Samenvatting Begegnungen Deutsch als Fremdsprache : Integriertes Kurs- und Arbeitsbuch : Sprachniveau A2+

-
ISBN-10 3929526891 ISBN-13 9783929526899
115 Flashcards en notities
4 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Begegnungen Deutsch als Fremdsprache : Integriertes Kurs- und Arbeitsbuch : Sprachniveau A2+". De auteur(s) van het boek is/zijn Anne Buscha Szilvia Szita. Het ISBN van dit boek is 9783929526899 of 3929526891. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Begegnungen Deutsch als Fremdsprache : Integriertes Kurs- und Arbeitsbuch : Sprachniveau A2+

  • 1 Kapitel 1 Ausbildung und Tätigkeiten

  • das Abitur
    het eindexamen(diploma)
  • absagen (er sagte ab, er hat agbsagt) + A
    afzeggen (hij zegde af, hij heeft afgezegd)
  • abschließen (er schloss ab, er hat abgeschlossen) + A
    voltooien (hij voltooide, hij heeft voltooid)
  • das Studium abschließen
    de studie voltooien
  • der Abschluss, "-e
    het einddiploma
  • akademisch
    academisch
  • die Angst, "-e
    de angst
  • sich anziehen (er zog sich an, er hat sich angezogen)
    zich aankleden (hij kleedde zich aan, hij heeft zich aangekleed)
  • der Arabischkursch, -e
    de cursus Arabisch
  • der Arbeitsbereich, -e
    het werkveld
  • sich ärgern (er ärgerte zich, er hat sich geärgert)
    zich ergeren (hij ergerde zich, hij heeft zich geërgerd)
  • attraktiv
    aantrekkelijk
  • aufhören (er hörte auf, er hat aufgehört) mit + D
    ophouden (hij hield op, hij is opgehouden) met
  • mit der Arbeit aufhören
    ophouden met werken
  • die Ausbildung, -en
    de opleiding
  • ausgeben (er gibt aus, er gab aus, er hat ausgegeben) + A
    uitgeven 
  • Geld für Kleider ausgeben
    geld uitgeven aan kleding
  • das Auslandsstudium, die Auslandsstudien
    de buitenlandse studie
  • backen (er backte, er hat gebacken) + A
    bakken (hij bakte, hij heeft gebakken)
  • einen Kuchen/Brot backen
    een cake/brood bakken
  • beantworten (er beantwortete, er hat beantwortet) + A
    beantwoorden (hij beantwoordde, hij heeft beantwoord)
  • eine E-mail beantworten
    een e-mail beantwoorden
  • sich bedanken für + A
    (be)danken voor
  • Ich bedanke mich für Ihre Hilfe
    Ik dank u voor uw hulp
  • bedienen (er bediente, er hat bedient) + A
    bedienen (hij bediende, hij heeft bediend)
  • Gäste bedienen
    gasten bedienen
  • sich beeilen (er beeilte sich, er hat sich beeilt)
    zich haasten (hij haastte zich, hij heeft zich gehaast)
  • sich befinden (er befand sich, er hat sich befunden)
    zich bevinden (hij bevond zich, hij heeft zich bevonden)
  • Berlin befindet sich in Deutschland
    Berlijn bevindt zich in Duitsland
  • begrüßen (er begrüßte, er hat begrüßt) + A
    begroeten (hij begroette, hij heeft begroet)
  • Ich begrüße meine Kollegen.
    Ik begroette mijn collega's.
  • Ich begrüße Sie herzlich in unserer Firma.
    Ik begroet u hartelijk in ons bedrijf.
  • beide
    beide(n)
  • der Bereich, -e
    het terrein, het gebied
  • der Bericht, -e
    het verslag
  • berichten (er berichtete, er hat berichtet) über + A
    verslag uitbrengen (hij bracht verslag uit, hij heeft verslag uitgebracht) over
  • über die Arbeit berichten
    verslag uitbrengen over het werk
  • beruflich
    beroeps-, beroepshalve
  • die Berufsausbildung, -en
    de beroepsopleiding
  • die Berufsschule, -n
    de vakschool
  • beschreiben (er beschrieb, hat er beschrieben) + A
    beschrijven (hij beschreef, heeft beschreven)
  • sich beschweren (er beschwerte sich, er hat sich beschwert) über + A
    zijn beklag doen (hij deed zijn beklag, hij heeft zijn beklag gedaan) over
  • Ich beschwere mich über das Essen in der Kantine
    Ik doe mijn beklag over het eten in de kantine
  • bestehen (er bestand, er hat bestanden) aus + D
    bestaan (hij bestaat, hij heeft bestaan) uit
  • Das Perfekt besteht aus zwei Teilen.
    De voltooid tegenwoordige tijd bestaat uit twee delen.
  • betrachten (er betrachtete, er hat betrachtet) + A
    bekijken (hij bekeek, hij heeft bekeken)
  • Betrachen Sie die Grafik.
    Bekijkt u de grafiek.
  • betreuen (er betreute, er hat betreut) + A
    zorgen voor (hij zorgde voor, hij heeft gezorgd voor)
  • Gäste betreuen
    zorgen voor gasten
  • der Betrieb, -e
    het bedrijf
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

die Jugendmannschaft, -en
het jeugdelftal
Ich interessiere mich für klassische Musik
Ik interesseer me voor klassieke muziek.
sich interessieren [er interessierte sich, er hat sich interessiert] für + A
zich interesseren [hij interesseerde zich voor, hij heeft zich geïnteresseerd voor]
die Installation, -en
de installatie
immerhin
immers, toch (maar)
der Hauptschulabschluss, -"s
het mavodiploma
die Hauptschule, -n
de mavo
der Hauptrechner
de centrale computer
das Hauptgebäude,-
het hoofdgebouw
die Handelshochschule, -n
de handelshogeschool