Samenvatting Anatomie Fysiologie en Pathologie

151 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvattingen

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Anatomie Fysiologie en Pathologie

  • 1 Anatomie fysiologie en pathologie

  • Waarover gaat anatomie?
    De bouw van het menselijk lichaam.
  • Waarover gaat fysiologie?
    De werking van het menselijk lichaam.
  • Waarover gaat pathologie?
    Ziektebeelden.
  • Wat is de International Classification of Functioning, disability and health (ICF) ?
    Een begrippenstelsel waarin het functioneren en de problemen van iemand zo beschreven zijn dat het slechts voor 1 uitleg vatbaar is.
  • Van welke 3 perspectieven gaat de ICF uit?
    - De stoornis
    - De beperking
    - De handicap
  • Wat zijn chronisch zieken?
    Mensen die lijden aan een onomkeerbare aandoening zonder uitzicht op volledig herstel.
  • Wanneer is er sprake van een chronische aandoening? (4 criteria)
    - Duurt minimaal 6 maanden.
    - Geen genezing mogelijk.
    - Gevolgen voor activiteiten of maatschappelijke participatie.
    - Beroep doend op de gezondheidszorg.
  • Wat is comorbiditeit?
    Het tegelijkertijd hebben van twee of meer aandoeningen.
  • Wat betekent revalidatie letterlijk?
    Weer valide (gezond) worden.
  • 1.1 Het hart en de bloedsomloop

  • Waar is het hart uit opgebouwd? (3 delen)
    Hartvlies
    Hartspier
    Hartzakje
  • Wat is het hartvlies?
    Dun glad vlies dat in direct contact staat met het bloed.
  • Wat is het hartzakje?
    Binnen- en buitenvlies waartussen een dun laagje vocht zit. Daardoor schuiven de vliezen makkelijk over elkaar.
  • Welke vier holtes heeft het hart?
    Twee boezems.
    Twee kamers.
  • Waar zit de tweeslippige klep?
    Tussen linkerboezem en linkerkamer.
  • Waar zit de drieslippige klep?
    Tussen rechterboezem en rechterkamer.
  • Wat is het septum.
    Het tussenschot dat de linkerboezem en linkerkamer scheidt van de rechterboezem en rechterkamer.
  • Wat bevindt zich bij de uitgangen van de kamers?
    Slagaders.
  • Wat is de pulmonaalklep?
    Klep tussen rechterkamer en longslagader.
  • Wat is de aortaklep?
    Klep tussen linkerkamer en de aorta.
  • Hoe krijgt het hart zuurstof en voedingsstoffen?
    Via de kransslagaders.
  • Hoe begint elke hartslag?
    Met het samentrekken  van de boezems.
    Bloed stroomt dan uit de boezems naar de kamers.
  • Wat is de sinusknoop?
    Een knoop in de rechterboezem die elektrische prikkels geeft aan de hartspier.
  • Uit welke 3 fases bestaat een hartslag?
    1. Samentrekking.
    2. Ontspanning.
    3. Rust.
  • Wat zijn capillairen?
    Haarvaatjes.
  • Welk vaatsysteem is het langst?
    De haarvaatjes.
  • Wat zijn slagaders?
    De sterkste bloedvaten, die zuurstofrijk en voedselrijk bloed bevatten. 
    Behalve de longslagaders! Die zijn niet zuurstofrijk!
  • Wat zijn arteriolen?
    Kleine slagaders met glad spierweefsel in de wand waardoor ze in diameter kunnen veranderen.
  • De kleinste haarvaatjes bestaan uit een doorlaatbaar vlies.
  • Wat is het verschil tussen het systeem van aders en het slagaderlijke systeem?
    - Het slagaderlijke systeem komt van het hart met zuurstofrijk en voedingrijk bloed.
    - Het systeem van aders is het omgekeerde systeem, maar dan met zuurstofarm bloed naar het hart toe.
  • Wat is het belangrijkste bloedvat?
    De aorta/de lichaamsslagader.
  • Waar komt het adersysteem samen?
    In twee hoofdaders. De bovenste- en de onderste holle ader.
  • Bloed komt via de holle aders de rechterboezem in. Bij iedere hartslag wordt dit bloed via de rechterkamer en de longslagaders naar de longen gepompt.
  • Wat is de grote bloedsomloop?
    Deel v.d. Bloedsomloop dat zuurstofrijk bloed naar lichaamscellen vervoert en zuurstofarm bloed terugvoert.
  • Wat is de kleine bloedsomloop?
    Bloed dat vanuit de rechterkamer naar de longen stroomt, en vervolgens vanuit de longen naar de linkerboezem.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Anatomie, fysiologie & pathologie

