Samenvatting Anatomie, fysiologie en pathologie

-
254 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Anatomie, fysiologie en pathologie

  • 1 Menselijk lichaam: de basis

  • Anatomie
    Ontleedkunde de wetenschap die de bouw van het menselijk lichaam onderzoekt
  • Fysiologie
    Bestudeert het normaal functioneren van de onderdelen van het lichaam
  • Pathologie
    Wetenschap die zich bezighoudt met algemene ziekteleer, stoornissen in de bouw en het functioneren van het lichaam
  • Cytologie
    Celleer is wetenschap die cellen bestudeert
  • Kenmerken van leven in cellen
    Stofwisseling
    Groei
    Beweging
    Voortplanting
    Reactie op prikkels van buitenaf
  • Eencellige organismen
    Bacteriën
    Algen
  • Meercellige organismen
    Opgebouwd uit meerder cellen. Z
    Zenuwcellen, spiercellen zintuigcellen
  • Processen binnen een cel
    Aanmaak, afbraak en verbranding van stoffen
  • Levensduur van cellen
    Ssommige enkele dagen (witte bloedcellen)
    Sommige levenslang(zenuwcellen) wanneer deze verloren gaan worden ze niet meer vervangen, gevolg Littekenweefsel: reparatie
  • Bouw van de cel
    Celmembraan = de wand van de cel
    Cytoplasma = celvloeistof
    Nucleus = celkern
  • Celmembraan
    Dun vlies wat de cel omsluit. Door kleine openingen in het membraan kan uitwisseling van stoffen plaatsvinden. Laat niet alle stoffen door. Hangt af van de 
    grote van de gaatjes(poriën) . Semi-permeabel (= halfdoorlatend) 
  • Cytoplasma
    Celvloeistof bestaat uit water koolhydraten eiwitten en zouten. Ook zijn er aparte eenheden nl. De celorganellen. Celorganellen zijn de organen van de cel met hun eigen functie voor de aanmaak van celspecifieke producten (hormonen,slijm,speeksel)
  • DNA
    Desoxytibonucleïnezuur  hierin ligt de erfelijke informatie vast. DNA zit in de chrmsmn om eiwitten gerold. De opbouw van DNA is voor ieder individu uniek. Behalve eeneiige tweeling.
  • Mitose
    Celdeling van  lichaamscellen., proces waarbij  de kern van een cel deelt in twee genetisch identieke delen, die elk weer uitgroeien tot twee volwaardige cellen. Deze cellen kunnen zich ook weer delen.

