Samenvatting Class notes - Arbeidspsychologie

241 Flashcards en notities
6 Studenten
  • Deze samenvatting

  • +380.000 andere samenvattingen

  • Een unieke studietool

  • Een oefentool voor deze samenvatting

  • Studiecoaching met filmpjes

Onthoud sneller, leer beter. Wetenschappelijk bewezen.

PREMIUM samenvattingen zijn gecontroleerd op kwaliteit en speciaal geselecteerd om je leerdoelen nog sneller te kunnen bereiken!

Samenvatting - Class notes - Arbeidspsychologie

  • 1423609200 Individu en organisatie

  • onder motivatie verstaan we het totaal van beweegredenen of motieven dat op een bepaald ogenblik werkzaam is binnen een individu. Die motieven kunnen leiden tot de bereidheid om bepaalde inspanningen te verrichten.
  • Motiva†ie wordt bepaald door:
    1. interne krachten (behoeften)
    2. externe krachten (situatie)
    3. betekenisgeving aan situatie en behoeften.
  • Freud, de grondlegger van psychoanalyse noemt die interne krachten driften. Deze driften zijn aangeboren, hebben een lichamelijke oorsprong. Zij zijn drijfveren voor handelen. 
  • Moderne psychologen hebben de gewoonte om interne krachten behoeften te noemen.
  • Theorie Maslow
    1. Fysiologische behoeften
    2. veiligheidsbehoeften
    3. sociale behoeften
    4. erkenningsbehoeften
    5. zelfactualiseringsbehoeften.
  • Maslow theorie heeft twee uitgangspunten ten grondslag
    1. Deprivatie
    2. hierarchisch geordend
  • Deprivatie van behoefte leidt tot activatie. Wanneer er sprake is van een tekort aan deprivatie, een onbevredigde behoefte, zal de mens in beweging komen activatie. De kracht van de activatie zal afhankelijk zijn van de mate van deprivatie. Is de behoefte eenmaal bevredigd dan neemt het activiteiteniveau af.
  • Hierarchisch geordend, word de piramide van Maslow bedoeld. Eerst heb je fysiologische behoeften --> veiligheidsbehoeften.  Wanneer deze bevredigd is volgt de volgende  behoeften. 
  • Deficientie behoeften: In beweging komen vanuit een tekort (deprivatie) gaat op voor de eerste vier behoeften. 
  • Maslow is van mening dat lang niet iedereen aan hun volledige ontplooiing toekomen. Slechts een kleine groep bereikt het hoogste niveau van zelfactualisatie. 
  • Theorie van Alderfer: heeft drie soorten behoeften. ERG theorie
    1. Existentiele behoeften: Dit is de bheoften aan materiele zekerheid
    2. Relationele behoeften: Dit is de behoeften aan goede relatikes met andere mensen, liefde en vriendschap.
    3. Groeibehoeften: dit is de behoefte aan persoonlijke groei.
  • Anders dan bij Maslow gaat Alderfer ervan uit dat verschillende soorten van behoeften tegelijkertijd aanwezig kunnen zijn. Er is geen vaste volgorde. 
  • Uit onderzoek is gebleken dat mensen met ouders die een hogere opleiding hebben gevolgd, die blijken een sterkere groeibehoeften te hebben 

    Mannen blijken meer een existentiele behoeften te hebben en minder relationele behoeften.

    Vrouwen hebben meer relationele behoeften en minder existentiele behoeften.
  • Theorie van Mclelland.
    Mclelland onderscheid drie behoeftenprofielen
    1. prestatiebehoefte
    2. machtsbehoefte
    3. affliatiebehoefte
  • Bij affliatiebehoefte van Mclelland, ben je als mens gericht op het scheppen van goede relaties met anderen.
  • Mclelland

