Samenvatting Class notes - Acute Zorg

Vak
- Acute Zorg
- Viaa
- HBO-Verpleegkunde
122 Flashcards en notities
1 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

Samenvatting - Class notes - Acute Zorg

  • 1611615601 Acute Zorg

  • Wat is de definitie van acute zorg?
    ‘Alle zorg die niet kan wachten tot de eerstvolgende mogelijkheid op werkdagen om de huisarts of hulpverlener te raadplegen.’ (RIVM).
     
    Acute zorg bevat patiënten die acuut hulp nodig hebben. Er moet snel gehandeld/gereageerd worden door de verpleegkundige op de verslechtering van de patiënt door signalen op te pakken, hierop te reageren en zo bijdrage te leveren aan een goede behandeling. 
  • Geef voorbeelden van acute zorg binnen verschillende zorgsettingen weer?
    • Heftige depressie/suïcide in de psychiatrie;
    • Woedeaanval in de jeugdzorg;
    • Hartaanval in de thuiszorg;
    • Hartfalen, respiratoire insufficiëntie, reanimatiesetting in het ziekenhuis;
    • CVA of acute verwardheid in een verzorgingstehuis;
    • Agressie of epilepsieaanval in de gehandicaptenzorg.
    • Agressie vanuit familie in iedere setting.
  • 1612220400 ASS (Autisme Spectrum Stoornis)

  • Wat is de betekenis van ASS, waar staat het ook wel bekend om?
    • ASS = Autisme Spectrum Stoornis
    • Pervasive development disorder (pervasieve ontwikkelingsstoornis) het heeft invloed op veel aspecten van het leven.
    • Ook wel bekend als autisme en aan autisme verwante stoornissen 
    • Is een overkoepelende term van verschillende vormen van autisme
    • Dit heb je van jongs af aan zit in de genen  
  • Wat houdt ASS in?
    Een autismespectrumstoornis is een aangeboren stoornis waarbij de informatieverwerking in de hersenen is verstoord. Het is dus vanaf een jonge leeftijd aanwezig (geboorte) en speelt het gehele leven een rol. Het heeft gevolgen voor vele aspecten van het leven, zowel voor het kind als zijn omgeving (gezin).

    De precieze oorzaak is niet bekend. Wel is er sprake dat mogelijk een erfelijke factor in combinatie met omgevingsfactoren meespelen. 
  • Hoe wordt de diagnose van ASS vastgesteld?
    De diagnose wordt gesteld aan de hand van gedragskenmerken (gedragsdiagnose). Dit wordt vastgesteld door een GZ psycholoog/kinder- en/of jeugdpsychiater of een multidisciplinair team.

     
    De DMS-5 spreekt nog maar van één autisme-diagnose, namelijk ASS. De criteria hiervoor zijn o.a.:
    • Problemen op het bied van sociale communicatie en interactie, bijv. geen oogcontact. Samen spelen of werken kan moeilijk zijn. 
    • Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten bijv. achterstand of het ontbreken van taal.
    • Over- of ondergevoeligheid voor zintuigelijke prikkels. Er zijn beperkte belangstellingswerelden en er wordt veel gebruik gemaakt van routines en rituelen. 
  • Wat zijn de kenmerken van ASS?
    • Beperking sociale interactie en verbeelding - In zichzelf gekeerd, geen oogcontact, moeite inleven.
    • Communicatie en (lichaams)taal - Gezichtsuitdrukking niet herkend, vertraagd/achterstand in taalontwikkeling, uitspraken letterlijk nemen.
    • Stereotiepe interesses en gedrag - Veel kennis en interesse in één onderwerp, urenlang voor wasmachine zitten.
    • Waarneming - Gefragmenteerd, worden als losse puzzelstukken waargenomen. Verwerking van prikkels duurt langer.
    • Anders denken:

