Samenvatting Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht

-
ISBN-10 9013023940 ISBN-13 9789013023947
2173 Flashcards en notities
94 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht". De auteur(s) van het boek is/zijn M C Burkens. Het ISBN van dit boek is 9789013023947 of 9013023940. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Beginselen van de democratische rechtsstaat : inleiding tot de grondslagen van het Nederlandse staats- en bestuursrecht

  • 1 Het onderwerp van het staats en bestuursrecht

  • Wat is een beschikking?

    Een besluit met betrekking tot  een individueel geval 

  • Wat is een planologische kernbeslissing?

    Een plan met betrekking tot  bepaalde aspecten  van het nationale ruimtelijke beleid

  • 1.1.1 Inleiding

  • wat houdt het begrip rechtsstaat in?

    Dat de staat zelf gebonden is aan het recht

  • Welk onderscheid kunnen we maken in de  bevoegdheidsverdeling?

    onderscheid kunnen we maken in territoriale bevoegdheden dit wil zeggen naar grondgebied en functionele bevoegdheden dit wil zeggen naar beleidsterrein

  • Wat wordt verstaan onder controle mechanismen?

    hieronder wordt verstaan de parlementaire verantwoordingsplicht en vormen van bestuurlijk toezicht

  • 1.1.2 de plaats van het staats- en bestuursrecht

  • Staats- en bestuursrecht is een van de drie terreinen van de rechtsorde (andere zijn privaat- en strafrecht). Het staats- en bestuursrecht handelt primair over de verhouding tussen de burger en de overheid en tussen overheidsinstanties onderling. Het staats- en bestuursrecht omvat dus zowel formele als materiële normen. 


    Overheidshandelen bestaat uit feitelijke handelingen (bv het openbreken van een straat) of rechtshandelingen: bv een besluit.

    Een besluit kan publiekrechtelijk of privaatrechtelijk genomen worden. 

    Kenmerkend voor het staats- en bestuursrecht is het publiekrechtelijk handelen. 

    Een publiekrechtelijk besluit kan eenzijdig worden opgelegd (bv de gemeenteraad besluit iets) of tweezijdig (bv de gemeente sluit een verdrag of treft een regeling met een andere gemeente). 

    Het staatsrecht richt zich voornamelijk op de besluiten van de hoogste staatsorganen en organisatorische structuur. 

    Het bestuursrecht handelt over de besluiten van organen die zich op specifieke terreinen tot de burger richten, en ook op de organisatorische structuur van specifieke organen.


    De organisatorische structuur van veel organen (ambten) in Staatsrecht worden geregeld in de Grondwet of organieke wetten (dwz in opdracht van de grondwet zoals de Provinciewet, de Gemeentewet (beide art 132 GW of de Kieswet (art 59 GW)).
  • Hoe wordt de rechtsorde ingedeeld?
    De rechtsorde wordt ingedeeld in privaatrecht, staats en bestuursrecht en strafrecht.

  • waarin kunnen de verschillende rechtsorde worden ingedeeld?
    deze kunnen worden onderverdeeld in een formeel en materieel deel.

  • Wat betreft het formele deel en wat het materiele deel?
    het formele deel betreft de procedurele normen en het materiele deel de in houdelijke normen.
  • waar houdt het staatsrecht zich mee bezig?
    het staatsrecht houdt zich bezig met de besluiten  van de hoogste staatsorganen en de organisatorische structuur van deze organen

  • Waar houdt het bestuursrecht zich mee bezig?
    het bestuursrecht houdt zich bezig met de besluiten van organen die zich op specifieke terreinen tot de burgers richten, alsmede de organisatorische structuur van specifieke organen.