  • 1 Respiratoire aandoeningen

  • -
    -
  • 1.1 Anatomie en fysiologie

  • Anatomie respiratoir stelsel:
    • Neusholte = Cavitas Nasi
    • neusbeen = Os nasale
    • zeefbeen = Os ethmoïdale
    • ploegschaarbeen = Vomer
    • neusschelp = Conchae nasales (sup, med, inf) waarin reukzenuw en traanbuizen uitmonden.
    • keelholte = Farynx
    • strottenhoofd = Larynx
    • luchtpijp = trachea
    • bifurcatie = Carina
    • 2 longen = Pulmones
    • luchtwegvertakkingen = Bronchiaalboom
    • longblaasjes = Alveoli
    • 2 longvliezen = Pleurabladen
    • ribben = Constae
    • tussenribspieren = Musculi interconstales
    • middenrif = Diafragma
  • Amdemhaling
    Elke inademing = 0,5 liter.
    Normale ademfrequentie = 15 a 20 per minuut.
    = uitademen elke 4 a 5 seconden.
  • Neusmucosa
    • Zuivert de ingeademde lucht.
    • Bevochtigen en snel  verwarmen van ingeademde lucht.
    • Ingeademde partikels blijven kleven aan de muscuslaag + worden met slikbewegingen naar de slokdarm en maag vervoerd.
  • Sinus Paranasales
    • Grote bilaterale luchtholten = sinussen staan in de schedel in contact met de neus:
      • Sinus frontalis -> centrale afvoergang
      • Sinus maxillaris -> horizontale afvoergang = meer infecties! 
      • Sinus ethmoidalis
      • Sinus sphenoïdalis
  • Larynx
    • Vormen van de stem
    • Beletten van verslikken zodat voedsel tijdens het slikken niet in de trachea terechtkomt.
      • Tijdens slikken buigt de epiglottis = strotklep  naar voor en beneden (door contractie van spieren die van epiglottis naar larynx lopen)
      • => wordt trachea afgesloten tijdens het slikken + komt voedselbrij in de slokdarm terecht.
  • Larynx
    • N. Laryngeus recurrens = is een aftakking van de nervus vagus, de tiende hersenzenuw. Er zijn aan beide zijden twee strottenhoofdzenuwen.
    • Cartilago thyreoïdea = schildkraakbeen = en stuk kraakbeen dat onderdeel is van het strottenhoofd. Tegen het schildkraakbeen ligt de schildklier.
    • Cartilago Cricoïdea = ringkraakbeen = een kraakbeenring onder in het strottenhoofd.
    Cartilago Arytenoïdea = bekerkraakbeentjes = stukken kraakbeen in de strot. Zij ondersteunen de stembanden.
    sans-serif
  • Luchtwegen
    • Luchtgeleidende structuren:
      • Trachea-stambronchi-lobaire bronchi-segmentaire branchi-bronchioli-trilhaarepitheel met slijmklieren.
    • Gasuitwisselende structuren (alveoli)
  • Luchtwegen
    Longen zijn zeer kwetsbaar -> staan in open verbinding met buitenwereld => MO en schadelijke stoffen kunnen binnendringen en de bronchiole mucosa aantasten -> Bronchitis.
    Wanneer partikels in de ingeademde lucht aanwezig zijn -> worden ze in slijm van slijmklieren verpakt en door trilhaarepitheel van luchtwegmucosa naar buiten gevoerd.
  • Cavitas Thoracis = thoraxholte
    • Constae = ribben
    • Diafragma = middenrif
    • Pleura  pariëntalis = borstvlies + pleura visceralis = longvlies
      • waartussen vloeistoffilm + adhesie (aantrekkingskracht) met negatieve druk in cavitas pleuralis (pleuraholte) + recessus pleuralis (= potentiële ruimte aan de posterieure uiteinden van de pleuraholtesans-serif) of constodiafragmatische sinus -> punctie mogelijk.
    • mediastinum =  de ruimte tussen de beide longen in, die ventraal begrensd wordt door het borstbeen en dorsaal door de wervelkolom. In het mediastinum bevinden zich onder andere het hart, de luchtpijp, longhilus (ingang van hoofdbronchi in de long), de slokdarm, de aorta, een aantal grote bloedvaten, een groot aantal zenuwen, de thymus en vele lymfeklieren.
