in periferie en zitten om neuron cellichamen heen in ganglia. reguleren de omgeving van de neuronen
  • chemische gradiënt
    doordat er meer K ionen zijn, zullen ze naar buiten stromen. geldt ook voor Na andersom. beweging door concentratie gradiënt. 
  • elektrische gradient
    K verlaat cytoplasma sneller dan dat Na binnenkomen, doordat het lama membraan meer permeabel is voor K dan voor Na. hierdoor gaan meer positieve ionen de cel uit dan er in komen, dus een negatief rust membraan potentiaal. doordat K + is, willen die weer naar binnen stromen. dit is de elektrische gradiënt van kalium. Na stroomt al naar binnen, dus die heeft een elektrische en chemische gradiënt dezelfde kant op --> elektrochemische gradiënt  
  • absoluut refractaire periode
    duurt van periode 2 t/m einde periode 3. dus de depolarisatie en de repolarisatie. de hyperpolarisatie maakt deel uit van de relatieve refractaire periode. 
  • spatiale summatie
    meerdere presynaptische elementen zorgen voor stimuli die kleine depolarisaties veroorzaken in het post synaptisch element
  • temporale summatie
    meerdere stimuli worden afgegeven door 1 presynaptisch element en zorgen voor kleine depolarisaties in het post synoptisch element
  • continous conduction
    transporteren van een actiepotentiaal in een axon dat niet gemyeliniseerd is
  • saltatory conduction
    transporteren van een actiepotentiaal in een gemyeliniseerd axon. via de knopen van Ranvier (geen myeline aanwezig en wel kanalen). 
  • typen neurotransmitters
    aminozuren (snelle transmissie: glutamaat en GABA), biogenische amines (serotonine, (nor)adrenaline, acetylcholine en dopamine), neuropeptides (zowel snel als langzaam)
  • glutamaat
    exciterende neurotransmitter - zorgt voor demoralisatie van de cel
    40% van de neuronen. gemaakt uit glutamine (afkomstig van een gliacel).
  • GABA 
    inhibitor neurotransmitter - zorgt voor hyperpolarisatie van de cel
    30% van de neuronen. aangemaakt door glutamaat (wordt omgezet door een enzym). alle GABA neuronen kunnen glutamaat neuronen zijn, maar glutamaat neuronen kunnen geen GABA produceren als zij het enzym dat glutamaat om kan zetten in GABA niet hebben. 
  • EPSP
    exciterend post synaptisch potentiaal. dit is een post synaptisch effect, wat een exciterend effect heeft, waarbij het neuron gedepolariseerd wordt. door infuus van Na
  • IPSP
    inhiberend post synaptisch potentiaal. dit is een post synaptisch effect, wat een inhalerende werking heeft, waarbij het neuron gehyperpolariseerd wordt, door het onderdrukken van een neuron door een influx van chloride.
  • 3 soorten glutamaat receptoren
    1. AMPA receptor: binding aan glutamaat laat Na naar binnen. zorgt voor de snelle synaptische transmissie in het centrale zenuwstelsel.
    2. NMDA receptor: binding laat Ca naar binnen. zorgt voor synaptische plasticiteit en geheugen functies
    3. Kainate receptor: binding laat Na naar binnen. zorgt voor een EPSP
  • cel dood (excitotoxity)
    te veel stimulatie van glutamaat zorgt voor teveel excitatie. te veel Ca (door hyperactief NMDA receptoren) activeert enzymen, zorgt voor productie van vrije radicalen en induceert apoptose. 
  • hersenbloeding
    overmaat aan glutamaat, omdat het omliggende weefsel (=prenumbra) dood gaat. behandeling door NMDA antagonisten en Ca blokkers`
  • Ziekte van Huntington
    verlies van neuronen in het striatum doordat er te veel glutamaat wordt vrijgelaten door de cortex
  • amyotrofische laterale sclerose (ALS):
    afsterven van motor neuronen in de cortex en in het ruggenmerg
  • typen GBA receptoren
    • GABA-A
    • GABA-B
    • kan uit verschillende sub onderdelen bestaan. 
    • binding zorgt voor een influx van Cl en dus voor een IPSP
  • allosterische modulatoren
    binden op andere plaatsen dan waar het oorspronkelijke ligand zou binden
  • barbiturates
    allosterische modulatoren en zorgen voor een langere openingstijd van GABA kanalen (geen effect op de frequentie). vervangen door benzodiazipines
  • benzodiazipines
    allosterische modulatoren en zorgen voor een hogere frequentie van het openen van het GABA kanaal (geen effect op de openingstijd). 