    Centrale Coherentie à Vermogen om dingen in een samenhang te zien. Moeite met verandering.
    Executieve functies à Plannen, organiseren en uitvoeren van taken. Bij moeite met samenhang is dit lastig.
    Theory of mind à Beseffen/voelen/weten wat eigen emoties zijn en de emoties van anderen.
    • Zintuigen - Overgevoelig of ondergevoelig. 
  • Welke benamingen van autisme en aanverwante stoornissen vervangt ASS?
    • Klassieke autisme (syndroom van Kanner) - Alle gedragskenmerken aanwezig die bij ASS passen. IQ lager dan gemiddeld.
    • Syndroom van Asperger - IQ gemiddeld of hoog (hoog-intelligent). De taalontwikkeling is goed ontwikkeld.
    • PDD-NOS (pervasive developmental disorder-not otherwise specified) - Bepaalde gedragskenmerken in sterke mate, andere minder sterk. Dit verschilt per persoon. 
  • Wat is de specifieke zorgvraag voor mensen met ASS?
    • Zorg en hulp bij ASS is altijd maatwerk, de zorg moet afgestemd zijn op de persoon en zijn/haar omgeving.
    • De focus ligt op het verminderen/voorkomen van problemen en het leren omgaan met ASS in het dagelijks leven.
  • Welke manieren zijn er voor verminderen/voorkomen van problemen en leren omgaan met ASS in het dagelijks leven (specifieke zorgvraag)?
    • Psycho-educatie en educatieve benadering -> Er worden communicatie en sociale vaardigheden aangeleerd en de psychische problemen behandeld die samen gaan met autisme. Er zal een gestructureerde omgeving met heldere communicatieve ondersteuning worden opgezet.
    • Gedragstherapie (cognitief) -> Ongewenst gedrag kan worden omgezet tot goed (gewenst) gedrag. Hierbij wordt met name gekeken naar de wisselwerking die iemand met autisme heeft met zijn/haar omgeving.
    • Medicatie -> Voor bepaalde bijkomende psychische problemen wordt medicatie voorgeschreven.
  • Waar hebben mensen met ASS behoefte aan
    • Overzicht/samenhang.
      - Helpen onderscheidt te maken in het wie, wat, waar, wanneer en hoe. Creëer overzicht.
      - Afspraken maken, bijv. een dagprogramma of een vaste plek aan tafel.
      - Het is van belang te weten hoe persoon in elkaar zit.
      - Er moet een balans zitten tussen flexibiliteit en structuur.
    • ‘Auti’-communicatie.
      - Concreet communiceren, niet in discussie gaat verkeerd bij het leggen van een puzzelstuk.
      - Ga in op het gevolg.
      - Geef iemand denktijd.

    Centrale coherentie à Samenhang aanbrengen (wie, wat, waar, wanneer en hoe)
    Executieve functies à Dagstructuur en taken aanleren.
    Theory of mind à Sociale regels aanleren.
  • Wat zijn de aandachtspunten voor de vpk?
    • Zorg er voor dat er ontdekkend gekeken wordt. Kijk naar functioneringsprofiel van jezelf en de cliënt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling het gedrag te voorkomen, maar wel het gedrag van zelfcontrole van de cliënt te vergroten.
    • Zorg er voor voorspelbaar te zijn. Kom afspraken/beloften na. Zorg dat cliënten je kunnen volgen. Patronen herkennen. Zorg voor vaste dagindeling, pictogrammen.
    • Volgen-herkennen-voorspellen-beïnvloeden.
  • Wat houdt de theorie van 'Geef me de vijf' in voor een zorgverlener?
    1. Autisme begrijpen
    • Je wilt graag positief contact met je cliënt -> belangrijk autisme van cliënt leren begrijpen.
    • Het lukt jouw cliënt niet om zich aan jou aan te passen = vpk aanpassen aan hem in eerste instantie.
    • Door verdiepen in zijn manier van denken leer je wat hij wil zeggen en wat hij nodig heeft om te kunnen luisteren naar jou.