  • Trachea
    • 15cm lang + 2cm doormeter
    • = Hoefijzervormige kraakbeenelementen vooraan, achterkant is een membraan van bindweefsel en gladde spiervezels.
    • Zijn onderling verbonden door stevig bindweefsel.
    • Voor de trachea:
      • Schildklier
      • Thymus = zwezerik
      • Aortaboog
      • Sternum
    • Achter de trachea:
      • Slokdarm
      • Wervelzuil.
  • Carina
    = splitsingsplaats of bifurcatie in de 2 hoofdbronchi of stambronchi.
  • Pulmones = longen
    - Rechter / linker.
    - Volwassen man: rechts 550gr max, links 450gr
  • Longkwabben = lobi
    - Rechts: 3 = boven, midden, onderkwab
    - Links: 2 = boven en onderkwab.
  • Longsegmenten
    • 2 hoofdbronchi vertakken zich = bronchiaalboom.
    • Eerst vertakken hoofdbronchi in lobaire bronchi:
      • Rechts 3 takken naar 3 rechter longkwabben.
      • Links 2 takken naar 2 linker longkwabben.
    • Daarna volgen de segmentsbronchi (18)
    • Tenslotte de bronchioli = fijnste vertakkingen = luchtgeleidend.
    • De grote vertakkingen zijn kraakbeenringen -> versteviging wand.
    • De wand van luchtwegen bestaat verder uit stevig, elastisch bindweefsel met gladde spiercellen.
    • Slijmvlies aan de binnenkant is bedekt met trilhaarepitheel:
      • Zorgt voor vervoer van slijm naar keelholte.
    • Aan uiteinde van brochiolus zitten verwijdingen = ductuli alveolares of longtrechtertjes waar éénlagige longblaasjes = alveoli uitmonden.
    • Alveoli zitten als druiven aan druiventros aan longtrechters vast.
    • Longblaasjes (alveoli) worden omgeven door een zeer dens haarvatennetwerk:
      • Zorgt voor gasuitwisseling -> bloed staat koolzuur af en neemt zuurstof op van ingeademde lucht.
  • Longweefsel
    • = bloedvaten (capillairen) + luchtwegen (alveoli)
    • Waartussen het alveolocapillaire membraan (AC-membraan) -> waardoor diffusie van zuurstof en kooldioxide verloopt.
    • Bij longemfyseem = daling van het uitwisselingsoppervlak + verdikt AC-membraan door ontsteking => diffusieproblemen kunnen optreden.
  • Pleurabladen
    • Buitenste of pariëtaal blad = borstvlies.
    • Binnenste of visceraal blad = longvlies.
    • Pleuraholte = luchtledige ruimte.
    • Tussen beide vliezen zit een dunne vloeistoffilm -> maakt verschuiving van vliezen t.o.v. elkaar mogelijk zonder wrijving.
    • Vliezen niet van elkaar afgetrokken worden, maar enkel langs elkaar schuiven.
    • Het buitenste pleurablad zit vast aan thoraxwand en diagfragma:
      • Trekkracht aan buitenste vlies is naar buiten gericht.
    • Het binnenste pleurablad zit vast aan de longen:
      • Trekkracht aan binnenste vlies naar binnen gericht.
    • => door deze 2 trekkrachten = interpleurale kracht < dan de atmosferische druk.
    • Onderaan lateraal bevinden zich bilateraal de costodiafragmatische sinussen = recessus pleuralis.
      • Hier kan een pleurapunctie uitgevoerd worden.
  • Lucht
    - 78% stikstof
    - 21% zuurstof
    - 1% edelgassen
    - 0.03% kooldioxide
    - Samenstelling van gasmengsel in longblaasjes = constant

    Er wordt maar een kleine hoeveelheid verse lucht vermengd met de grote hoeveelheid lucht die al in longen aanwezig is.
  • Ademhalen = respiratie
    = zuurstof (O2) uit de lucht opnemen en koolzuur of kooldioxide (CO2) aan de lucht afgeven.