  • Hoe wordt de organisatorische structuur van veel organen genoemd?
    dit wordt ambten genoemd

  • Wat zijn  organieke wetten?
    Dit zijn wetten die totstandgekomen zijn in opdracht van de grondwet
  • 1.1.3 Het basismateriaal van het staats en bestuursrecht

  • Verschillende overheidsbesluiten:
    - avv (wetten in materiële zin)
    - beschikkingen
    - beleidsregels
    - plannen
    - vonnissen/arresten/uitspraken

    Typerend voor overheidsbesluiten: bindend

  • De besluiten waarop het staats- en bestuursrecht betrekking heeft zijn in het algemeen
    eenzijdig bindende overheidsbesluiten. Dit betekent dat men aan het besluit gehouden is, of
    men nu wil of niet.
  • de besluiten waarop het staats en bestuursrecht betrekking heeft zijn in het algemeen eenzijdig bindende overheidsbesluiten. dit houdt in dat de gelding van het besluit niet afhankelijk is van de instemming van hen tot wie het besluit is gericht
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Klassiek-liberale rechtsstaat?
- Primaat van de individuele vrijheid
- Theocratische theorie Droit Divin; kent slechts één vrij persoon, de vorst die legibis solutus (niet gebonden aan wetten) is. 
- Federale en standenstelsel kent geen individuele vrijheid, slechts nauw omlijnde bijzondere vrijheden (privileges) collectieve voorrechten. 
- Vrijheid van het individu is de hoofdregel, de beperking ervan de uitzondering
- Wet: middel waardoor individuele vrijheidssferen t.o.v. Elkaar en de overheid afgegrensd worden. 
Legaliteitsbeginsel?
Overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag.
Geef voor artikel 9 Gw het competentievoorschrift en het doelcriterium/de doelcriteria aan
In lid 1 staat dat het recht kan worden beperkt op grond van de wet. Er is geen sprake van de mogelijkheid tot delegatie (want de daartoe benodigde terminologie wordt niet gebruikt), dus wat betreft het competentievoorschrift geldt de formele wetgever als de enige instantie die beperkingen mag opleggen, waarbij geen doelcriteria worden gegeven. In lid 2 staat dat regels kunnen worden gesteld ter bescherming van de doelcriteria: de gezondheid, het verkeer en de bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Omdat van ‘regels’ wordt gesproken is delegatie (aan de regering) mogelijk. Hier is dus sprake van een breder competentievoorschrift; daarentegen mag het recht slechts beperkt worden met een beroep op een of meer van de genoemde doelcriteria.
Leg uit wat met de term ‘doelcriteria’ wordt bedoeld in het geval van beperkingen van grondrechten.
Grondrechtenbeperkingen moeten strekken tot behartiging van een bepaald belang dat de beperkende overheid voor ogen staat; de doelcriteria geven aan wat dat belang is. Dat kan een algemeen belang zijn, zoals de voorkoming van wanordelijkheden in art. 6, lid 2, Gw (en art. 14, lid 1 en 3, Gw spreekt zelfs expliciet van ‘het algemeen belang’) of een specifiek belang, zoals de goede zeden, gericht op personen jonger dan 16 jaar, in art. 7, lid 2, Gw.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.7.1
Waarom zijn er normen, zoals het verbod van foltering, die onder geen enkele voorwaarde kunnen worden beperkt?
Deze normen worden zo fundamenteel geacht dat deze niet mogen worden aangetast; men spreekt dan van zogeheten bodemnormen. Het is bijvoorbeeld voorstelbaar dat een overheid het strafrechtelijk mogelijk wil maken om verdachten te folteren om informatie over geplande terroristische aanslagen te verkrijgen, maar die mogelijkheid bestaat zelfs dan niet. De grens die in dit geval gerespecteerd moet worden ligt daar waar de lichamelijke integriteit wordt aangetast en pijn wordt toegebracht (art. 15 EVRM, lid 1, geeft aan dat in een algemene noodtoestand van verplichtingen op grond van het EVRM mag worden afgeweken, maar zondert daarvan – onder andere – art. 3, dat folteren verbiedt, uit in lid 2).
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.5
Zijn de in de Grondwet opgenomen grondrechten onaantastbaar als deze niet worden opgevat als natuurrechten?