    2. Positief contact
    • Als je autisme begrijpt, dan kun je met die kennis leren op deze cliënt af te stemmen en is de basis voor positief contact gelegd.
    • Communicatie afgestemd op het autistische denken = ‘Auti-communicatie’. Begrijpelijke technieken, die je meteen in de praktijk kunt toepassen en je direct resultaat opleveren.

    3. Basisrust creëren
    • Door eerste twee pijlers is positieve en veilige basis gelegd. Van daaruit kijk je wat zijn behoefte is als het gaat om duidelijkheid in de dag.
    • Geef me de 5 leert je een dagstructuur op maat te maken. De cliënt doet aan de hand van de structuur zelfstandig zijn taken, dit geeft hem rust en kliergedrag verdwijnt.
    • Er ontstaat ruimte voor de andere cliënten en jouw eigen taken. Het mooie is dat deze aanpak in te zetten is bij alle cliënten.


    4. Problemen oplossen
    • Conflicten zijn vaak het gevolg van onbegrip. Als je de eerste drie stappen toepast, zijn conflicten meestal al sterk verminderd.
    • Geef me de 5 helpt je de oorzaak te achterhalen van de conflicten die er dan nog zijn en geeft je tools om hiermee om te gaan. Daarmee worden gelijk conflicten in de toekomst voorkomen, waardoor er meer rust ontstaat en het weer gezellig wordt.


    5. Ontwikkeling bevorderen
    • Je wilt graag dat jouw cliënt met autisme zich zo optimaal mogelijk ontwikkelt. Dat hij leert wie hij zelf is, sociale contacten aangaat en een ‘gewoon’ leven kan leiden. Waar mogelijk kan dat! Je leert hoe je zijn ‘ik’ kan ontwikkelen en hoe hij van persoonsafhankelijk zelfstandig wordt. En wat jij daarin voor hem kan betekenen.
    • Met andere woorden: je leert hem te leven, in plaats van overleven! Zodat deze cliënt ook kan stralen!
  • Wat is van belang in de benadering van Heijkoop?
    • Elk gedrag is betekenis en functioneel. Iemand wil er iets mee zeggen (hoger IQ à verbaal, lager IQ à gedrag).
    • Onafhankelijk van het ontwikkelingsniveau. Mensen met disharmonisch functieprofiel. Verbaal, cognitief, perfomaal (hoe iets doen) en sociaal-emotioneel loopt niet altijd gelijk.
    • Zorgvrager en zijn/haar ‘probleem’ gedrag. De zorgvrager is niet alleen het probleemgedrag. Dit is een valkuil in de zorgverlening. Het probleemgedrag is een signaal.
    • Zorgvrager en zijn/haar omgeving. Staat in context met zijn probleemgedrag. Wat iemand irritant vind, hoeft een ander niet irritant te vinden. NSM geeft ook aan dat de cliënt in wisselwerking met de omgeving zit. 
  • Om welke punten gaat het volgens Heijkoop bij het beschrijven van gedrag t.a.v oorzaak probleemgedrag te achterhalen?
    • De vorm, hoe ziet het gedrag eruit, hoe verloopt het. Het doel is om een patroon te ontdekken en ingrijpen voordat iemand te ver in zijn patroon zit. Door eerder in te grijpen is de kans op het stoppen van het probleemgedrag groter.