    Lichaamscellen hebben O2 nodig voor verbranding van voedingsstoffen (suiker, vet, eiwit) waarbij kooldioxide ontstaat en energie (ATP, adenosine trifosfaat) vrijkomt.
    • ATP wordt gebruikt bij de cel- en orgaanfuncties + aanmaak van bouwstoffen.


    Respiratie = ventilatie + perfusie + diffusie !
  • Adembewegingen
    Ontstaan door contractie van middenrif (diafragma) en tussenribspieren (intercostale spieren).
    Deze zorgen dat de lucht in de longen continu vervangen wordt.
    = mechanisch gebeuren
  • Adembeweging = mechanisch gebeuren
    • Inspiratie door actieve contractie van de ademhalingsspieren die buiten de longen gelegen zijn.
      • In rust -> verzorgt het diafragma de ademhaling = buikademhaling
        • Afvlakking van de koepel bij middenrifcontractie realiseert een groter longvolume.
      • Wanneer meer lucht nodig is (lichte inspanning) gaan de buitenste of externe tussenribspieren of intercostale spieren zorgen voor de borstademhaling.
        • Naar boven en zijwaarts verplaatsen van de ribben. Het middenrif en thorax maken de longinhoud zo groter door aan de longen en de bronchi te trekken => bronchodilatatie volgt -> lucht gemakkelijk naar binnen stroomt.
      • Bij geforceerde inspiratie -> inschakeling van andere hulpademhalingsspieren:
        • Musculi scaleni = in de nek, die op 1e en 2de rib aanhechten -> deze ribben nog meer omhoog trekken => ribben komen nog meer horizontaal te staan.
    • Expiratie door passief terug innemen van de oorspronkelijke thoraxstand o.i.v. de elasticiteit van het longweefsel.
      • Alle ademhalingsspieren zullen relaxeren -> diafragma neemt terug een koepelvorm aan en de ribben zakken terug naar hun oorspronkelijke stand. 
      • Normale expiratie verloopt passief, maar er is op het einde een minimale actieve samentrekking van de gladde spiercellen in de wand van de bronchioli.
      • Bij inspanning -> snellere en diepere adembewegingen -> exploratie wordt actief ondersteund  door contractie van de binnenste of interne tussenribspieren.
      • Bij uitademen worden de longen gecomprimeerd => bronchoconstrictie treedt op = uitademen duurt dus altijd langer dan inademen.
  • Adembeweging = Gaswet van Boyle
    = andere verklaring voor vlot instromen en uitstromen van lucht is de luchtwegen.
    • Product van volume en druk blijft constant.
    • Thoraxexpansie bij inspiratie zal dan leiden tot een groter longvolume en de gasdruk zal evenredig kleiner worden:
      • Door afnemende gasdruk in de longen wordt automatisch lucht aangezogen.
      • Omgekeerde bij expiratie.
  • 2 mechanismen kunnen de ventilatie continue aanpassen
    Ademcentrum in de hersenstam (verlengde merg):
    • Stuwt de automatische adembewegingen via autonome zenuwen naar de ademhalingsspieren wanneer de PaCO2 (arteriële) en de zuurtegraad in het bloed daalt -> = sterke prikkel tot ademhalen.


    Chemoreceptoren van glomus caroticum en glomeria aortica met stimulatie van ademcentrum:
    • Reageren op daling van de (artiële) PaO2
    • => versnelling en verdieping van de ademhaling via autonome zenuwen.


