Samenvatting Bestuursrecht Literatuur + Arresten

-
275 Flashcards en notities
2 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Bestuursrecht Literatuur + Arresten

  • 1 Inleiding

  • Waarom zijn er aparte regels van bestuursrecht?
    • Privaatrechtelijke regels gaan uit van gelijkwaardige partijen, terwijl de verhoudingen tussen overheid en burger niet gelijkwaardig is.
    • Strafrechtelijke bepalingen hebben een ander doel dan bestuursrechtelijke bepalingen.
  • Wat zijn verschillende functies van de overheid?
    • Ordenende functie: dwingende normen in maatschappij handhaven.
    • Presterende functie: voorzieningen treffen voor bestaanszekerheid.
    • Sturende functie: invoeren van dwingende voorschriften.
    • Arbitrerende functie: stelt grenzen aan gebruik van energie, ruimte etc.
  • Hoe wordt de toekenning van ruim geformuleerde bevoegdheden aan bestuursorganen omschreven?
    Terugtred van de wetgever.
  • Wat zijn de gevolgen van terugtred van de wetgever?
    Het is aan bestuursorganen om te bepalen wat volgens hen rechtens is (gelede normstelling).
  • Hoe wordt de kwaliteit van overheidsbestuur gewaarborgd?
    • Kwaliteit van wetgeving: duidelijk geformuleerd, eenvoudig toe te passen en te handhaven.
    • Politieke controle: bestuur blijft hierdoor scherp en wil fouten voorkomen.
    • Rechterlijke controle: de rechter controleert of wettelijke normen en beginselen door het bestuur in acht zijn genomen. Rechter toetst niet de wenselijkheid van besluiten.
    • Bestuurlijk toezicht: controle door hogere bestuursorganen.
  • Wat zijn aspecten van de democratie (volkssoevereiniteit)?
    • Machtenscheiding
    • Verantwoordelijkheid
    • Openbaarheid van bestuur
  • Legaliteitsbeginsel
    Voor overheidsoptreden is in beginsel een grondslag in de wet vereist.
  • Specialiteitsbeginsel
    Rechten en bevoegdheden van bestuursorganen worden specifiek omschreven en toegekend ter realisatie van specifieke doeleinden.
  • Rechtszekerheidsbeginsel
    Tegengaan van overheidswillekeur:

    • Formeel: duidelijke begrenzing van bevoegdheden en ondubbelzinnigheid van wettelijke bepalingen.
    • Materieel: geldende bepalingen vinden daadwerkelijk toepassing en besluiten mogen geen terugwerkende kracht hebben. 
  • Gelijkheidsbeginsel
    Gelijke toepassing in gelijke gevallen en ongelijke toepassing in ongelijke gevallen.
  • Stelselmatigheid
    Consistentie en consequentie in standaard beslissingscriteria die zorgen voor gelijkheid.
  • Individueel rechtsbeding
    Feiten en omstandigheden kunnen ervoor zorgen dat de toepassing van algemene beslissingscriteria voor een bepaald individu tot een andere uitkomst leidt.
  • 2 Personen binnen het bestuursrecht