    • De frequentie, hoe vaak komt probleemgedrag voor, in welke situatie en in welke periode. Eventuele aanleidingen kunnen duidelijk worden en de ernst kan geobjectiveerd worden. Het gedrag kan zo heftig zijn dat het voor begeleiders een probleem is. Het raakt hen dusdanig, dat het voor hen ook een probleem wordt, ook al laat de cliënt het gedrag maar zelden zien.
    • De intensiteit, de kracht waarmee de handeling plaatsvindt. 
      Lage intensiteit: gewoontehandeling, iemand laat het gedrag terloops zien terwijl hij met iets anders bezig is. 
      Gemiddelde intensiteit: functioneel gedrag: de handeling heeft al wel veel kracht, maar het gedag heeft ook een effect. Het is functioneel, bijvoorbeeld iets leuks krijgen of iets vervelends niet hoeven doen. De cliënt lijkt heel gericht probleemgedrag te laten zien, gedrag waar je als begeleider op moet reageren. Dit is echter geen bewust gedrag.
      Hoge intensiteit: dwangmatig, de handelingen zijn bijna niet meer te remmen. Het neemt een centrale plaats in, in iemands gedachten. Bij doorschieten is er sprake van een volledige escalatie: de cliënt gaat door het lint (gillen, bijten, rennen).
    • De mate van besmetting, hiermee wordt bedoeld in hoeverre het probleemgedrag het totale doen en laten van de cliënt heeft beïnvloed. Is hij er de hele dag mee bezig, of komt het incidenteel voor.
  • Hoe ga je als vpk om in de benadering met vastgelopen gedrag?
    • Anders kijken/ontdekkend kijken naar probleemgedrag - vb video-analyse, betekenis van gedrag zichtbaar
    • Functioneringsprofiel - wat zijn mijn verwachtingen van cl
    • zelfcontrole cl zoveel mogelijk vergroten
    • voorspelbaar zijn - doe wat je belooft, cl kan jouw vragen volgen, patronen herkennen, gebruik maken van verwijzers, pictogrammen, vaste dagindeling
  • Ondanks dat het moeilijk is vast te stellen, wat kan de oorzaak zijn van probleemgedrag volgens Heijkoop?
    Gebrek aan zelfvertrouwen. 
    • Streven naar zelfvertrouwen/zelfcontrole bij de cliënt bijv. door complimenten te geven, succes te vieren, focus op wat goed gaat.
    Spanningsregulatie.
    • Zorgen voor spanningsregulatie.
    • Observeren over- of onderprikkeling
    • Opstellen signaleringslijsten met bijbehorende interventies 
    • Helpen om te leren omgaan met spanning.
    Neerwaartse spiraal.
    • Doorbreken van de neerwaartse spiraal.
  • Omschrijving ballon: een ballon kan groter worden als er meer lucht in komt. Dit hoeft geen probleem te zijn, want de ballon wordt soms ook gevuld met spanning en opwinding die voortkomen uit leuke belevenissen. Het is wel belangrijk dat de ballon niet ontploft wanneer de spanning teveel wordt. Tijdig de lucht terug uit de ballon laten is noodzakelijk om probleemgedrag te voorkomen. De cliënt probeert vaak zelf de spanning onder controle te houden (wiegen, zingen, repetitieve handelingen,…), maar dit is niet altijd evident. Het is de taak van de begeleider om de persoon hierin te helpen.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.