    In gewone omstandigheden:
    • Bepaalt koolzuurprikkel de ademhaling:
      • Slechts in uitzonderlijke situaties wordt de zuurstof prikkel de belangrijkste factor (vb. bij chornische CO2 retentie)
  • Respiratie gebeurt door:
    • Ventilatie = tijdige verversing van de alveolaire lucht door de adembewegingen.
    • Perfusie = normale longcirculatie
    • Diffusie = gasuitwisseling over de alveolocapillaire membraan -> opname van O2 in bloed en afgifte van koolzuurgas aan buitenwereld.
  • Longslagader = arterie pulmonalis
    • Ontspringt uit de rechter kamer = ventrikel van het hart.
    • Splitst zich in 2 grote hoofdtakken die de linker en rechter long bevloeien.
    • In de long vertakt deze zich verder in kleine longslagaders zoals de luchtwegvertakkingen -> een tak naar elke kwab en elk segment.
    • Rond de longblaasjes = alveoli vormt zich dan een haarvatennetwerk.
      • Alveoliwand en de capillairwand = 1 cellaag dik -> gemakkelijke gasuitwisseling.
    • Alle haarvaten vloeien samen tot kleine longaders, die parallel lopen naast kleine longslagaders.
      • In elke long ontstaan 2 longaders waardoor 4 longvenen = venae pulmonales uitmonden in de linker voorkamer = atrium van het hart.
      • = kleine bloedsomloop of long-circulatie. In arterie pulmonalis = koolzuurrijk bloed en O2 arm bloed van lichaam naar longen -> in capillairen wordt de overmaat aan koolzuur afgegeven aan lucht in longblaasjes -> O2 wordt onttrokken aan de alveolaire lucht -> O2 rijke en koolzuurarme bloed komt dan via venae pulmonales in linker voorkamer terecht.
        • Hier begint de grote bloedsomloop -> via linker kamer + aorta naar hele lichaam, waar zuurstof onttrokken wordt en koorzuurrijk bloed overblijft -> O2 arme bloed gaat via 2 holle aders = venae cavae terug naar de rechter voorkamer in het hart.
        • De arteriae of rami bronchiales = kleine aftakkingen van de aorta descendens voorzien longweefsel van O2 rijk bloed voor stofwisseling van longweefsel zelf. O2 arme bloed wordt afgevoerd via venae bronchiales -> monden uit in grote aders aan binnenzijde van thoraxwand.
    • Bloeddruk:
      • Lager in longcirculatie dan in algemene circulatie -> Systolische = 25 mmHg + Diastolische = 10 mmHg
    • Heeft in longen geen taak in onderhouden van vloeistofstroming tussen bloed en intercellulair weefsel.
    • Essentieel = goede ventilatie-perfusieverhouding -> wordt automatisch aangepast + heeft reservecapaciteit -> wanneer uitwisseling van O2 en kooldioxide niet goed verloopt in longdeeltje   -> zal dit afgesloten worden voor ventilatie + perfusie => beperkte gevolgen van gestoorde gasuitwisseling beperkt bij vele longziekten.
      • Ernstige emfyseem -> O2 opname nog op peil houden in rust.
      • ! littekenweefsel zal bloedvaten insnoeren -> vaatweerstand -> Bd longcirculatie   -> decompensatie van hart => cor pulmonale.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Samenvatting - Anatomie Fysiologie Pathologie

  • 1 Cel en weefselleer

  • Wat zijn de belangrijkste functies van de kleinste bouweenheid van het lichaam?
    Functies cel:
    Stofwisseling
    Productie stoffen
    Reageren op prikkels
    Celdeling
  • Uit welke bestanddelen bestaat een cel?
    Celwand= celmembraam
    Celvocht= cytoplasma
    Celkern= regelcentrum
    Celorganellen: golgi-apparaat en endoplasmatisch reticulum
  • Hoe noem je de "wand" van het cytoplasma dat selectief permeabel is en een hoog gehalte aan lipiden (vetten) en proteinen (eiwitten) bezit?
    Celmembraam
  • In het hoofdbestanddeel van de cel, het cytoplasma drijven de celorganellen; ruw endoplasmatisch reticulum, Golgi apparaat, mitochondrien, mocrotubuli en centriolen. Wat zijn de functies van deze organellen?
    Ruw endoplasmatisch reticulum bevat ribosomen= eiwitten maken
    Glad endoplasmatisch reticulum= opslag eiwitten
    Golgi-apparaat= inpak- en transportservice van de cel
    Mitochondrien (boontje)= energieleveranciers in de cel
    Microtubuli en centriolen= vormen een soort skelet
  • Wat is de functie van de celkern(=nucleus)?
     De celkern is het regelcentrum, regelt de stofwisselingsprocessen van de gehele cel en bevat genetische informatie
  • Met name cellen van secretieoganen (=uitscheidingsorganen zoals bijv. Speekselklieren) bevatten veel golgi-complexen
  • Wat is celdifferentiatie?
    Specialisatieproces van cellen om een bepaalde taak te kunnen uitvoeren
  • Celdeling:
    Mitose= door deling 2 gelijke dochtercellen 
    Meiose= bij ontstaan van geslachtscellen, aantal chromosomen wordt gehalveerd
  • Wat is en waaruit bestaat weefsel?
    Groepjes cellen met dezelfde vorm (morfologie) en functie (fysiologie)
    Een groep cellen vormt samen met de tussencelstof en de weefselvloeistof een weefsel
  • Uit welke 4 primaire weefsels is het dierlijk lichaam opgebouwd?
    Epitheelweefsel
    Bindweefsel of steunweefsel
    Spierweefsel
    Zenuwweefsel
  • Epitheelweefsel: bekledende cellen, beschermende functie
  • Bindweefsel/steunweefsel: steunende, verbindende, verzorgende functie
  • 4 soorten bind/steunweefsel:
    Bindweefsel
    Kraakbeen
    Bot
    Bloed
  • Spierweefsel heeft de mogelijkheid om zich samen te trekken
  • Zenuwweefsel> geleidingsvermogen
  • Orgaan: deel van een organisme met 1 of meer functies, bestaande uit meerdere weefsels
  • 2 Algemene fysiologie van cel, weefsels en organen