  • Welke personen zijn aan de kant van de burger belangrijk?
    • Natuurlijke personen: als natuurlijke personen civielrechtelijk handelingsbekwaam zijn, zijn zij 'rechtssubject'. Als een natuurlijk persoon minderjarig is of onder curatele is gesteld, wordt hij/zij geacht onbekwaam te zijn (art. 8:21 lid 1 Awb).
    • Rechtspersoon: andere rechtssubjecten dan mensen.
  • Drie soorten rechtspersonen:
    • Art. 2:1 BW: krachtens publiekrecht ingesteld.
    • Art. 2:2 lid 1 BW: kerkgenootschappen en hun zelfstandige onderdelen.
    • Art. 2:3 BW: krachtens privaatrecht ingesteld.
  • Bestuursorgaan soms ook 'persoon'. Vier kenmerken persoonlijkheid:
    1. Bestuursorgaan oefent bevoegdheden uit op eigen naam en handelen.
    2. In beroep is het bestuursorgaan de verwerende partij indien een procedure is gestart naar haar beroepsuitoefening.
    3. In beroep kan het bestuursorgaan de eisende of appellerende partij zijn als zij zelf tegen een besluit beroep instelt.
    4. Bestuursorganen bezitten in principe geen eigen vermogen. Privaatrechtelijke rechtspersoon waarvan het bestuursorgaan onderdeel uitmaakt bezit dit veelal wel.
  • Wanneer mag van een 'ambtenaar' worden gesproken?
    Als het personeel zich schaart onder de omschrijving van art. 1 van de Ambtenarenwet.
  • A-organen
    Er moet zijn voldaan aan de elementen uit art. 1:2 lid 1 sub a Awb:
    • Krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon: hieronder vallen de Staat, provincies, gemeenten en waterschappen (art. 2:1 lid 1 BW). Ook andere lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, mits basis in formele wet (art. 2:1 lid 2 BW).
    • Organen van rechtspersonen: hierbij gaat het om colleges of personen die een zodanig zelfstandige taak vervullen dat zij als orgaan van die persoon of colleges zijn aan te merken. Hangt af van:
      • Plaatsing
      • Rubricering
    en/of
      • Wettelijke formulering in de wet
    kan ook nog blijken uit
      • Openbaar gezag
    dan moet nog gekeken worden naar de zelfstandige positie. Er moet spraken zijn van een eigen (externe) taak.
  • Hoe bepaal je of een persoon of college bekleed is met enig openbaar gezag?
    Is aan die persoon of dat college de exclusieve bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van burgers toegekend? --> Ja.

    In beginsel kan openbaar gezag slechts bij wettelijk voorschrift worden verstrekt. Uitzondering: indien sprake is van een orgaan van een krachtens privaatrecht ingestelde rechtspersoon dat geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekt. Twee vereisten:
    1. Inhoudelijk vereiste: de inhoudelijke criteria verbonden aan dergelijke verstrekkingen moeten in beslissende mate worden bepaald door minstens een A-orgaan.
    2. Financieel vereiste: financiering moet in overwegende mate worden gefinancierd door minstens een A-orgaan. (In beginsel 2/3 of meer)
  • B-organen
    Art. 1:1 lid 1 sub b Awb: Doorslaggevend is of de persoon of het college met enig openbaar gezag is bekleed. Kort gezegd is doorslaggevend of het orgaan publiekrechtelijke rechtshandelingen kan verrichten of besluiten kan nemen in de zin van art. 1:3 Awb.
  • Uitzonderingen
    In art. 1:1 lid 2 Awb is een aantal organen, personen en colleges uitgezonderd. Kabinet en Koning worden hierin niet genoemd, maar zijn geen bestuursorganen (jurisprudentie). Uitzondering op bovenstaand in art. 1:1 lid 3 Awb stelt dat het toch bestuursorganen zijn, indien zij in het kader van het ambtenarenrecht handelingen verrichten of besluiten nemen ten opzichte van ambtenaren die bij hen in dienst zijn.
  • Belanghebbenden in de zin van de Awb
    • Normadressaat
    • Degene die voor eigen belang opkomt
    • Bestuursorgaan
    • Rechtspersonen
  • Belanghebbenden: normadressaat
    Degene aan wie het besluit is gericht (natuurlijk persoon, rechtspersoon, bestuursorgaan of andere entiteit).
  • Belanghebbenden: degene die voor eigen belang opkomt
    Gegrond in art. 1:2 lid 1 Awb: rechtstreeks bij een besluit betrokken. Vijf cumulatieve voorwaarden:
    1. Eigen belang (slechts met machtiging voor een ander).
    2. Persoonlijk belang: moet zijn te onderscheiden van belang van de massa. Vaak bepaald aan de hand van het afstands- en zichtscriterium.
    3. Objectief bepaalbaar.
    4. Actueel, voldoende zeker: geen vrees voor een eventueel besluit in de toekomst.
    5. Rechtstreeks: voldoende causaal verband. Geen afgeleid belang: belang wordt slechts door belang van een ander geschaad.



