Samenvatting chemie overal

-
ISBN-13 9789001877620
134 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Dit is de samenvatting van het boek "chemie overal". De auteur(s) van het boek is/zijn Joost Arent. Het ISBN van dit boek is 9789001877620. Deze samenvatting is geschreven door studenten die effectief studeren met de studietool van Study Smart With Chris.

Samenvatting - chemie overal

  • 3.1 Macro en microniveau



  • Wat ga je leren bij de paragraaf 3,1 ?

    • Je leert dat de meeste stoffen uit moleculen bestaan;
    • Je leert wat stoffen zijn;
    • Je leert dat modellen en simulaties in de scheikunde een belangrijke rol spelen.
  • Introductie
    Licht om glucose te maken
    Druiven hebben veel zonlicht nodig om goed te groeien. Veel fruit groeit daarom in warme landen. Het zonlicht is nodig om stoffen zoals water en koolstofdioxide om te zetten in glucose, ook wel druivensuiker genoemd. Maar waar bestaan die stoffen nu eigenlijk uit?
  • Stoffen
    In de vorige twee hoofdstukken heb je naar stoffen en hun eigenschappen gekeken. Die stofeigenschappen bepalen hoe of waarvoor je een stof gebruikt. Alles wat je met je zintuigen kunt waarnemen noem je het macroniveau. Maar wat zijn de bouwstenen van stoffen? Daarvoor moet je inzoomen op de stof en naar een steeds kleiner deel van de stof kijken. Uiteindelijk kom je op het microniveau, je bestudeert dan de kleinste deeltjes waaruit een stof is opgebouwd. Als je een grote hoeveelheid van die deeltjes bij elkaar neemt, krijg je de stof.
  • Moleculen
    Door het vele onderzoek dat de afgelopen eeuwen is uitgevoerd is bekend dat van de meeste stoffen de kleinste deeltjes moleculen zijn. Als je op microniveau naar de zuivere stof koolstofdioxide kijkt, dan zijn de bouwstenen van de stof koolstofdioxidemoleculen. De zuivere stof water bestaat uit alleen maar watermoleculen. Een zuivere stof bestaat dus uit allemaal dezelfde deeltjes.
    De eigenschappen van een molecuul zijn anders dan die van de bijbehorende stof. De stof water heeft een kookpunt van 100 °C, maar één enkel molecuul water heeft geen kookpunt. Van een stof kun je aangeven in welke fase deze zich bevindt, maar van één los molecuul kan dat niet.
    In hoofdstuk 1 heb je geleerd dat een stof in drie verschillende fasen kan voorkomen. Nu je weet dat de meeste stoffen zijn opgebouwd uit moleculen, kun je deze fasen weergeven met behulp van een schematische tekening.

    In de schematische tekening van figuur 3.1 zie je op microniveau wat de verschillende fasen inhouden. Hierbij zijn de moleculen vereenvoudigd weergegeven als bolletjes. In de scheikunde schakel je voortdurend tussen het macroniveau en het microniveau.
  • Op microniveau beschrijf je wat de fasen inhou den en daarvoor gebruik je de waarnemingen op macroniveau.
    Bij figuur 3.1a zie je een vaste stof. De moleculen zijn netjes dicht bij elkaar gestapeld, je noemt deze stapeling in een vaste stof een rooster. Bij een vaste stof trillen de moleculen wel, maar ze blijven op hun plaats. Als je de stof verwarmt, gaan de moleculen door de toegevoegde warmte steeds harder trillen.
    Bij een bepaalde temperatuur, het smeltpunt van de stof, is de trilling van de moleculen zo sterk dat het rooster wordt verbroken. Er ontstaat een vloeistof. De moleculen blijven nog wel bij elkaar, maar bewegen zich nu langs elkaar door de vloeistof, zie figuur 3.1b. Wanneer de temperatuur nog verder stijgt, wordt de beweging van de moleculen steeds sterker en bij het kookpunt van de stof komen de moleculen helemaal los van elkaar. Er ontstaat een gas. De moleculen bewegen nu op grote afstand van elkaar,
     zie figuur 3.a - b-1c.
  • Modellen en simulaties
    Figuur 3.1 is een modelvoorstelling van de drie fasen op microniveau. Iets wat je niet direct kunt zien, kun je wel met een model beschrijven. Een model is een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Door die vereenvoudiging maak je de werkelijkheid beter hanteerbaar. Bedenk wel dat je de werkelijkheid altijd een beetje geweld aandoet als je er een model van maakt.

    figuur :3.1A. B . C
    Soms moet je de werkelijkheid ‘vergroten’ of ‘verkleinen’. Moleculen zijn bijvoorbeeld zo onvoorstelbaar klein dat je ze alleen maar met ingewikkelde apparatuur zichtbaar kunt maken. Daarom is het erg gemakkelijk om met modellen van moleculen te werken. In figuur 3.2 is een vergroting van de werkelijkheid weergegeven: een model van een eiwitmolecuul.



    figuur  3,2 kijken 

    Modellen van moleculen worden vaak op de computer gemaakt en dan heb je meer mogelijkheden. Als je een bepaald proces wilt nabootsen, kun je met behulp van een computermodel op eenvoudige wijze de omstandigheden aanpassen.