  • Wat is fysiologie?
    De leer van het normale functioneren
  • Normale, rectale lichaamstemperatuur hond:
    38-39 graden celcius
    Normale polsfrequentie: 60-120 slagen per minuut
  • 2.1 Het extracellulaire milieu

  • Het lichaam bestaat voor ongeveer 70% uit water.
    1/4 deel is extracellulair water
    - in het bloed, als bloedplasma
    - in de ruimte rondom cellen, als weefselvloeistof, interstitiele vloeistof
  • 2.2 Uitwisseling intra- en extracellulair

  • Wat is filtratie en waar vindt dit plaats?
    Kleine in water opgeloste deeltjes worden onder druk door de porien van het celmembraam geperst.
    In de kleinste bloedvaten
  • Wat is diffusie en waar vindt dit plaats?
    Opgeloste stoffen stromen van een gebied met een hoge conc naar een gebied met een lage conc (permeabel membraam)
    In de longblaasjes
  • Wat is osmose?
    Water stroomt door een semi-permeabel (=half doorlaatbaar) membraam van een gebied met een hoge conc naar een gebied met een lage conc van die stof
  • De osmotische druk van dierlijke weefsels komt overeen met een keukenzout oplossing (NaCL) 0,9%
    2 oplossingen met dezelfde osmotische druk worden isotone of fysiologische oplossingen genoemd
  • Cel in opl. >0,9%= hypertone opl.> cellen geven water af en schrompelen
    Cel in opl. <0,9%= hypotone opl.> cellen nemen water op en zwellen
  • Filtratie, diffusie en osmose= passief transport
  • Actief transport> natrium, kalium, aminozuren en suikers.
    Transport vindt plaats mbv enzymen of carriers (transporteiwitten) en kost voortdurend een hvh energie
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wat is een lactose intolerantie?
Het onvermogen om de suiker lactose (in alle zuivelproducten) te kunnen verteren.
Wat is coeliakie?
Glutenovergevoeligheid door een erfelijke intolerantie voor gluten.
Wat betekent ilieus en waardoor ontstaat het?
Een obstructie van de darm door ontstekingen, oud littekenweefsel en door kanker.
Wat betekent metastaseren?
Uitzaaien in het lichaam.
Wat is een ulcus en wanneer ontstaat het?
Een zweer die ontstaat wanneer de bekleding van de maag of de twaalfvingerige darm chronisch ontstoken is.
Wat is gastro-enteritis of buikgriep?
Ontsteking van het spijsverteringskanaal met als gevolg braken en diarree.
Wat is reflux of brandend maagzuur?
Maaginhoud die gedeeltelijk terug de slokdarm instroomt.
Wat is een hernia diafragmatica?
Een breuk in het middenrif.
Wat is het verschil tussen een voedsel allergie en een voedsel intolerantie?
Een allergie is een vorm van overgevoeligheid en bij een intolerantie ontbreekt het de zorgvrager bijvoorbeeld aan een bepaald enzym nodig voor de vertering.
Welke vorm en samenstelling kan ontlasting hebben?
- Droge knobbels/keutels. Door te weinig drinken.
- Ingedroogde ontlasting door te weinig lichaamsbeweging.
- Vloeibaar. Door spanning, infectie of bedorven voedsel.
- Vreemde dingen in ontlasting. Onverteerde voedselresten, wormen pus en slijm.