Laatst toegevoegde flashcards

Waar gaat het liedje Glory over van Common en John Legend geschreven voor de film Selma?
Martin Luther King en vreedzame protestmarsen Afro-Amerikaanse bevolking de straat opgingen om te strijden voor stemrechten tegen racisme.
Ondanks dat het moeilijk is vast te stellen, wat kan de oorzaak zijn van probleemgedrag volgens Heijkoop?
Gebrek aan zelfvertrouwen. 
  • Streven naar zelfvertrouwen/zelfcontrole bij de cliënt bijv. door complimenten te geven, succes te vieren, focus op wat goed gaat.
Spanningsregulatie.
  • Zorgen voor spanningsregulatie.
  • Observeren over- of onderprikkeling
  • Opstellen signaleringslijsten met bijbehorende interventies 
  • Helpen om te leren omgaan met spanning.
Neerwaartse spiraal.
  • Doorbreken van de neerwaartse spiraal.
Hoe ga je als vpk om in de benadering met vastgelopen gedrag?
  • Anders kijken/ontdekkend kijken naar probleemgedrag - vb video-analyse, betekenis van gedrag zichtbaar
  • Functioneringsprofiel - wat zijn mijn verwachtingen van cl
  • zelfcontrole cl zoveel mogelijk vergroten
  • voorspelbaar zijn - doe wat je belooft, cl kan jouw vragen volgen, patronen herkennen, gebruik maken van verwijzers, pictogrammen, vaste dagindeling
Om welke punten gaat het volgens Heijkoop bij het beschrijven van gedrag t.a.v oorzaak probleemgedrag te achterhalen?
  • De vorm, hoe ziet het gedrag eruit, hoe verloopt het. Het doel is om een patroon te ontdekken en ingrijpen voordat iemand te ver in zijn patroon zit. Door eerder in te grijpen is de kans op het stoppen van het probleemgedrag groter.
  • De frequentie, hoe vaak komt probleemgedrag voor, in welke situatie en in welke periode. Eventuele aanleidingen kunnen duidelijk worden en de ernst kan geobjectiveerd worden. Het gedrag kan zo heftig zijn dat het voor begeleiders een probleem is. Het raakt hen dusdanig, dat het voor hen ook een probleem wordt, ook al laat de cliënt het gedrag maar zelden zien.
  • De intensiteit, de kracht waarmee de handeling plaatsvindt. 
    Lage intensiteit: gewoontehandeling, iemand laat het gedrag terloops zien terwijl hij met iets anders bezig is. 
    Gemiddelde intensiteit: functioneel gedrag: de handeling heeft al wel veel kracht, maar het gedag heeft ook een effect. Het is functioneel, bijvoorbeeld iets leuks krijgen of iets vervelends niet hoeven doen. De cliënt lijkt heel gericht probleemgedrag te laten zien, gedrag waar je als begeleider op moet reageren. Dit is echter geen bewust gedrag.
    Hoge intensiteit: dwangmatig, de handelingen zijn bijna niet meer te remmen. Het neemt een centrale plaats in, in iemands gedachten. Bij doorschieten is er sprake van een volledige escalatie: de cliënt gaat door het lint (gillen, bijten, rennen).
  • De mate van besmetting, hiermee wordt bedoeld in hoeverre het probleemgedrag het totale doen en laten van de cliënt heeft beïnvloed. Is hij er de hele dag mee bezig, of komt het incidenteel voor.
Wat is van belang in de benadering van Heijkoop?
  • Elk gedrag is betekenis en functioneel. Iemand wil er iets mee zeggen (hoger IQ à verbaal, lager IQ à gedrag).
  • Onafhankelijk van het ontwikkelingsniveau. Mensen met disharmonisch functieprofiel. Verbaal, cognitief, perfomaal (hoe iets doen) en sociaal-emotioneel loopt niet altijd gelijk.
  • Zorgvrager en zijn/haar ‘probleem’ gedrag. De zorgvrager is niet alleen het probleemgedrag. Dit is een valkuil in de zorgverlening. Het probleemgedrag is een signaal.
  • Zorgvrager en zijn/haar omgeving. Staat in context met zijn probleemgedrag. Wat iemand irritant vind, hoeft een ander niet irritant te vinden. NSM geeft ook aan dat de cliënt in wisselwerking met de omgeving zit. 
Welke manieren zijn er voor verminderen/voorkomen van problemen en leren omgaan met ASS in het dagelijks leven (specifieke zorgvraag)?
  • Psycho-educatie en educatieve benadering -> Er worden communicatie en sociale vaardigheden aangeleerd en de psychische problemen behandeld die samen gaan met autisme. Er zal een gestructureerde omgeving met heldere communicatieve ondersteuning worden opgezet.
  • Gedragstherapie (cognitief) -> Ongewenst gedrag kan worden omgezet tot goed (gewenst) gedrag. Hierbij wordt met name gekeken naar de wisselwerking die iemand met autisme heeft met zijn/haar omgeving.
  • Medicatie -> Voor bepaalde bijkomende psychische problemen wordt medicatie voorgeschreven.
Wat is de betekenis van ASS, waar staat het ook wel bekend om?
  • ASS = Autisme Spectrum Stoornis
  • Pervasive development disorder (pervasieve ontwikkelingsstoornis) het heeft invloed op veel aspecten van het leven.
  • Ook wel bekend als autisme en aan autisme verwante stoornissen 
  • Is een overkoepelende term van verschillende vormen van autisme
  • Dit heb je van jongs af aan zit in de genen  
Wat houdt de theorie van 'Geef me de vijf' in voor een zorgverlener?
1. Autisme begrijpen
  • Je wilt graag positief contact met je cliënt -> belangrijk autisme van cliënt leren begrijpen.
  • Het lukt jouw cliënt niet om zich aan jou aan te passen = vpk aanpassen aan hem in eerste instantie.
  • Door verdiepen in zijn manier van denken leer je wat hij wil zeggen en wat hij nodig heeft om te kunnen luisteren naar jou.