    Bij het delingsproces wordt van elk chromosoom een kopie gemaakt voordat de kern (moedercel) zich deelt. Hierbij verdubbeld het DNA en de aanwezige stoffen in het cytoplasma. Zodat deze na deling evenveel chrmsmn bevatten. Gaan groeien en produceren plasma totdat ze net zo groot zijn als de moedercel
  • Meiose
    Ook wel reductiedeling genoemd. Vorm van celdeling: De vorming van geslachtscellen in geslachtsorganen (zaadcel en eicel) 
    De geslachtscellen bevatten slechts 23 chromosomen (haploïde toestand). 
    46 chrmsmn = diploïde toestand. 
    Na bevruchting versmelten zaadcel en eicel  (zygote= bevruchte eicel ) door de reductie deling heeft de zygote 46 chrmsmn
  • Erfelijke  eigenschappen
    Chromosomen komen in paren voor. Elk paar heeft 1 chrmsmn van de vader en 1van de moeder. Als  men twee dezelfde genen heeft( bijv, beiden blond haar ) dan is er spraken van een homozygoot.
    Twee verschillende genen is heterozygoot.
  • Genotype en fenotype
    Genotype  is  totale hoeveelheid erfelijk materiaal. Wat hiervan tot uiting komt is het fenotype. Eeen verandering in het genotype is een mutatie
  • Zijn genen op chromosomen van gelijke sterkte?
    Nee er zijn dominante genen en recessieve genen
  • X-chromosomale aandoeningen
    Eigenschappen die gelegen zijn op het X-chrmsmn worden X-chrmsmaal gebonden genoemd
  • Chromosomale afwijkingen
    Syndroom van Down chrmsmnummer 21 komt in drievoud voor, dus 47 chrmsmn per cel
    Syndroom van Turner : geslachtschromosomale afwijking: de vrouw bevat slechts 1 X-chromosoom dus 45 chrmsmn per cel
    Syndroom van klinefelter geslachtschromosomale afwijking. De man heeft een chrmsmn te veel XXY
  • Differentiatie
    Uitrijping  van cellen in diverse richtingen ( spier bot huid cellen)
  • Nucleus
    Celkern omgeven door celmembraan en bevat chromosomen
  • Chromosomen
    Bevatten erfelijke eigenschappen. Iieder heeft 46 chrmsmn 23 van de vader, 23 van de moeder. Zijn gerangschikt in 23 paren. 1 paar geslachtschrmsmn 22autosomen
  • Geslachtschrmsmn
    Man: XY
    Vrouw: XX
  • Genen
    23 paar chromosomen  bevatten miljoenen genen. 1 gen bevat info over 1 bepaalde erfelijke eigenschap. Y Chromosomen bevatten nauwelijks genen.
  • Homozygoot
    Aals men van vader en moeder hetzelfde gen meekrijgt (blond haar)
  • Heterozygoot
    Aals men van vader en moeder verschillende genen meekrijgt ( blond/ donker haar)
  • Bouwsteen van ons lichaam
    Eiwitten( aminozuren)
    Koolhydraten(monosachariden  enkelvoudige suikers)
    Vetten (vetzuren en glycerol)
    Nucleïnezuren (DNA)
  • Stofwisseling
    De aanvoer van voedingsstoffen en de uitscheiding van afvalstoffen tussen een levend organisme en zijn omgeving. (Metabolisme)
  • Celademhaling
    Proces waarbij de cel zuurstof opneemt uit bloed, dit wordt  gebruikt voor verbranding van voedingsstoffen. Hierbij komt energie vrij wat gebruikt wordt voor aanmaak van nieuwe stoffen. Afvalstoffen worden aan het bloed afgegeven en afgevoerd. Energieproductie vindt plaats in de celorganellen.
  • Basaalmetabolisme
    Minimale stofwisseling in rust/slaap. = ruststofwisseling
  • Energie
    1. Warmte  ( op temperatuur blijven)
    2. Mechanische energie
        Arbeid( beweging)
        Transportprocessen stoffen die cellen in                en uitgaan
        Elektrische arbeid( zenuw en spiercellen)
         Productie van nieuw celmateriaal ( speeksel hormonen)
  • Anabolisme
    Opbouwstoffisseling, processen waarbij nieuw celmateriaal wordt aangemaakt.
  • Drie stelsels die betrokken zijn bij de stofwisseling
    Hart- en vaatstelsel
    Ademhalingsstelsel
    Uitscheidingsstelsel/excretiestelsel
  • Voedingsstoffen die ons lichaam nodig heeft
    Koolhydraten

    Eiwitten
    Vetten
  • Katabolisme
    Afbraakstofwisseling, voedingsstoffen die in de cel met behulp van zuurstof worden afgebroken tot koolstofdioxide, water en energie.
  • Soorten voedingsstoffen
    Brandstoffen: vetten, koolhydraten
    Bouwstoffen: eiwitten, aminozuren die ontstaan bij verteren van eiwitten worden gebruikt  voor opbouw van nieuw celmateriaal door nieuwe lichaamseiwitten van te maken.
  • Regulatie
    Hormonen zijn eiwitten worden door het lichaam zelf gemaakt en zijn belangrijk voor de stofwisseling. De intensiteit van de stofwisseling wordt gereguleerd dmv schildklierhormoon thyroxine.
  • Histologie
    Weefselleer
  • Weefsel
    Een groep gelijksoortige cellen bij elkaar.
    Steunweefsel/spierweefsel/zenuwweefsel enz.
  • Orgaanstelsel
    Een aantal organen die samen één functie uitvoeren.
  • Soorten weefsels
    Oppervlakteweefsel
    Bind- en steunweefsel o.a. Vetweefsel
    Spierweefsel
    Zenuwweefsel
    Bloed
  • Oppervlakteweefsel
    Epitheel( grenzend aan de buitenwereld( huid, luchtpijp, darmwand)
    Endotheel ( niet in contact met de buitenwereld binnenkant bloed- en lymfe vaten.
    Oppervlakteweefsel bestaat uit één of meer lagen
  • Groepen oppervlakteweefsel
     Volgens  rangschikking: Eenlagig, meerlagig, meerrijig.
    Naar vorm: plaat-of plaveisel epitheel, cilinderepitheel, kubisch epitheel.
  • Slijmvlies
    Epitheelcellen die slijm produceert wat aan de buitenwereld wordt afgegeven
  • Klierweefsel
    Grote cellen met weinig of geen tussenstof,
  • Soorten bindweefsel
    Collageen bindweefsel: stevigste bindweefsel, sterk, weinig rekbaar. In pezen en gewrichtkapsels