    Bij lagere leidinggevende is de affliatiebehoefte dominant. Hebben over het algemeen weinig macht. Om iets voor elkaar te krijgen moeten ze goede relaties met hun ondergeschikten moeten aanknopen. De redeneringen sluiten aan bij de opvattingen van Mclelland dat de dominante behoefte is aangeleerd. In dat leren speelt de beloning van gedragd (wet van het effect) een grotere rol. Een manager die door machsuitoefening iets voor elkaar krijgt, zal de neiging hebben om die aanpak te herhalen. Als 'vriendelijke zijn' het gewenst effect oplevert, zal die manier van aanpak dominant kunnen worden.
  • Anders dan de theorie van Maslow en Alderfer, gaat Mclelland niet uit van aangeboren, maar van aangeleerde behoeften. Wel gaat hij ervan uit dat het aanleren op jonge leeftijd plaatsvind en dat het dominante patroon, indien ontwikkelld, daarna stabiel blijft. 
  • Geconditioneerd gedrag: een bepaalde handeling die steeds gevolgd word door positieve bekrachtiging, wordt opgenomen in het gedragsrepertoire.
  • Motivatie
    1. trekkende kracht, uitgelokt door een situatie
    2. duwende kracht , gedrag door hun behoeften
  • Verwachtingstheorie Vroom
    Het overwegingsproces om tot een bepaald gedrag te komen.
    hangt af van een aantal overwegingen
    1. verband tussen inspanning en prestatie
    2. verband tussen prestatie en opbrengsten
    3. waarde van de opbrengst,


    De waarde van opbrengsten uit het werk is niet voor iedereen hetzelfde. Uit onderzoek is gebleken dat alleen al het hebben van werk bijdraagt aan het geluk van mensen./
  • Verwachtingsmodel
    Inspanning --> Prestatie --> Opbrensgsten--> waarde
  • De theorie van vroom gaat vooral om subjectieve overwegingen en inschattingen. Daarbij spelen twee zaken een rol
    1. bilijkheid, een redelijke verhoudin tussen inspanning en opbrengsten
    2. zelfbeeld, de mate waarin men zich in staat acht om tot goede presentaties te komen.
  • interne attributie: wanneer je tot de conclusie komt dat hij de enige is die het fout of juist goed doet en dat dit dikwlijks het geval is, dan zal hij de oorzaak bij zichzelf zoeken.

    interne attributie heeft gevolgen voor het zelfbeeld. 
  • externe attributie: Als anderen ook regelmatig en in vergelijkbare omstandigheden falen, zal iemand de oorzaken eerder buiten zichzelf zoeken. Als mensen hun slagen of falen toeschrijven aan de omstandigheden.
  • Wanneer mensen hun slagen of falen aan zichzelf toeschrijven, is dat van invloed op hun zelfbeeld.
  • Werkintrinsieke motivatie: hebben te maken met de uitdaging die er in hetw ek zit, met plezier naar werk gaan, ze doen hun best, omdat ze het werk leuk vinden en plezier hebben aan een goede prestatie. hangt samen met zelfontplooiing. gaat hier om het spel
  • werkextrinsieke motivatie: gaat om status, beloning gel, goede werkomstandigheden. 
  • Vroom stelt dat werkintrinsieke motivatie een hogere motiverende werking heeft in organisaties
  • intelligentie wordt vastgesteld met een IQ test.
  • Persoonlijkheid: het patroon van karakterstieke gedachten, gevoelens en gedragingen.
  • Big Five:
    een internationaal bekende persoonijkheidstest. Deze persoonlijkheidstest kent 5 dimensies.
    1. Extraversie
    2. vriendelijkheid
    3. zorgvuldigheid
    4. emotinele stabiliteit
    5. openheid voor ervaringen
  • attitude: een redelijke stabiele houding die iemand heeft ten opzichte van andere mensen of groepen, gedragingen, objectieve of ideeen. Attitudes zetten aan tot gedrag. 
  • attituden heeft twee overwegingen
    1. cognitieve overwegingen
    2. affectieve of emotionele overwegingen
  • Cognitieve dissonantie: mensen kunnen onrust ervaren als hu attitudes  of gedragingen tegenstrijdig zijn. 
  • Ruilrelatie: de relatie tussen individu en organisatie. Je spant je in maakt tijd en energie vrij voor het werk en in ruil daarvoor krijg je een beloning. 
  • een gevolg van de ruilrelatie is de wederzijdse afhankelijkheid.
Lees volledige samenvatting
Deze samenvatting. +380.000 andere samenvattingen. Een unieke studietool. Een oefentool voor deze samenvatting. Studiecoaching met filmpjes.