Samenvatting Anatomie, fysiologie en pathologie

-
638 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Anatomie, fysiologie en pathologie

  • 1 Menselijk lichaam: de basis

  • Anatomie
    Ontleedkunde de wetenschap die de bouw van het menselijk lichaam onderzoekt
  • Fysiologie
    Bestudeert het normaal functioneren van de onderdelen van het lichaam
  • Pathologie
    Wetenschap die zich bezighoudt met algemene ziekteleer, stoornissen in de bouw en het functioneren van het lichaam
  • Cytologie
    Celleer is wetenschap die cellen bestudeert
  • Kenmerken van leven in cellen
    Stofwisseling
    Groei
    Beweging
    Voortplanting
    Reactie op prikkels van buitenaf
  • Eencellige organismen
    Bacteriën
    Algen
  • Meercellige organismen
    Opgebouwd uit meerder cellen. Z
    Zenuwcellen, spiercellen zintuigcellen
  • Processen binnen een cel
    Aanmaak, afbraak en verbranding van stoffen
  • Levensduur van cellen
    Ssommige enkele dagen (witte bloedcellen)
    Sommige levenslang(zenuwcellen) wanneer deze verloren gaan worden ze niet meer vervangen, gevolg Littekenweefsel: reparatie
  • Bouw van de cel
    Celmembraan = de wand van de cel
    Cytoplasma = celvloeistof
    Nucleus = celkern
  • Celmembraan
    Dun vlies wat de cel omsluit. Door kleine openingen in het membraan kan uitwisseling van stoffen plaatsvinden. Laat niet alle stoffen door. Hangt af van de 
    grote van de gaatjes(poriën) . Semi-permeabel (= halfdoorlatend) 
  • Cytoplasma
    Celvloeistof bestaat uit water koolhydraten eiwitten en zouten. Ook zijn er aparte eenheden nl. De celorganellen. Celorganellen zijn de organen van de cel met hun eigen functie voor de aanmaak van celspecifieke producten (hormonen,slijm,speeksel)
  • DNA
    Desoxytibonucleïnezuur  hierin ligt de erfelijke informatie vast. DNA zit in de chrmsmn om eiwitten gerold. De opbouw van DNA is voor ieder individu uniek. Behalve eeneiige tweeling.
  • Mitose
    Celdeling van  lichaamscellen., proces waarbij  de kern van een cel deelt in twee genetisch identieke delen, die elk weer uitgroeien tot twee volwaardige cellen. Deze cellen kunnen zich ook weer delen.