Nee. Grondrechten hebben in dit geval geen bijzonder karakter. Deze zijn wel ‘verschanst’, hetgeen wil zeggen dat artikel 137 Gw aangeeft dat de Grondwet alleen kan worden gewijzigd met een 2/3 meerderheid in beide kamers (na een gewone meerderheid in de eerste lezing), maar wordt deze gekwalificeerde meerderheid behaald, dan kunnen de in de Grondwet opgenomen grondrechten beperkt en zelfs geschrapt worden. De grondrechten zijn ook opgenomen in internationale verdragen, zoals het EVRM (uitzonderingen zijn de onderwijsvrijheid en de rechten die voortvloeien uit het censuurverbod; zie daarvoor Beginselen H7, par. 7.4). Deze verdragen zouden, om de grondrechten aan te kunnen tasten, moeten worden opgezegd, wat niet onmogelijk is, maar (op dit moment) geen waarschijnlijk scenario is.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.2
Zijn de in de Grondwet opgenomen grondrechten onaantastbaar als deze worden opgevat als natuurrechten?
Ja. Natuurrechten zijn rechten die de mens van nature toekomen, ongeacht of deze al dan niet zijn gepositiveerd (dat wil zeggen, door de wetgever in de wet zijn vastgelegd). Het opnemen van deze rechten in de grondwet is niet meer dan een erkenning van het bestaan van deze rechten (en een bevestiging door de grondwetgever dat de overheid niet in strijd met deze rechten zal handelen).
Vindplaats: Beg. H6
Geef het voornaamste verschil aan tussen grondrechten zoals John Locke deze verdedigt en rechten zoals deze voortvloeien uit de totstandkoming van de Magna Carta.
In het geval van de Magna Carta was sprake van een verdrag tussen de koning en zijn vazallen, waarbij hun een aantal rechten werd toegekend. Deze rechten kwamen, met andere woorden, tot stand op grond van het verdrag. John Locke stelt dat ‘eenieder’ (ieder mens) van nature over bepaalde rechten beschikt, dus ongeacht van een verdrag dat men sluit. Het verschil ligt er dan ook in dat eenieder (en niet slechts verdragspartijen) over grondrechten beschikt. Hiermee hangt nauw samen dat grondrechten verondersteld worden onvervreemdbaar te zijn, dit in tegenstelling tot overeengekomen rechten, die kunnen vervallen als het verdrag wordt opgezegd.
Vindplaats: Beg. H6, par. 6.1 en 6.2
Waarin verschilde de regeling die in 1887 in de Grondwet werd opgenomen met betrekking tot de zelfstandige regelgevende bevoegdheid van de regering ten opzichte van de uitspraak van de Hoge Raad daaromtrent in het Meerenberg-arrest?
In het Meerenberg-arrest stelde de Hoge Raad dat de regering geen algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar dat zij daartoe enkel bevoegd was op grond van hetzij een specifieke delegerende wet, hetzij op grond van een uitdrukkelijke grondwetsbepaling. In de grondwetsherziening van 1887 werd daarentegen wel erkend dat de regering een algemene bevoegdheid toekwam tot het vaststellen van AMvB’s, maar voor de handhaving daarvan door straffen was een (specifieke) wettelijke grondslag nodig en die straffen dienden ook door de wet te worden geregeld. Deze oplossing lijkt sterk op het huidige regime van art. 89 Grondwet.
Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.4.2; readertekst 17 en 18
Wat was de betekenis van het Meerenberg-arrest (13 januari 1879) voor de reikwijdte van het optreden van de Koning en zijn ministers?
Het Meerenberg-arrest is vooral van belang omdat de Hoge Raad laat zien dat het regelstellende optreden van de regering zich dient te begeven binnen de contouren van het grondwettelijk stelsel. Ten tijde van het Meerenberg-arrest ontbrak in de Grondwet een bepaling als ons huidige artikel 89 Grondwet. De Hoge Raad weerlegde de stelling van de regering dat deze zou beschikken over een algemene bevoegdheid tot het uitvaardigen van AMvB’s, ook wanneer deze maatregelen niet steunden op een wet. Welke bevoegdheid de regering dan wel heeft, diende te worden opgemaakt uit het stelsel van de Grondwet. Dit stelsel ging volgens de Hoge Raad niet uit van een in beginsel onbeperkte bevoegdheid van de regering. Het uitgangspunt was volgens de Hoge Raad veeleer dat de regering slechts bevoegdheden bezit die haar uitdrukkelijk door de Grondwet zijn toegekend of die berusten op enige delegatie door de wetgever aan de regering als uitvoerende macht. Ook aan de Blanketwet van 1818 kon de regering geen onbeperkte en algemene bevoegdheid ontlenen om algemene maatregelen (ook zonder specifieke wettelijke grondslag) uit te vaardigen.
Vindplaats: Beg. H4, par. 4.4.4.2; readertekst 17 en 18