  • Belanghebbenden: bestuursorgaan
    Art. 1:2 lid 2 Awb: een bestuursorgaan kan een belanghebbende zijn als het opkomt voor de hun toevertrouwde belangen. Algemene belangen die zij, volgens de wettelijke taakomschrijving van bestuursorganen, behartigen. Het toevertrouwde belang moet actueel en direct door het besluit geraakt zijn.
  • Belanghebbenden: rechtspersonen
    Art. 1:2 lid 3 Awb: rechtspersonen kunnen belanghebbenden zijn als het gaat om de algemene en collectieve belangen die zij blijkens hun doelstellingen en feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. Volgende eisen:
    • Organisatie is een rechtspersoon.
    • Rechtpersoon behartigt algemene en/of collectieve belangen in het bijzonder. (moet nader bepaald zijn)
    • Behartigt volgens statutaire doelstellingen en feitelijke werkzaamheden
    • Belang moet actueel en direct door besluit geraakt zijn. 
  • Algemene belangen/collectieve belangen
    • Belangen van kunst, cultuur, milieu enzovoort.
    • Gezamenlijke belangen van vrijwel alle leden van een groep rechtspersonen of natuurlijke personen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Wie controleert of bestuursorganen zich behoorlijk gedragen?
De ombudsman, art. 9:27 lid 1 Awb. Er is een behoorlijkheidswijzer opgesteld om dit makkelijker en overzichtelijker te maken. In het oordeel moet de ombudsman vermelden aan welke vereisten niet is voldaan, art. 9:36 lid 2 Awb.
Aanvullende werking van de algemene beginselen
Soms werken de algemene beginselen van behoorlijk bestuur aanvullend om nieuwe behoorlijkheidsnormen te ontwikkelen.
Het beginsel van draagkrachtige motivering
  • Een motivering moet een begrijpelijke argumentatie inhouden;
  • de motieven die aan een besluit ten grondslag liggen moeten aanvaardbaar zijn;
  • de motivatie moet aanvaardbaar zijn als gelet wordt op de kwalificatie van de feiten waarop de motivatie is gebaseerd.
Evenredigheidsbeginsel
Een belangenafweging moet in ieder geval voldoen aan de vereisten van redelijkheid en evenredigheid. Over het algemeen wordt hier niet over door een rechter beslist.
Vertrouwensbeginsel
Als het mogelijk is moet ervoor zorg worden gedragen dat de gerechtvaardigde verwachtingen uitkomen.
Gelijkheidsbeginsel
Gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden en ongelijke gevallen moeten ongelijk behandeld worden.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Een besluit moet met voorbereiding in zorgvuldigheid worden genomen:
  • een correcte bejegening van de burgers;
  • zorgvuldig onderzoek naar de feiten;
  • zorgvuldige beslissingsprocedure;
  • deugdelijke besluitvorming.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
  • Zorgvuldigheidsbeginsel;
  • gelijkheidsbeginsel;
  • vertrouwensbeginsel;
  • evenredigheidsbeginsel;
  • het beginsel van draagkrachtige motivering;
  • het beginsel van kenbare motivering;
  • aanvullende werking van algemene beginselen.
De Wob kent een aantal weigeringsgronden:
  • Persoonlijke beleidsopvattingen: art. 11 Wob;
  • Absolute weigeringsgronden: art. 10 lid 1 Wob:
    • Gevaar voor de Kroon;
    • Schade voor de veiligheid van de Staat;
    • Vertrouwelijke meegedeelde bedrijfs- en fabricagegevens;
    • Gevoelige persoonsgegevens, tenzij dit geen inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer;
  • Relatieve weigeringsgronden: art. 10 lid 2 Wob stelt dat een weigering tot informatieverstrekking kan plaatsvinden indien dit noodzakelijk blijkt te zijn uit de belangenafweging. Deze moet door de rechter worden getoetst, waarbij het uitgangspunt van de Wob zwaar weegt.
Hoe zit het met de beslistermijnen in de Wob?
Er moet zo snel mogelijk worden beslist, art. 6 lid 1 Wob. De uiterlijke termijn is vier weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. Deze termijn kan eenmalig worden verlengd met vier weken.