    Bij het delingsproces wordt van elk chromosoom een kopie gemaakt voordat de kern (moedercel) zich deelt. Hierbij verdubbeld het DNA en de aanwezige stoffen in het cytoplasma. Zodat deze na deling evenveel chrmsmn bevatten. Gaan groeien en produceren plasma totdat ze net zo groot zijn als de moedercel
  • Meiose
    Ook wel reductiedeling genoemd. Vorm van celdeling: De vorming van geslachtscellen in geslachtsorganen (zaadcel en eicel) 
    De geslachtscellen bevatten slechts 23 chromosomen (haploïde toestand). 
    46 chrmsmn = diploïde toestand. 
    Na bevruchting versmelten zaadcel en eicel  (zygote= bevruchte eicel ) door de reductie deling heeft de zygote 46 chrmsmn
  • Erfelijke  eigenschappen
    Chromosomen komen in paren voor. Elk paar heeft 1 chrmsmn van de vader en 1van de moeder. Als  men twee dezelfde genen heeft( bijv, beiden blond haar ) dan is er spraken van een homozygoot.
    Twee verschillende genen is heterozygoot.
  • Genotype en fenotype
    Genotype  is  totale hoeveelheid erfelijk materiaal. Wat hiervan tot uiting komt is het fenotype. Eeen verandering in het genotype is een mutatie
  • Zijn genen op chromosomen van gelijke sterkte?
    Nee er zijn dominante genen en recessieve genen
  • X-chromosomale aandoeningen
    Eigenschappen die gelegen zijn op het X-chrmsmn worden X-chrmsmaal gebonden genoemd
  • Chromosomale afwijkingen
    Syndroom van Down chrmsmnummer 21 komt in drievoud voor, dus 47 chrmsmn per cel
    Syndroom van Turner : geslachtschromosomale afwijking: de vrouw bevat slechts 1 X-chromosoom dus 45 chrmsmn per cel
    Syndroom van klinefelter geslachtschromosomale afwijking. De man heeft een chrmsmn te veel XXY
  • Differentiatie
    Uitrijping  van cellen in diverse richtingen ( spier bot huid cellen)
  • Nucleus
    Celkern omgeven door celmembraan en bevat chromosomen
  • Chromosomen
    Bevatten erfelijke eigenschappen. Iieder heeft 46 chrmsmn 23 van de vader, 23 van de moeder. Zijn gerangschikt in 23 paren. 1 paar geslachtschrmsmn 22autosomen
  • Geslachtschrmsmn
    Man: XY
    Vrouw: XX
  • Genen
    23 paar chromosomen  bevatten miljoenen genen. 1 gen bevat info over 1 bepaalde erfelijke eigenschap. Y Chromosomen bevatten nauwelijks genen.
  • Homozygoot
    Aals men van vader en moeder hetzelfde gen meekrijgt (blond haar)
  • Heterozygoot
    Aals men van vader en moeder verschillende genen meekrijgt ( blond/ donker haar)
  • Bouwsteen van ons lichaam
    Eiwitten( aminozuren)
    Koolhydraten(monosachariden  enkelvoudige suikers)
    Vetten (vetzuren en glycerol)
    Nucleïnezuren (DNA)
  • Stofwisseling
    De aanvoer van voedingsstoffen en de uitscheiding van afvalstoffen tussen een levend organisme en zijn omgeving. (Metabolisme)
  • Celademhaling
    Proces waarbij de cel zuurstof opneemt uit bloed, dit wordt  gebruikt voor verbranding van voedingsstoffen. Hierbij komt energie vrij wat gebruikt wordt voor aanmaak van nieuwe stoffen. Afvalstoffen worden aan het bloed afgegeven en afgevoerd. Energieproductie vindt plaats in de celorganellen.
  • Basaalmetabolisme
    Minimale stofwisseling in rust/slaap. = ruststofwisseling
  • Energie
    1. Warmte  ( op temperatuur blijven)
    2. Mechanische energie
        Arbeid( beweging)
        Transportprocessen stoffen die cellen in                en uitgaan
        Elektrische arbeid( zenuw en spiercellen)
         Productie van nieuw celmateriaal ( speeksel hormonen)
  • Anabolisme
    Opbouwstoffisseling, processen waarbij nieuw celmateriaal wordt aangemaakt.
  • Drie stelsels die betrokken zijn bij de stofwisseling
    Hart- en vaatstelsel
    Ademhalingsstelsel
    Uitscheidingsstelsel/excretiestelsel
  • Voedingsstoffen die ons lichaam nodig heeft
    Koolhydraten