  • neurosteroïden
    verhogen zowel de frequentie als de tijd van het openen van de GABA kanalen. gebruikt als sedatieve, hypnotische en axiolyticym (remt angst en onrust) drugs.
  • ionotrofische receptoren
    ligand-gated receptoren. LGIC, GABA en glutamaat receptoren. snelle neurotransmissie
  • metabotrofische receptoren
    G-eiwit gekoppelde receptoren (GPCR). transmissie via een intermediair eiwit: G-eiwit. conformatie verandering bij binding ligand. G eiwit heeft drie onderdelen: alfa, beta en gamma. in inactieve staat heeft het alfa deel een GDP gebonden. wanneer de receptor geactiveerd wordt, wordt het G eiwit geactiveerd, doordat het alfa onderdeel GDP->GTP omzet. dit zorgt ervoor dat het alfa onderdeel weggaat. beide delen van het G eiwit (alfa en beta+gamma) kunnen andere eiwitten activeren. 
  • lange termijn effect van G protein coupled receptors
    G eiwit kan adenyl cyclase activeren (Target eiwit) dat vervolgens cAMP (second messenger) produceert. dit activeert PKA, die vervolgens CREB fosforyleert. dit is een transcriptiefactor en reguleert de genexpressie van genen die coderen voor eiwitten die de signaal transmissie beïnvloeden
  • GPCR en LGIC zitten presynaptisch, post synaptisch en extra synaptisch:
    • pre synaptisch: moduleren en vrijlaten van presynaptische neurotransmitters
    • postsynaptisch: snelle synaptische transmissie
    • extra synaptisch: moduleren postsynaptische responsen
  • wat voor kanalen heeft glutamaat allemaal?
    LGIC: NMDA AMPA, kainate
    GPCR: mGluR
  • wat voor kanalen heeft GABA allemaal?
    LGIC: GABAa, GABAc
    GPCR: GABAb
  • wat voor kanalen heeft acetylcholine allemaal?
    LGIC: nictonine alfa, beta, gamma, delta, epsilon
    GPCR: muscarine (MI-4)
  • wat voor kanalen heeft serotonine allemaal?
    LGIC: 5-HT3
    GPCR: 5-HT1,2,4-7
  • wat voor kanalen hebben (nor)adrenaline?
    GPCR: alfa1-2, beta1-3
  • wat voor kanalen heeft dopamine allemaal?
    GPCR: D1-5
    eiwitten hebben ook veel GPCR
  • presynaptische inhibitie
    GABA inhibeert de opening van voltage-gated calcium kanalen in het presynaptisch element.
  • presynaptische facilitatie
    serotonine bindt presynaptisch, waardoor de voltage-gates calcium kanalen langer open staan. 
  • acetylcholine (Ach) transmissie
    vindt plaats in de motor neuronen in het ruggenmerg en ook in de meeste neuronen in het autonoom zenuwstelsel. gemaakt uit choline en acetyl CoA en vervolgens vrijgelaten door het fuseren van blaasjes met het membraan. bindt postsynaptisch aan zijn receptor en wordt afgebroken door acetylcholinesterase in acetaat en choline. choline kan heropgenomen worden presynaptisch.
  • nicotine receptoren (nAChR)
    acetylcholine receptor. ligand-gated ion kanalen en zitten vooral in het perifere zenuwstelsel. 
  • muscarine receptoren (mAChR)
    acetylcholine receptor.G-eiwit gekoppelde receptoren vooral in het centrale zenuwstelsel. 
  • Ach produceert
    lange termijn synaptische veranderingen (facilitatie) in de cortex en hippocampus. neuronen hier worden gevoeliger voor excitatoire inputs. ook betrokken bij leer en geheugen processen tijdens je slaap. 