    Je ziet dan direct wat het resultaat van die veranderde omstandigheden is. Je noemt dit een simulatie (zie figuur 3.2). Wanneer bijvoorbeeld twee moleculen in de buurt van elkaar komen, kun je de effecten van die twee moleculen op elkaar bepalen.
    Dit met behulp van een computerprogramma ‘modelleren’ is een belangrijk hulpmiddel geworden in de natuurwetenschappen en dus ook bij scheikunde.
  • WSamenvatting

    • Alles wat je waar kunt nemen is macroniveau.

    • Het microniveau is het niveau van de kleinste deeltjes van de stof, de moleculen.

    • De meeste stoffen bestaan uit moleculen.

    • In een vaste stof zitten de moleculen dicht op elkaar gestapeld en trillen op hun plaats.

    • In een vloeistof bewegen de moleculen langs elkaar.

    • In een gas bewegen moleculen ver uit elkaar.

    • Modellen en simulaties zijn vereenvoudigde weergaven van de werkelijkheid.

      ga de experimenten na lezen 
      Water ,azijn of alcohol
  • 3.1.1 BEGRIPPEN

  • Micro- en macroniveau
    Het microniveau beschrijft alles op het niveau van atomen en moleculen, het macroniveau beschrijft alles wat je met je zintuigen kunt waarnemen.
  • Modellen en simulaties
    Modellen zijn vereenvoudigde weergaven van de realiteit om dingen te onderzoeken en te begrijpen. Wanneer een model wordt gebruikt om te zien wat het effect is van een verandering op het model, heet het een simulatie.
  • .
    .
  • 3.1.1.1 OPDRACHTEN VAN 3.1

  • A1: Wat is het macroniveau en wat is het microniveau in de scheikunde?
    A1:
  • A2:Water smelt bij 0 °C.  Geef met een modeltekening weer hoe je de moleculen van de stof water in de vaste fase en in de vloeibare fase voorsteld.

    b:Waarvoor gebruik je in scheikunde een model ?

    c: Noem voordelen en nadelen van het gebruik van modellen.
    A:

    b:

    c:
  • B3: Cola is een mengsel en bestaat voornamelijk uit de stoffen water, koolstofdioxide, suiker , en fosforzuur . Leg uit of je kunt spreken van colamoleculen.
    A:
  • B4: Hiernaast staat een modelvoor stelling van een stof die van de ene fase overgaat in de ander fase. De temperatuur die bij dit model hoort is 78 °C.

    a:Welke stofeigenschap geeft deze modelvoorstelling weer ?kijk figuur 3,5 faseovergaang.


    Gegeven zijn de stoffen suiker, stikstof, en alcohol.
    b: Leg uit welke stof bij de modelvoorstelling van figuur 3,5 hoort
    A:
    b:
  • B5:Lees de tekst in het kader  Gekkengoud:
    a:Pyriet en goud hebben een vergelijkbare kleur. Is dit een eigenschap op micro-of macroniveau ?

    b:Goud smelt bij een temperatuur van 1064 °C .
    Laat met een modeltekening zien hoe goud er in gesmolten vorm uitziet.
    Teken het goud als kleine bolletjes in je model. 
    A:
    b:
  • B6:Zand en zout zijn allebei vaste stoffen. Een eigenschap op macroniveau van zout is dat het goed in water oplost. Zand daarentegen lost niet in water op.
    caret-colorfont-sizeacaret-colorfont-size:Noem nog een eigenschap op macroniveau waarin zand en zout van elkaar verschillen.

    Aan dit mengsel kun je water toevoegen . Hierdoor lost het zout op. Wanneer je dit mengsel filtreert, houd je een residu en een filtraat over .
    b: Laat met een tekening zien hoe je denkt dat het filtraat er op microniveau uitziet.
    A:
  • C7:M: Bij het mengen van wasbenzine en water ontstaat een tweelagensysteem. Maak een model van het bovenstaande tweelagensysteem op microniveau en maak hierin duidelijk onderscheid tussen de twee stoffen.
    A:
  • C8N: Sinds het begin van de 21e eeuw is er een speciaal apparaat ontwikkeld dat het mogelijk maakt om moleculen in beeld te brengen , een Atomic Force Microscoop (AFM) . Een van de eerste waargenomen moleculen is pentaceen . In figuur 3,6 is de opname van een pentaceenmolecuul weergegeven.