    Elastisch bindweefsel: elastische tussenstof ,vervormbaar. Bijv.  Wanden van bloedvaten

    Reticulair bindweefsel: fijn vertakte vezels, bijv. Mmilt lymfeklieren beenmerg
  • Soorten steunweefsel
    Botweefsel: botcellen( osteocyten) met kalkhoudende tussenstof.
    Tussen de osteocyten liggen collageen vezels en kalkzouten waardoor harde taaie structuur ontstaat
  • Osteoclasten
    Botafbrekende cellen
  • Osteoblasten
    Botvormende cellen
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Neus
Grootste gedeelte van de lucht komt via de neus binnen in het cavum nasi.

Neusholte is verdeeld door tussenschot van kraakbeen ( septum nasi) aan beide zijden van dit septum liggen de neusgangen, hierin zitten de conchae nasales (=neusschelpen) deze verdelen de neusholte in een bovenste, middelste en onderste meatus(= neusgang). De conchae bedekken de toegang tot de sinus paranasales (neusbijholtes)
De bovenste luchtwegen bestaan uit:
Neus/ mondholte

Farynx
Larynx
Functie van de onderste luchtwegen
Efficiënte geleiding van ingeademde lucht naar de longen waar zuurstof en koolstofdioxide tussen lucht en bloed wordt uitgewisseld ( wand van de longblaasjes)
Functie van de bovenste luchtwegen
*De geleiding van de lucht tussen de buitenwereld en de onderste luchtwegen.
*ingeademde lucht wordt hier gezuiverd, op temperatuur gebracht en verzadigd met waterdamp. ( om uitdroging en afkoeling van de onderste luchtwegen te voorkomen.

Verschil tussen bovenste en onderste luchtwegen: In de bovenste luchtwegen vind geen uitwisseling plaats van zuurstof en koolstofdioxide tussen lucht en bloed.
Anatomie van de tractus respiratorius
De tractus respiratorius kan worden verdeeld in twee delen:
1. Bovenste luchtwegen: neus- en mondholte, farynx (=slokdarmhoofd) larinx (=strottenhoofd) 
2. Onderste  luchtwegen: trachea(=luchtpijp), bronchi, broncheoli, en alveoli (=longblaasjes)
Fasen van ademhaling
1. Externe respiratie: uitwisseling van zuurstof(opname) en koolstofdioxide (afgifte) tussen lucht, bloed en longen.

2. Interne respiratie: inwendige ademhaling/ celademhaling. Zuurstof in lichaamscellen wordt gebruikt voor verbrandingsreacties, er komt energie vrij en koolstofdioxide wordt gevormd.

3. Intermediaire respiratie: fase tussen uitwendige en inwendige ademhaling. Er wordt zuurstof vanuit de longen naar weefsels vervoerd en koolstofdioxide vanuit de weefsels naar de longen. Bloed speelt hierbij een belangrijke rol.
Samenstelling van de lucht
De samenstelling van de lucht is van groot belang voor onze ademhalingsfunctie. Lucht bevat ong. 21% zuurstof en 79% stikstof en kan ook waterdamp bevatten. De hoeveelheid waterdamp wordt bepaald door de temperatuur, vochtigheid en luchtdruk. ( bij een hogere waterdampconcentratie is de zuurstofconcentratie lager)
Het ademhalingsstelsel of tractus respiratorius
Tractus respiratorius regelt de hoeveelheid zuurstof en koolstofdioxide in het bloed door ademhaling.
Het transport van zuurstof en koolstofdioxide is de belangrijkste taak van de ademhaling 
Vasomotorische afwijkingen van  arteriën
De wijdte van arteriën wordt geregeld door het centraal zenuwstelsel, wanneer de functie gestoord is = vasomotorische afwijking. Er kunnen spasmen optreden in arteriën ( ziekte van Raynaud) ziektebeeld: geen gevoel in vingers, brandende pijn, soms necrose.
Pathologie van de lymfevaten
Meest voorkomende afwijking is lymfoedeem: onderhuidse ophoping van lymfe door slechte afvoer. Bekende oorzaak: mastectomie(=borstamputatie) waarbij ook de oksellymfeklieren verwijderd zijn. Lymfe uit de arm kan niet afdoende afgevoerd worden: dikke arm