2. Positief contact
  • Als je autisme begrijpt, dan kun je met die kennis leren op deze cliënt af te stemmen en is de basis voor positief contact gelegd.
  • Communicatie afgestemd op het autistische denken = ‘Auti-communicatie’. Begrijpelijke technieken, die je meteen in de praktijk kunt toepassen en je direct resultaat opleveren.

3. Basisrust creëren
  • Door eerste twee pijlers is positieve en veilige basis gelegd. Van daaruit kijk je wat zijn behoefte is als het gaat om duidelijkheid in de dag.
  • Geef me de 5 leert je een dagstructuur op maat te maken. De cliënt doet aan de hand van de structuur zelfstandig zijn taken, dit geeft hem rust en kliergedrag verdwijnt.
  • Er ontstaat ruimte voor de andere cliënten en jouw eigen taken. Het mooie is dat deze aanpak in te zetten is bij alle cliënten.


4. Problemen oplossen
  • Conflicten zijn vaak het gevolg van onbegrip. Als je de eerste drie stappen toepast, zijn conflicten meestal al sterk verminderd.
  • Geef me de 5 helpt je de oorzaak te achterhalen van de conflicten die er dan nog zijn en geeft je tools om hiermee om te gaan. Daarmee worden gelijk conflicten in de toekomst voorkomen, waardoor er meer rust ontstaat en het weer gezellig wordt.


5. Ontwikkeling bevorderen
  • Je wilt graag dat jouw cliënt met autisme zich zo optimaal mogelijk ontwikkelt. Dat hij leert wie hij zelf is, sociale contacten aangaat en een ‘gewoon’ leven kan leiden. Waar mogelijk kan dat! Je leert hoe je zijn ‘ik’ kan ontwikkelen en hoe hij van persoonsafhankelijk zelfstandig wordt. En wat jij daarin voor hem kan betekenen.
  • Met andere woorden: je leert hem te leven, in plaats van overleven! Zodat deze cliënt ook kan stralen!
Wat zijn de aandachtspunten voor de vpk?
  • Zorg er voor dat er ontdekkend gekeken wordt. Kijk naar functioneringsprofiel van jezelf en de cliënt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling het gedrag te voorkomen, maar wel het gedrag van zelfcontrole van de cliënt te vergroten.
  • Zorg er voor voorspelbaar te zijn. Kom afspraken/beloften na. Zorg dat cliënten je kunnen volgen. Patronen herkennen. Zorg voor vaste dagindeling, pictogrammen.
  • Volgen-herkennen-voorspellen-beïnvloeden.
Waar hebben mensen met ASS behoefte aan
  • Overzicht/samenhang.
    - Helpen onderscheidt te maken in het wie, wat, waar, wanneer en hoe. Creëer overzicht.
    - Afspraken maken, bijv. een dagprogramma of een vaste plek aan tafel.
    - Het is van belang te weten hoe persoon in elkaar zit.
    - Er moet een balans zitten tussen flexibiliteit en structuur.
  • ‘Auti’-communicatie.
    - Concreet communiceren, niet in discussie gaat verkeerd bij het leggen van een puzzelstuk.
    - Ga in op het gevolg.
    - Geef iemand denktijd.

Centrale coherentie à Samenhang aanbrengen (wie, wat, waar, wanneer en hoe)
Executieve functies à Dagstructuur en taken aanleren.
Theory of mind à Sociale regels aanleren.