    Leg uit of de AFM opname een waarneming op micro -of macroniveau is.
    A:
  •     JE KUNT NU!!
    • Uitleggen wat een stof is
    • Uitleggen wat wordt verstaan onder het macroniveau en het microniveau
    • duidelijk maken waarom in de scheikunde gebruik wordt gebruikt wordt gemaakt van modellen en simulaties.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

C25:Lees de tekst in het kader 'Manneken Pis  en beantwoord de volgende vragen.a:Bestaat het beeldje van Manneken Pis uit metalen of niet metalen?b:Brons is bepaald type mengsel . Hoe noem je een dergelijk mengsel?c:Het beeld is slecht 55,5 cm hoog en weegt 17 kg.De dichtheid van brons is 8,9kg per liter. Bereken hoeveel liter gesmolten brons je nodig hebt als het beeldje op nieuw moet worden gegoten .Je mag aannemen dat de dichtheid van vast en vloeibaar brons gelijk is.d:Brons bestaat voor 10 massa- %uit tin.Bereken hoeveel kilogram koper nodig is om het beeldje opnieuw te gieten.
A:
C24: Kwik is een metaal dat bij kamertemperatuur vloeibaar is.Daar om werd kwik vroeger vaak gebruikt in zogenaamde kwikschakelaars (zie figuur 3.19).Als de kwikschakelaar in een bepaalde stand wordt gezet, rolt het bolletje kwik tegen de contactpuntjes en ontstaat een gesloten elektrisch circuit.Zet je de schakelaar in de andere stand, dan rolt het bolletje kwik weg en wordt het contact tussen de beide elektriciteitsdraadjes verbroken .De kwikschakelaar maakt gebruik van het feit dat kwik vloeibaar is, maak ook van een andere eigenschap van het metalen .a:Welke andere eigenschap van een metaal wordt hier bedoelt ?b: Bedenk een reden waarom kwikschakelaars tegenwoordig nauwelijks nog worden gebruikt.
A:
C23 N:In deze opdracht probeer je om een idee te krijgen over de grootte van een watermolecuul.In 18 mL water bevinden zich 6,02.10x23 moleculen .Een druppel water komt overeen met 0,05 mL.a: Hoeveel moleculen water zitten er in een druppel?Stel je voor dat er 25 leerlingen in de je klas zitten en dat je in staat bent om de moleculen uit die druppel water te tellen.Elke leerling telt een molecuul per seconde.b:Hoeveel jaar ben je dan met de hele klas aan het tellen?
A:
C22M.Lucht bestaat hoofdzakelijk uit elementen stikstof en zuurstof .a:wat zijn de symbolen van stikstof en zuurstof?Ongeveer 79%van de moleculen in de lucht is stikstof en ongeveer 21% van de moleculen is zuurstof .b:Je hebt een hoeveelheid lucht met daarin 985 miljoen zuurstofmoleculen.Bereken hoeveel stikstofmoleculen er dan in de lucht zitten.
A:
C21:NFietssturen werden vroeger van ijzer gemaakt en bedekt met een dun laagje chroom. Ijzer is een onedel metaal dat reageert met zuurstof uit de lucht en dan een oxide vormt.Chroom is ook een onedel metaal en vormt met zuurstof uit de lucht ook een oxidelaagje om het metaal.Als een stuur van ijzer is, roest het helemaal weg, maar met een laagje chroom erop niet.Probeer een reden te bedenken waarom ijzer wegroest en chroom niet.
A:
C20: in figuur 3.18 zijn twee ringen afgebeeld .De ene ring (a) is gemaakt van witte goud en de andere ring is gemaakt van rood goud (b). Wit goud is een mengsel van goud met nikkel (of palladium) en rood goud is een mengsel van goud en koper.a: Wat is de verzamelnaam voor dat soort mengsels?sieraden zijn meestal gemaakt van goud, zilver of platina.vaak wordt dit dan ook nog met een ander metaal gemengd.b:Leg uit waarom juist deze metalen worden gebruikt.c:Leg uit waarom goedkoper sieraden die niet van goud, zilver of platina zijn gemaakt na verloop van tijd dof worden of van kleur veranderen .
A:
B19: In tabel 3.9 zijn namen en symbolen van elementen gegeven.Sommige symbolen hebben niet dezelfde eerste letter als de Nederlandse naam .Leg uit hoe dit komt?
A:
B18: Hieronder zijn vier elementen genoemd. Leg met behulp van het periodiek systeem uit welke van onderstaande elementen niet in het rijtje thuis hoort.broomkoolstofmangaanzwavel
A:
B17: Het metaal koper wordt veel gebruikt in muntgeld. Welke eigenschap van koper maakt koper zo geschikt voor gebruik in munten?
A:
B15:Zet de volgende metalen in volgorde van meest edel naar het minst edel?Kaliumkoperzinkzilver
A