  • behandeling van Alzheimer
    met cholinesterase inhibitors (Donezepil en neostigmine)
  • (nor)adrenaline transmissie
    vindt plaats in sommige neuronen van het autonoom zenuwstelsel. worden beide gemaakt uit tyorsine -> omgezet in dopamine. dopamine omgezet in noradrenaline. bindt aan G-gekoppelde receptoren en betrokken bij opwinding en slaap. in de locus corelus zijn neuronen minder actief tijdens slaap en meer bij opwinding. zorgt voor inhibitie van pijn, doordat ze het vrijlaten van presynaptische excitatoire neurotransmitters van een nocireceptor (pijn receptor) tegen gaan
  • serotonine transmissie
    vooral in de hersenstap (dorsale raphe nuclei). wordt gemaakt uit tryptofaan en bindt aan 5-HT3 ligand-gated ion kanaal (snelle transmissie voor pijn) of aan andere 5-HT receptoren (G eiwit gekoppeld). betrokken bij: slaap, pijn, biologische klok (serotonine is precursor van melatonine in epifyse)
  • tricyclis antidepressant
    serotonine is betrokken bij stemmingsaandoeningen. tricyclis antidepressant blokkeert het heropenen van serotonine (dopamine en nor-adrenaline), waardoor transmissie verhoogt wordt van monoamines
  • selectieve serotonine reuptake inhibitors
    SSRIs; prozac blokkeren alleen serotonine, waardoor transmissie van alleen serotonine wordt verhoogd.
  • dopamine transmissie
    80% van alle dopamine neuronen aanwezig in de pars compact van de substantia nigra (SNpc). deze neuronen projecteren naar het striatum. dopamine gemaakt uit tyrosine en kan dan binden aan bijvoorbeeld D2 (inhibitor dopamine receptor in de VTA, target voor Parkinson, G gekoppeld)
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Hoe gaat het herstel van botbreuken of fracturen in zijn werk? het proces bestaat uit 4 stappen.
  1. er treed een hevige bloeding op, de bloedvaten worden afgesloten er ontstaat een groot bloedstolsel.
  2. cellen van het periost en endost ondergaan mitose en er komt spongius botweefsel op de plaats van de fractuur. Ook ontstaat er nieuw periost.
  3. het kraakbeen wordt vervangen door botweefsel en de dode bot delen worden verwijderd
  4. het bot is weer zo goed als nieuw, wel kan er een verdikking zijn opgetreden.
Wat wordt er allemaal in de dikke darm opgenomen?
  • terugresorptie van water
  • galzuurzouten en vitaminen
  • organische afvalstoffen
  • verschillende gifstoffen die door bacteriën worden gevormd
Uit welke drie delen bestaat de dikke darm en wat gebeurt er?
  1. de blinde darm --> in de wanden zitten veel lymfeknopen en het orgaan functioneert vooral als lymfestelsel.
  2. het colon --> kenmerk aanwezigheid van veel slijmcellen en aanwezigheid van uitstulpingen.
  3. de endeldarm --> opslag van poep voordat het eruit gaat. de kringspier is van skeletspierweefsel en staat dus onder wil.
Waar gaat het gal dat door de lever wordt geproduceerd heen voordat het de dunne darm instroomt?
Het gal dat uit je lever komt komt eerst terecht in de galblaas waar het wordt opgeslagen.
Waarom is gal en galzuur zouten zo belangrijk voor als de chymus de dunne darm binnen komt?
gal bestaat uit water en ionen, deze twee stoffen zijn belangrijk om het zuur wat uit de maag komt te neutraliseren. zodat er geen schade in de dunne darm ontstaat. Galzuur zouten zorgen ervoor dat er een normale opname en vertering plaatsvind. Funfact: Galzuur zouten worden in de lever gevormd door cholesterol!
Al het bloed dat door het opname gebied van het spijsverteringskanaal komt stroomt eerst naar de lever, om welke twee redenen is dat?
  1. Opgenomen voedingstoffen of gifstoffen uit het bloed halen voordat het terecht komt in de grote bloedsomloop.
  2. De concentraties van organische voedingsstoffen in het bloed registeren en aanpassen.
De lever heeft drie belangrijke functies, welke drie zijn dat?
  1. regulering stofwisseling
  2. hematologische regulering
  3. galvorming
Wat heeft de alvleesklier als rol bij de vertering in de dunne darm?
de alvleesklier voegt pancreasenzymen toe die het grootste aandeel in het verwerken van voedsel in de dunne darm hebben.
Hoe kan het dat de oppervlakte van de dunne darm zo groot is?
Doordat de 800 darmplooien weer bestaan uit darmvlokken die weer bedekt zijn met microvilli. Hierdoor wordt niet alleen het oppervlakte enorm vergroot maar kan er ook nog eens veel meer worden opgenomen.
De dunne darm bestaat uit drie delen, welke drie delen zijn dat?

1. duodenum ( twaalfvingerige darm)
2. jejunum ( de nuchtere darm)
3. ileum ( kronkeldarm)