    Eiwitten
    Vetten
  • Katabolisme
    Afbraakstofwisseling, voedingsstoffen die in de cel met behulp van zuurstof worden afgebroken tot koolstofdioxide, water en energie.
  • Soorten voedingsstoffen
    Brandstoffen: vetten, koolhydraten
    Bouwstoffen: eiwitten, aminozuren die ontstaan bij verteren van eiwitten worden gebruikt  voor opbouw van nieuw celmateriaal door nieuwe lichaamseiwitten van te maken.
  • Regulatie
    Hormonen zijn eiwitten worden door het lichaam zelf gemaakt en zijn belangrijk voor de stofwisseling. De intensiteit van de stofwisseling wordt gereguleerd dmv schildklierhormoon thyroxine.
  • Histologie
    Weefselleer
  • Weefsel
    Een groep gelijksoortige cellen bij elkaar.
    Steunweefsel/spierweefsel/zenuwweefsel enz.
  • Orgaanstelsel
    Een aantal organen die samen één functie uitvoeren.
  • Soorten weefsels
    Oppervlakteweefsel
    Bind- en steunweefsel o.a. Vetweefsel
    Spierweefsel
    Zenuwweefsel
    Bloed
  • Oppervlakteweefsel
    Epitheel( grenzend aan de buitenwereld( huid, luchtpijp, darmwand)
    Endotheel ( niet in contact met de buitenwereld binnenkant bloed- en lymfe vaten.
    Oppervlakteweefsel bestaat uit één of meer lagen
  • Groepen oppervlakteweefsel
     Volgens  rangschikking: Eenlagig, meerlagig, meerrijig.
    Naar vorm: plaat-of plaveisel epitheel, cilinderepitheel, kubisch epitheel.
  • Slijmvlies
    Epitheelcellen die slijm produceert wat aan de buitenwereld wordt afgegeven
  • Klierweefsel
    Grote cellen met weinig of geen tussenstof,
  • Soorten bindweefsel
    Collageen bindweefsel: stevigste bindweefsel, sterk, weinig rekbaar. In pezen en gewrichtkapsels

    Elastisch bindweefsel: elastische tussenstof ,vervormbaar. Bijv.  Wanden van bloedvaten

    Reticulair bindweefsel: fijn vertakte vezels, bijv. Mmilt lymfeklieren beenmerg
  • Soorten steunweefsel
    Botweefsel: botcellen( osteocyten) met kalkhoudende tussenstof.
    Tussen de osteocyten liggen collageen vezels en kalkzouten waardoor harde taaie structuur ontstaat
  • Osteoclasten
    Botafbrekende cellen
  • Osteoblasten
    Botvormende cellen
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Epilepsie
Vallende ziekte = complex van ziekten, aanvalsgewijs abnormale prikkeling in een of meer hersengebieden. insult(= aanval)
Lokaal begin: ontstaat vanuit 1 haard in hersenen, 
Gegeneraliseerde aanval: gehele hersenactiviteit is gestoord.
Er is een erfelijke en verworven vorm.


Bekendste vorm: grand mal (grote aanval):
Voor de aanval: voorverschijnselen(=aura) stadium van irritaties: geluid, lichtflitsen,
*Tonische fase: Acuut bewusteloos, alle spieren gespannen (30 sec.)
*clonische fase: ritmische spiercontracties 
(Enkele minuten) 
* diepe slaap


Petit mal: 4-7 jaar
Bewustzijnsdaling, wazige blik, draait ogen naar boven, ritmische schokjes laat soms iets vallen, gaat daarna gewoon verder.


Therapie: 
* medicijnen: anti-epileptica, voor altijd, na 3-5 jaar aanvalsvrij, dosering afbouwen, tenslotte staken.
* leefgewoonten aanpassen: regelmaat, geen stress en alcohol, aangepast beroep.
Ziekte van Parkinson
Tekort aan dopamine (=neurotransmitter) in de hersenen, extrapiramidale systeem is erbij betrokken. Rregeling van spiertonus en samenwerking tussen verschillende spiergroepen is verstoord.

Hoofdkenmerken:
* Tremoren: eerst hoofd, handen voeten, geldtelbewegingen, erger bij emoties, in slaap verdwenen, verminderd als patiënt bewegingen uitvoert
* spierstijfheid, elleboog buigt schoksgewijs( tandradfenomeen) , bijlopen bewegen armen niet mee, patiënt buigt steeds verder voorover, star gelaat, spraak wordt zachter eentoniger en minder duidelijk.
* bewegingsremming; problemen met lopen kleden, eten, schrijven, spreken.

Daarnaast vette huid,(voorhoofd) meer zweet en speeksel

Behandeling: 
Vervangend middel voor dopamine
Fysio en ergotherapie
Multipele Sclerose
MS = vele verhardingen. Ongeneeslijk en chronisch. Tussen 20-40. Onbekende oorzaak, waarschijnlijk door autoimmuunreactie op virus, lijkt erfelijk.
Noordelijker komt MS meer voor, in de tropen vrijwel niet

Normaal isoleren Meyelinescheden de zenuwen, zodat prikkels niet over kunnen springen, er treed geleidingsstoornis op.

Begint met vage (oog) klachten, betere en slechtere periodes.
Klachten:
*spierzwakte
* spastische verlammingen ( benen/blaas) vooral in chronisch stadium)
* gezicht, slik en spraakstoornis
* tremoren (trillingen) ledematen.
* psychische veranderingen (uitersten)

Algemene behandeling:
Rust
Niet teveel inspannen
Spierontspannende middelen
Corticosteroïden
Fysio voorkomt contracturen
Encefalitis
Ontsteking hersenweefsel vaak ook in ruggenmerg.
*Symptomen: koorts, hoofdpijn, bewustzijnsstoornissen, uitvalsverschijnselen.
*Toename lymfocyten in liquor
* complicatie van bacteriële of virale infectie
Acute en chronische hersenvliesontstekingVerloop en therapie
Acute vorm: veroorzaakt door meningokok: nekkramp, zeer snel verloop, hoge koorts, hoofdpijn, stijve nek. Hoeft niet bij kinderen  maken soms allen slome indruk, in geval van bloedvergiftiging: huiduitslag, zeer ernstig: intensieve zorg is nodig. Liqourdruk is verhoogd, soms etterig

Chronische vorm: liquor hoogstens ondoorschijnend, symptomen minder ernstig

Verloop
* geneest
* overlijdt
* geneest met restversxhijnselen: zwakzinnig, epilepsie, gehoor-of gezichtsstoornissen.

Therapie:
Snelle diagnose: bakteriekweek van liquor,
Antibiotica
Symptomen hersenvliesontsteking
* hoge koorts
* hoofdpijn
* verwardheid
* overgevoelig voor geluid- of lichtprikkels
* braken
* sufheid
* nekstijfheid
* dwangstand hoofd (achterover) 
* verandering in de liquor
* epileptische verschijnselen 
* meningeale prikkeling: patiënt buigt reflexmatig de benen als de nek wordt gebogen ( testen van Kernig en Brudzinsky)
Meningitis
Ontsteking hersenvliezen en /of ruggenmergvliezen door bacteriën uit het lichaam zelf dat via bloed verspreid. 
Acute en chronische vorm. Eelk type wordt veroorzaakt door ander type micro-organisme 
Dwarsleasie
Onderbreking van opstijgende en dalende zenuwbanen in het ruggenmerg.
Alle banen onderbroken: complete dwarslaesie
Deel van de banen onderbroken: partiële dwarslaesie 

Oorzaken: tumor, fractuur of verplaatsing van wervels

Symptomen:
* Verlamming willekeurige spieren (eerst slap later spastisch) onder niveau van laesie 
* anesthesie: = gevoelloosheid
* ontbreken van reflexen
* incontinetie

Dwarslaesie ter hoogte van C5 is niet met leven verenigbaar ( omdat middenriffunctie wegvalt

Na 5 tot 8 weken gaat patiënt revalideren 
Tumor cerebri
Goed en kwaadaardige tumoren kunnen schade aanrichten in hersenen door intercraniale drukverhoging
Symptomen:
* hoofdpijn
* duizeligheid
* algemeen onbehagen
* vomeren = braken
* oogafwijkingen door intercraniale druk
* epilepsie
* eenzijdige verlamming of krachtsvermindering

Therapie: chirurgisch verwijderen van tumor of lasertherapie
Oorzaken verminderde doorbloedingen risico’s die kans op CVA vergroten
Oorzaken slechte doorbloeding:
*Dichtslibben arteriën 
*embolie
*afwijkingen van vaten of samenstelling van bloed
*tumoren of metastasen

Risico’s:
* hypertensie
* overgewicht
* te weinig beweging
* roken
* vaatziekten in familie
Oorzaak wegnemen of preventief antistollingstherapie voorschrijven